Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 mei 2013
Inleiding
Op 24 januari jongstleden heb ik overleg gevoerd met uw vaste commissie voor Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap en uw vaste commissie voor Europese Zaken over het EU-voorstel:
Richtlijn Verbeteren gendergelijkheid in besturen van beursgenoteerde bedrijven (Kamerstuk
33 483, nr. 5).
Ik heb toegezegd in mei een brief over de voortgang van de onderhandelingen in de
Raadswerkgroep en in het Europees Parlement en over de inzet van het kabinet toe te
sturen.
Overleg in de Raadswerkgroep
Hierbij moet ik u alvast melden dat de voortgang van de onderhandelingen beperkt is.
De Raadswerkgroep is op 1 februari, 18 februari en 25 maart bijeengekomen.
In de werkgroepen zijn met name de artikelen van de richtlijn besproken. Nederland
en andere lidstaten hebben in de eerste bijeenkomst bezwaar gemaakt, omdat het logischer
is om eerst de rechtsgrondslag en de impact assessment analyse te bespreken. De juridische
dienst van de Europese Commissie is gevraagd om een nadere toelichting op de rechtsgrondslag,
maar heeft deze nog niet toegestuurd. De rechtsgrondslag staat op de agenda van eerstkomende
Raadswerkgroep op 24 mei.
Eén van de vragen bij de rechtsgrondslag is in hoeverre artikel 157, derde lid, van
het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie door de Europese Commissie
gebruikt kan worden als bevoegdheid voor deze richtlijn. Belangrijk hierbij is de
precieze betekenis van de begrippen werkgelegenheid en beroep en de vraag in hoeverre
leden van de Raad van Commissarissen onder de reikwijdte van dit artikel vallen.
Bij de vraag in hoeverre 40% bindend is heeft de Europese Commissie aangegeven dat
het niet gaat om een bindend percentage van 40% voor non-executive directors in 2020
(2018), maar om een voorkeursbeleid gericht op het bereiken van dit percentage.
Verder is het voornemen genoemd om de procedure voor een lidstaat om een beroep te
doen op artikel 8.3 (lidstaten die zelf al regelgeving hebben ingevoerd) zo licht
mogelijk te laten zijn. Doet een lidstaat een beroep op dit artikel, dan geeft de
lidstaat daarmee aan te verwachten dat een percentage van 40% in 2020 (2018) wordt
bereikt.
In de bijeenkomsten kwam ook naar voren dat gelet op de praktijk van het benoemen
door aandeelhouders en werknemersvertegenwoordigers het opstellen van regelgeving
(sancties) een ingewikkelde zaak is.
Het plan om het voorstel ook in de Raadswerkgroep over vennootschapsrecht aan de orde
te stellen is niet overgenomen.
Belangrijke inhoudelijke aanpassingen zoals bijvoorbeeld de hoogte van het streefcijfer
zijn tot nu toe niet aan de orde geweest. Ook zijn nog veel vragen over de overwegingen,
het voorstel, de impact assessment analyse en de rechtsgrondslag niet beantwoord.
Nederland heeft duidelijk aangegeven tegen het voorstel te zijn en voorstander te
zijn van een nationale aanpak in de lidstaten. Geen richtlijn, hooguit een aanbeveling.
Een grote groep lidstaten heeft verklaard tegen het voorstel te zijn waardoor een
blokkerende minderheid ontstaan is. Een kleine groep lidstaten lijkt het voorstel
van de Commissie te steunen met een aantal kanttekeningen.
Europees Parlement
De opinie van de Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (EMPL) en van de Commissie
Economische en Monetaire Zaken (ECON) van het Europees Parlement zal worden aangeboden
aan de combinatie Commissie Juridische Zaken (JURI) en Vrouwenrechten (FEMM). Deze
twee Commissies zullen het uiteindelijke rapport samen naar de plenaire vergadering
sturen voor goedkeuring. Het Europees Parlement zal pas in november plenair stemmen.
Op dit moment is de standpuntbepaling van het Europees Parlement nog onduidelijk.
Vervolg
Het EU-voorstel: Richtlijn Verbeteren gendergelijkheid in besturen van beursgenoteerde
bedrijven staat onder voorbehoud op de agenda van de aanstaande Europese Raad voor
Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Gezondheid en Consumentenzaken (EPSCO Raad) op 20 juni
in Luxemburg.
Gelet op de voortgang en het krachtenveld is de verwachting dat óf het onderwerp niet
op de definitieve agenda komt te staan óf slechts een voortgangsnotitie besproken
zal worden. Daarna zal het voorstel onder het voorzitterschap van Litouwen verder
besproken worden.
Inzet van Nederland voor komende periode is om zoveel mogelijk aansluiting te houden
bij de blokkerende minderheid. Het is waarschijnlijk dat voorlopig besluitvorming
door de lidstaten over dit voorstel zal uitblijven. Zodra daadwerkelijke besluitvorming
in zicht is, zal ik u zo spoedig mogelijk informeren en de Nederlandse inzet aan de
orde stellen.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker