Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333480-V nr. 3

33 480 V Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2012 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota)

Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 18 december 2012

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken , belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden. Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Eijsink

De griffier van de commissie, Van Toor

Vraag 1

Kunt u aangeven wat er met het geld gaat gebeuren dat over is van de begroting van 2012?

Antwoord 1

Budget binnen de HGIS dat in 2012 niet is uitgegeven kan via de eindejaarsmarge tot een maximum van in totaal EUR 181,5 miljoen (voor de hele HGIS) worden meegenomen naar 2013, 2014 en 2015, onder voorwaarde dat bij Voorjaarsnota 2013 wordt besloten de eindejaarsmarges toe te voegen aan de begroting. Veelal gaat het niet om geld dat over is, maar om budget dat gebruikt wordt voor verplichtingen die naar latere jaren zijn doorgeschoven.

Vraag 2

Kunt u het exacte percentage geven dat in 2012 wordt uitgegeven aan ontwikkelingshulp?

Antwoord 2

De verwachting is nog steeds dat in 2012 een ODA-prestatie van 0,7% wordt gerealiseerd. De Kamer zal via de zgn. Decemberbrief binnenkort worden geïnformeerd over evt. beleidsmatige mutaties ten opzichte van de Najaarsnota. Het budgettaire beeld in de Decemberbrief kan nog wijzigen als gevolg van (beleidsarme) mee- en tegenvallers, die in de Slotwet zullen worden verwerkt.

Vraag 3

Kunt u met betrekking tot artikel 2.5 aangeven waardoor het programma Education in Emergencies vertraging heeft opgelopen en wat de gevolgen hiervan zijn? Verwacht u dat de planning verdere vertraging zal oplopen?

Antwoord 3

De vertraging betreft het Peacebuilding, Education and Advocacy in Conflict-Affected Contexts programma dat per 1 december 2011 als opvolger van het programma Education in Emergencies van start is gegaan. De vertraging bij de start van dit programma was deels administratief van aard (aanstelling nieuwe staf en opzetten van monitoring systemen door UNICEF), deels het gevolg van een vernieuwde aanpak.

Het nieuwe programma is namelijk meer dan het vorige gericht op onderwijs ter ondersteuning van vredesopbouw, en gaat daarbij uit van conflictanalyses in de betrokken landen. Deze conflictanalyses kostten UNICEF meer tijd dan oorspronkelijk gedacht, onder meer door de brede participatie van jongeren en vrouwen. De analyses hebben inmiddels een goede basis gelegd voor de verdere uitvoering van het programma. Het is dan ook niet de verwachting dat de planning verdere vertraging zal oplopen.

Vraag 4

Kunt u met betrekking tot artikel 2.6 aangeven waarom er een verhoging van het budget voor noodhulp is geweest voor Zuid-Soedan en de Palestijnse gebieden? Waarom gaan deze bedragen niet van het budget voor bilaterale relaties met deze landen af?

Antwoord 4

Zuid-Soedan

Er was sprake van een verslechtering van de humanitaire situatie door voedseltekorten door o.a. beperkingen van de olieproductie en een toename van vluchtelingen uit voornamelijk de grensgebieden (ruim 187 000 in 2012). Ook keerden ruim 132 000 Zuid-Soedanese vluchtelingen terug en was er sprake van een uitbraak van het hepatitis E virus.

Als gevolg van de onderuitputting op het wederopbouwprogramma in Zuid-Soedan werd besloten om een groot deel van de onderuitputting in te zetten voor noodhulp.

Palestijnse gebieden

Door de Gaza-crisis in november jl. kwamen ruim 100 burgers om en raakten 13 000 mensen gewond, terwijl tevens 3 000 mensen ontheemd werden. Hierdoor ontstond dringend behoefte aan medische behandelingen en aan medische en basisgoederen.

De bijdragen aan UNRWA en het Rode Kruis voor de Gaza kennen een humanitair karakter. Om die reden is besloten het budget voor humanitaire hulp te verhogen en die verhoging niet in mindering te brengen op het reguliere ontwikkelingssamenwerkingsbudget.

Vraag 5

Kunt u met betrekking tot artikel 4.3 aangeven wat de oorzaak is van de vertraging in de uitvoeringsfase vanwege lokale aanbestedingstrajecten. Heeft u zicht op wat de huidige stand van zaken is?

Vraag 10

Kunt u met betrekking tot artikel 4.3 aangeven hoe het komt dat het ORIO-project langzamer loopt dan verwacht? Wordt u op de hoogte gehouden van de vorderingen die er wel zijn?

Vraag 23

Waarom loopt de ontwikkelfase van ORIO-projecten langzamer dan verwacht?

Vraag 24

Op welke manier vertragen lokale aanbestedingstrajecten in de uitvoeringsfase? En om welke lokale aanbestedingstrajecten gaat het? Kunt u hiervan een overzicht geven met de te verwachten opgelopen vertraging per aanbestedingstraject?

Vraag 36

Wordt er structureel te ruim begroot voor het ORIO-programma?

Antwoord 5, 10, 23, 24, 36

Sinds de start van het ORIO-programma in 2009 is gebleken dat de doorlooptijden van de ontwikkelingsfase en de aanbestedingen in de daaropvolgende implementatiefase langer zijn dan aanvankelijk gedacht.

Ontvangende landen en betrokken partijen hebben moeten wennen aan de ORIO-procedures met betrekking tot de ontwikkelingsfase van de infrastructuurprojecten. Deze fase in het ORIO-programma is nieuw ten opzichte van ORIO-voorloper ORET. Nu de betrokken partijen de regels beter kennen, lopen de doorlooptijden van de ontwikkelingsfase terug. Ook de recent doorgevoerde wijziging van de ORIO-beleidsregels heeft tot doel de faciliteit te vereenvoudigen en de doorlooptijden verder te verkorten.

Het blijkt dat bij de start van de implementatiefase, die volgt op de ontwikkelingsfase, de capaciteit bij de ontvangende landen vaak onvoldoende is om de aanbesteding van het uitvoeringscontract goed vorm te geven. Dat heeft bij de eerste projecten geleid tot vertraging in de uitvoering. Daarnaast blijkt in de praktijk dat het volledig doorlopen van het aanbestedingsproces langer duurt dan verwacht. Naast toezicht op de goede naleving van de procedures, biedt AgentschapNL nu dan ook financiële ondersteuning voor technische assistentie op het gebied van de voorbereiding van goede aanbestedingsdocumenten.

De huidige onderuitputting binnen het ORIO-programma betekent niet dat er structureel te ruim wordt begroot. Er is gelet op bovenstaande eerder sprake van een verschuiving in de tijd, waarbij gebudgetteerde uitgaven later dan gepland plaats hebben. Daar komt bij dat in de ca. 60 projecten die tot nu toe zijn geselecteerd, de kosten als gevolg van de ontwikkelingsfase eerder stijgen dan dat ze dalen. Deze verschillen worden opgevangen binnen het budget dat hiervoor jaarlijks beschikbaar is.

Sinds de start van het ORIO-programma in 2009 zijn er in totaal zo'n 60 projecten geselecteerd. ORIO-uitvoerder AgentschapNL houdt de voortgang van alle projecten – van inkomend voorstel tot de projecten in uitvoering – nauwkeurig bij. Actuele informatie over de geselecteerde projecten wordt bovendien bijgehouden op www.orio.nl onder «projects». Het overgrote deel van de geselecteerde projecten bevindt zich op dit moment in de ontwikkelingsfase. Elf van de projecten bevinden zich in de implementatiefase. In één van die elf projecten is de aanbesteding net afgerond en is het wachten op de ondertekening van het commerciële contract tussen de opdrachtgever en de gekozen (Nederlandse) uitvoerder.

Vraag 6

Kunt u met betrekking tot de HGIS aangeven hoe het komt dat de BNP-raming EUR 9,2 miljoen hoger is uitgevallen en waarom deze niet vanaf het begin af aan goed is ingeschat?

Antwoord 6

De omvang van het ODA-deel binnen de HGIS wordt bij Voorjaarsnota gebaseerd op de BNP-raming in het Centraal Economisch Plan van het CPB. Voor de Najaarsnota (en dus de tweede suppletore begroting) geldt echter de BNP-raming uit de Macro-Economische Verkenningen van het CPB als uitgangspunt.

Vraag 7

Kunt u met betrekking tot artikel 1.1 aangeven wat de reden is dat het Capital Masterplan van de VN niet in 2012 maar in 2013 wordt verwacht?

Vraag 15

Kunt u aangeven of de contributie voor het Capital Masterplan voor 2013 is begroot.

Antwoord 7 en 15

In 2012 heeft de VN geen betaalverzoek voor een verplichte bijdrage aan het Capital Masterplan ingediend omdat de VN nog over voldoende financiële middelen beschikte om de activiteiten van het Capital Masterplan te kunnen voortzetten. Hier was EUR 6,4 mln voor geraamd, op basis van de informatie die destijds beschikbaar was. In de begroting 2013 is voor het Capital Masterplan onder artikel 1.1 voorlopig een raming van EUR 2,1 mln opgenomen. Of er ook daadwerkelijk in 2013 een betaalverzoek voor een verplichte bijdrage voor het Capital Master Plan zal worden ingediend is afhankelijk van de resultaten van onderhandelingen in de Algemene Vergadering van de VN die op dit moment hierover in New York plaatsvinden.

Vraag 8

Kunt u met betrekking tot artikel 3.1 aangeven of de afdracht van Nederland aan de Europese Unie blijvend is verlaagd of dat dit incidenteel voor 2012 is geweest?

Antwoord 8

De afdrachten worden jaarlijks aangepast aan nieuwe macro-economische cijfers over de bni- en btw-ontwikkeling, de daadwerkelijk geïnde douanerechten en de verwachte omvang van de EU-begroting. Hierdoor zijn de afdrachten niet voor ieder jaar van te voren nauwkeurig te voorspellen. De verlaging in 2012 betekent dus geen structurele verlaging van de afdrachten. Alleen de verlaging van de te innen en af te dragen landbouwheffingen met 50 miljoen euro is structureel van aard, omdat de realisatiecijfers op dit onderdeel van de douanerechten reeds enkele jaren achtereen achterbleven bij de raming.

Vraag 9

Kunt u met betrekking tot artikel 4.1 aangeven of het bedrag dat voor Global Agriculture and Food Security Program (GAFSP) gereserveerd is in de toekomst nog nodig is door de versnelling hiervan en welke consequenties dit heeft voor de begroting van 2013 en verder?

Antwoord 9

Oorspronkelijk was voor de periode 2012–2015 een jaarlijkse bijdrage van EUR 25 mln geraamd. Omdat andere donorbijdragen achterbleven heeft Nederland haar bijdrage in 2012 verhoogd. Gevolg is dat de bijdragen in de jaren daarna lager zullen zijn (en die van andere donoren hoger) dan eerder voorzien.

De nieuwe raming van de Nederlandse bijdrage is als volgt:

2012: EUR 53,5 mln.

2013: EUR 10,0 mln.

2014: EUR 15,0 mln.

2015: EUR 12,0 mln.

2016: EUR 9,5 mln.

Vraag 11

Kunt u met betrekking tot artikel 5.4 aangeven hoe het oude en het nieuwe betaalschema voor de GAVI er uit ziet?

Antwoord 11

Uitgaven GAVI

 

2011

2012

2013

2014

2015

oud

9

11

30

30

40

nieuw

20

11

30

30

29

Als gevolg van een wijziging in de liquiditeitsbehoefte is het betaalschema aangepast.

Vraag 12

Waaruit bestaan de verhoging noodhulp aan Zuid-Soedan, Syrië en de Palestijnse gebieden? En kunt u deze uitsplitsen per land?

Antwoord 12

Zuid-Soedan:

De verhoging betreft een bijdrage van 8 miljoen euro aan het Common Humanitarian Fund (CHF) voor Zuid-Soedan. Via dit fonds dat wordt ingezet voor het Workplan en het Consolidated Appeal Process (CAP) voor Zuid-Soedan wordt gemeenschappelijke, gecoördineerde humanitaire respons door alle betrokken hulpverlenende instanties bevorderd.

Syrië

De extra bijdrage aan UNHCR van 10 miljoen wordt grotendeels aangewend om de meest kwetsbare Syrische vluchtelingen in de buurlanden voor te bereiden op het invallen van de winter. Het aantal vluchtelingen stijgt nog steeds dagelijks met enkele duizenden en hun aantal bedraagt inmiddels bijna 0,5 miljoen.

Palestijnse gebieden

Dit betreft een bijdrage aan Palestijnse Rode Halvemaan via het Nederlandse Rode Kruis van 1 miljoen euro voor urgente en soms levensreddende medische behandeling van gewonden en voor basisgoederen zoals matrassen en dekens, voor de bevolking van Gaza die getroffen is door de Gaza-crisis in november jl. Daarnaast is het General Fund UNWRA, dat zich onder meer in Gaza inzet voor de leniging van humanitaire noden van geregistreerde Palestijnse vluchtelingen, met 2 miljoen opgehoogd.

Vraag 13

Hoe groot is de bijdrage aan conditionele hulp in gebieden waar mensenrechtenschendingen plaatsvinden? Hoe verklaart u deze verlaging?

Vraag 19

Waar bestaat het andere deel uit van de lagere afroep van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)?

Vraag 22

Kunt u aangeven welke gebieden minder geld ontvangen van het EOF als gevolg van mensenrechtenschendingen?

Antwoord 13, 19, 22

In juli 2012 deed de Commissie een lagere betaalafroep aan de lidstaten m.b.t. het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) dan oorspronkelijk was gebudgetteerd. Dit had verschillende oorzaken.

Allereerst bepaalt artikel 96 van het Verdrag van Cotonou (waar het EOF onder valt) dat hulp aan een land wordt opgeschort indien de «essentiële principes» (mensenrechten, democratische principes en de rechtsstaat) van het verdrag worden geschonden. In 2011 was op Zimbabwe, Guinee Bissau, Madagaskar, Fiji en Niger een artikel 96 procedure van toepassing, waardoor er geen directe EU hulp werd gegeven aan de overheden van deze landen.

Ten tweede heeft de Commissie geen of slechts gedeeltelijk begrotingssteun uitbetaald aan ACS-landen (Afrika, Caribisch gebied, Stille Oceaan) die niet voldeden aan de hiervoor gestelde toekenningsvoorwaarden en/of prestatie-indicatoren. In de toekenningsvoorwaarden worden macro-economisch factoren en goed beheer van publieke middelen meegenomen. Het ging hierbij om de volgende landen: Anguilla, Aruba, Benin, Burkina Faso, Burundi, C.A.R., Comoren, Dominicaanse Republiek, Ethiopië, Guyana, Haïti, Jamaica, Kenia, Lesotho, Liberia, Malawi, Mali, Montserrat, Mozambique, Namibië, New Caledonia, Pitcairns eilanden, Rwanda, Saint Helena, Saint Pierre en Miquelon, Senegal, Sierra Leone, Uganda, Vanuatu en Zambia.

Ten derde kende de Commissie een lagere uitgave ten aanzien van steun aan infrastructurele projecten vanwege de annulering van enkele tenders. Dit betrof: de Afrikaanse Unie, Burkina Faso, DRC, Madagaskar, MULTI, Niger, Sierra Leone, Uganda en Zambia.

Vraag 14

Kan worden uitgesplitst welk gedeelte van de lagere afdracht komt door aanpassing van macro-economische cijfers, invoerrechten en welk deel vrijkomt door de getroffen voorziening?

Vraag 21

Kunt u het bedrag van 749,7 miljoen euro nader specificeren?

Vraag 43

Kunt u de meevaller van 749,7 miljoen euro op artikel 3.1 nader specificeren en toelichten hoe dit bedrag zich verhoudt tot de neerwaartse bijstelling van de EU-afdrachten van 400 miljoen euro?

Antwoord 14, 21, 43

Van de 749,7 miljoen euro meevaller op artikel 3.1 komt 193 miljoen euro voort uit nieuwe macro-economische groeicijfers, 70 miljoen euro uit het surplus op de EU-begroting 2011, 50 miljoen euro uit een negatieve bijstelling van de te innen en af te dragen landbouwheffingen, 268 miljoen euro door het vrijvallen van de reserve die was genomen ter dekking van de additionele rekening voor de EU-begroting 2012, 107 miljoen euro vanwege statistische correcties op de bni- en btw-grondslagen in de jaren 1995–2012 en 62 miljoen door een negatieve bijstelling van de te innen en af te dragen douanerechten.

Vraag 16

Kunt u toelichten waardoor er een vertraging is in het programma Education in Emergencies en waarom er teruggaven zijn op landenprogramma's voor wederopbouw?

Antwoord 16

De vertraging betreft het Peacebuilding, Education and Advocacy in Conflict-Affected Contexts programma dat per 1 december 2011 als opvolger van het programma Education in Emergencies van start is gegaan. De vertraging bij de start van dit programma was deels administratief van aard (aanstelling nieuwe staf en opzetten van monitoring systemen door UNICEF), deels het gevolg van een vernieuwde aanpak.

Het nieuwe programma is namelijk meer dan het vorige gericht op onderwijs ter ondersteuning van vredesopbouw, en gaat daarbij uit van conflictanalyses in de betrokken landen. Deze conflictanalyses kostten UNICEF meer tijd dan oorspronkelijk gedacht, onder meer door de brede participatie van jongeren en vrouwen. De analyses hebben inmiddels een goede basis gelegd voor de verdere uitvoering van het programma.

De onderuitputting op het wederopbouwprogramma in Zuid-Soedan (EUR 11 mln) wordt veroorzaakt door de verslechterde veiligheidssituatie in het land. Om die reden is besloten om een groot deel (EUR 8 mln) van de onderuitputting in te zetten voor noodhulp. Ook in Soedan is de veiligheidssituatie verslechterd, waardoor enige activiteiten voortijdig zijn stopgezet voor een bedrag van EUR 4 mln. Het wederopbouwprogramma Afghanistan kent een onderuitputting van EUR 8,9 mln vanwege een beperkte absorptiecapaciteit van de Afghaanse overheid. Daarnaast is er een vertraging in de formulering van een aantal nationale programma’s. Naar het zich laat aanzien zal de Afghaanse overheid de resterende nationale programma's op korte termijn wel indienen bij de Joint Coordination and Monitoring Board. Ook ten aanzien van het bilaterale landbouwonderwijsprogramma geldt dat dit enige vertraging heeft opgelopen.

Vraag 17

Sinds wanneer bestaat het Transitional Solutions Initiative en sinds wanneer draagt Nederland daaraan bij en hoeveel?

Antwoord 17

Het Transitional Solutions Initiative (TSI) is in 2011 door UNHCR en UNDP opgericht om de hulpafhankelijkheid van langdurig ontheemde bevolkingsgroepen te verminderen en te komen tot meer duurzame, structurele oplossingen in de regio. Het initiatief wil transitie van humanitaire hulp naar ontwikkeling mogelijk maken door partnerschappen op te richten tussen humanitaire- en ontwikkelingsorganisaties.

In 2011 zijn in het kader van TSI drie pilotprojecten uitgewerkt; in Oost-Soedan, Colombia en Nepal. Nederland zal in 2013 met een bedrag van € 2,5 miljoen gaan bijdragen aan de pilot in Oost-Soedan. Tevens is Nederland van plan in februari 2013 een Round Table te organiseren over TSI met humanitaire hulp organisaties, ontwikkelingsorganisaties, academici, donoren, en vertegenwoordigers van een aantal landen met een langdurige vluchtelingenproblematiek. Doel van de Round Table is het TSI concept verder te ontwikkelen en (mogelijke) problemen bij de uitvoering van programma’s te adresseren.

Vraag 18

Via welke kanalen wordt de verhoging op artikel 2.6 verdeeld? Gaat dit geld naar de UNHCR? Is dit budget geoormerkt of ongeoormerkt?

Antwoord 18

Art. 2.6 is totaal opgehoogd met 28,5 miljoen euro. Dit betreft 2 miljoen euro aan het General Fund van UNRWA en 26,5 miljoen voor humanitaire hulpactiviteiten.

De humanitaire hulp betreft:

  • Hulp aan Syrische vluchtelingen in de buurlanden via UNHCR (10 miljoen euro; brief DSH-437/2012 aan de Tweede Kamer);

  • Hulp aan de meest kwetsbaren in Zuid-Soedan via het Common Humanitarian Fund van de VN-Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (8 miljoen euro);

  • Hulp aan Malinese ontheemden en vluchtelingen via UNHCR (2 miljoen euro);

  • Hulp aan door het recente gewapende conflict getroffen bevolking van Gaza via het Nederlandse Rode Kruis/Palestijnse Halve Rode Maan (1 miljoen euro);

  • Hulp aan slachtoffers van de orkaan Sandy in het Caraibisch gebied via het Nederlandse Rode Kruis (0,5 miljoen);

  • Hulp ter bevordering van de voedselzekerheid in Niger via WFP (5 miljoen).

Van de verhoging van 28,5 miljoen is dus 12 miljoen via UNHCR gekanaliseerd.

Het betreft hier in alle gevallen ongeoormerkte bijdragen aan noodhulpverzoeken van genoemde organisaties.

Vraag 20

Kunt u een toelichting geven op het MASSIF+ (Micro and Small Enterprise Fund plus) programma? Door wie wordt dit uitgevoerd en in welke landen? Wat is het totale budget?

Antwoord 20

MASSIF+ betreft een aanvulling op het eerder opgezette revolverend financiële sector fonds MASSIF dat wordt beheerd door FMO. De MASSIF+ aanvulling bedraagt EUR 80 mln over 4 jaar. MASSIF financiert en versterkt financiële instellingen in ontwikkelingslanden die micro, klein en middenbedrijf (MKB) bedienen. De MASSIF+ ophoging is specifiek bestemd voor de (indirecte) financiering van micro- en MKB-bedrijven actief in de landbouw-/voedselketen en in rurale gebieden. MASSIF en MASSIF+ kunnen financieringen verstrekken in de 60 landen waarvoor het bedrijfsleveninstrumentarium open staat.

Vraag 25

Hoe komt het dat het aantal gestarte projecten in het Private Sector Investeringsprogramma (PSI) lager is dan verwacht? En liggen hier structurele of incidentele oorzaken aan ten grondslag?

Vraag 28

Vanwege welke redenen, per land aangegeven, is het aantal gestarte projecten binnen het programma PSI lager dan aanvankelijk begroot?

Vraag 29

Hoe groot is de teruggave en/of onderbesteding als gevolg van het lagere aantal gestarte projecten binnen het programma PSI dan begroot, uitgesplitst per land en in euro’s?

Vraag 50

Welke conclusie trekt u uit de neerwaartse bijstelling op PSI?

Antwoord 25, 28, 29 en 50

Er is geen sprake van een vermindering van PSI- projecten en bestedingen. Er is weliswaar sprake van een onderuitputting van het in 2012 beschikbare budget, maar er was dan ook EUR 20 mln meer begroot dan in 2011. De extra financiële ruimte van 20 mln werd niet helemaal benut omdat de verwachte toename aan projecten in 10 landen die in 2012 voor het eerst werden toegevoegd aan de PSI-landenlijst, langzamer op gang kwam dan verwacht. Die vertraging komt door de langere tijd die benodigd is voor het opzetten van joint venture partnerships. Bij volgende uitbreidingen van het PSI-programma zal bij de budgettering rekening moeten worden gehouden met de opstarttijd van PSI-projecten. Uiteindelijk zijn in 2012 meer projecten opgestart dan in 2011 (15 meer) en is ook een hoger bedrag gecommitteerd voor nieuwe projecten (ruim EUR 12 mln).

Vraag 26

Is de onderuitputting van 37 miljoen euro bij Buitenlandse Zaken voor rekening van de posten het gevolg van bezuinigingsmaatregelen en zo ja welke? Kunt u dit per post uitsplitsen?

Antwoord 26

De onderuitputting is het gevolg van een combinatie van factoren: zowel op het departement en de posten, op de centrale en gedelegeerde budgetten, en op programma’s en apparaat. In het saldo is bijvoorbeeld een meevaller meegenomen door lagere bezetting van uitgezonden personeel en lagere kosten van lokaal personeel op de posten, samenhangend met de bezuinigingsmaatregelen, zoals de afname van het aantal beleids-en beheersmedewerkers. Ook is er sprake van een vertraging in de uitrol van de informatiesystemen (posten en departement). Op programma’s is er sprake van een saldo. Belangrijkste vertraging komt omdat Nederland dit jaar niet is aangeslagen om contributie te betalen aan het VN Capital Master Plan.

Vraag 27

Wat zijn de redenen, per post, voor teruggaven op het ondernemingsklimaatprogramma op de posten?

Antwoord 27

De lagere uitgaven op artikel 4.3 Private Sectorontwikkeling is voor het grootste deel toe te schrijven aan achterblijvende uitgaven op centrale programma’s als ORIO. Uitgaven op de posten verlopen grotendeels volgens planning, met enkele afwijkingen die te maken hebben met lokale uitvoeringscapaciteit. In de saldering op dit artikel vormen de teruggaven op de posten slechts een klein percentage.

Vraag 30

Kunt u toelichten aan welke missies minder wordt uitgegeven en wat het vrijgeven van het saldo op de voorziening voor crisisbeheersingsoperaties voor gevolgen heeft voor de Nederlandse paraatheid en inzet bij toekomstige crisisbeheersingsoperaties?

Antwoord 30

De onderrealisatie komt doordat het niet nodig was het volledige bedrag van de voorziening toe te wijzen aan de geplande missies. Daarnaast hebben enkele missies geleid tot lagere uitgaven dan geraamd. Het gaat hierbij met name om de Geïntegreerde Politie Missie Afghanistan (GPM), de ISAF Redeployment (RDTF) en de nationale bijdrage aan ISAF-staven (NBI). Het vrijgeven van het saldo heeft geen gevolgen voor de Nederlandse paraatheid.

Vraag 31

Kunt u het verschil tussen de genoemde HGIS-uitgaven (Stand Miljoenennota 2013) in de HGIS-nota en de Verticale Toelichting bij de Najaarsnota verder toelichten?

Antwoord 31

Het verschil tussen de HGIS-uitgaven (Stand Miljoenennota 2013) in de HGIS-nota (EUR 5 867,6 mln) en de Verticale Toelichting bij de Najaarsnota (EUR 5 096,9 bestaat uit de toerekeningen (EU-begroting, EKI-kwijtschelding, Opvang Eerstejaars Asielzoekers), die wel in de HGIS-nota staan, maar niet in de Verticale Toelichting bij de Najaarsnota.

Vraag 32

Hoe verklaart u het kasoverschot op het CO2-reductieprogramma Joint Implementation?

Vraag 33

Waarom was er in 2011 sprake van een onderuitputting van 19,3 miljoen euro op dit programmabudget en in 2010 van een onderuitputting van 30,1 miljoen euro?

Vraag 34

Wordt er structureel te ruim begroot voor het programma Joint Implementation? Zo ja, waarom?

Antwoord 32, 33, 34

De afwikkeling van projecten die zijn uitgevoerd in het kader van het CO2-reductieprogramma Joint Implementation verloopt soms trager dan eerder werd aangenomen, waardoor verplichtingen doorschuiven naar latere jaren. Daarnaast vervallen er projecten en/of vallen projecten goedkoper uit. Er wordt niet structureel te veel begroot maar het blijkt in de praktijk moeilijk te zijn een juiste inschatting te maken van het aantal projecten dat doorgang vindt, van de feitelijke kosten en van het moment van afrekening van een project.

Vraag 35

Kunt u een toelichting geven op de intensivering van het IFC Global Trade Liquidity Program? Hoeveel bedraagt de intensivering en waarom wordt er geïntensiveerd? Wat doet dit programma precies en sinds wanneer draagt Nederland hieraan bij?

Antwoord 35

Er is overgegaan tot intensivering van IFC/GTLP vanwege het voortdurende tekort aan financieringsmogelijkheden voor handelstransacties, waar met name het exporterende midden- en kleinbedrijf in ontwikkelingslanden de dupe van dreigt te worden. De intensivering bedraagt 50 miljoen euro boven de bestaande bijdrage van 34 miljoen euro. Nederland draagt sinds 2009 bij aan GTLP.

GTLP betreft een revolverende constructie waaraan drie partijen bijdragen. IFC leent de donor- en een eigen IFC bijdrage uit aan grote internationale banken. Deze banken vullen het bedrag verder aan wanneer ze het uitlenen aan kleinere banken. Deze kleinere banken verstrekken in verschillende landen uiteindelijk het handelskrediet. Het gaat hierbij om leningen die terugvloeien na een succesvolle handelstransactie. De donor/IFC bijdrage aan deze internationale banken omvat maximaal 40% van het uiteindelijke handelskrediet. De overige 60% komt van de deelnemende internationale banken zelf. Het is dus ook de bedoeling dat de door Nederland verstrekte bijdrage weer teruggeven wordt aan Nederland, dit zal uiterlijk in juni 2016 geschieden.

Vraag 37

Kunt u toelichten hoe het kan dat -ondanks de economische krimp van 0,5% in 2012- het ODA-deel binnen de HGIS toch toeneemt?

Antwoord 37

Het ODA-deel binnen de HGIS stijgt met EUR 9,2 mln, met name als gevolg van een wijziging in de BNP-raming (EUR 8,8 mln). Bij Voorjaarsnota werd de ODA-begroting in 2012 met EUR 98,1 mln verlaagd als gevolg van een tegenvallende BNP-raming in het Centraal Economische Plan. In de Macro Economische Verkenningen, die de basis vormen voor de ODA-begroting in de Najaarsnota, werd de BNP-raming door het CPB iets naar boven bijgesteld.

Vraag 38

Wat is de oorzaak of zijn de oorzaken van de forse neerwaartse bijstelling onder artikel 1.1 «Een goed functionerende internationale rechtsorde»?

Antwoord 38

Zie het antwoord op vraag 7.

Vraag 39

Wat is de oorzaak of zijn de oorzaken van de neerwaartse bijstelling bij artikel 1.2 «Bescherming van de rechten van de mens»?

Antwoord 39

De neerwaartse bijstelling van EUR 346 000 op het budget van EUR 48,6 mln wordt voornamelijk veroorzaakt door de lagere contributie aan de ILO vanwege een lagere koers van de dollar.

Vraag 40

Kunt u een toelichting geven op de tegenvaller op artikel 2.1 inzake «Goede internationale samenwerking ter bevordering van de nationale en bondgenootschappelijke veiligheid»?

Antwoord 40

De stijging met EUR 0,7 mln ten opzichte van het budget van EUR 15,3 mln wordt veroorzaakt door een nabetaling van de contributie 2011 aan de NAVO.

Vraag 41

Kunt u de verlaging van 43,7 miljoen euro op artikel 2.5 nader toelichten, en daarbij de verhogingen en verlagingen van de programma’s specificeren?

Antwoord 41

De verlaging van EUR 43,7 mln is een saldo van verlagingen en verhogingen. Het gaat om de volgende verlagingen:

  • Education in Emergencies (EUR 13 mln), voor nadere toelichting zie antwoord op vraag 3.

  • Landenprogramma’s wederopbouw (EUR 28 mln), voor nadere toelichting zie antwoord op vraag 16.

  • Onderuitputting op het goed bestuurprogramma’s (EUR 12,2 mln), waaronder het programma in Suriname (EUR 3 mln), waar de onderuitputting wordt veroorzaakt door het opschorten van de verdragsmiddelen. De onderuitputting in Bolivia (EUR 1,8 mln) wordt veroorzaakt door de lagere koers van de dollar. De onderuitputting in Mozambique (EUR 1,4 mln) wordt veroorzaakt door vertraging in de opstart van de nieuwe activiteit Instituto Nacional de Acção Social (INAS).

Daarnaast zijn er ook verhogingen:

  • Transitional Solutions Initiative (EUR 2,5 mln), voor nadere toelichting zie antwoord op vraag 17.

  • Betaling van de tweede tranche van de tender ontmijning (EUR 7 mln).

Vraag 42

Wat is de achtergrond van de teruggave op het landenprogramma goed bestuur voor Suriname op artikel 2.5? Is hier een relatie met de aanname van de amnestiewet door het Surinaamse parlement?

Antwoord 42

De teruggave op het landenprogramma goed bestuur voor Suriname is een gevolg van het besluit tot opschorting van de Verdragsmiddelen. Door dit besluit worden onder de Verdragsmiddelen geen nieuwe verplichtingen meer aangegaan met de Surinaamse regering, noch betalingen gedaan. Het besluit werd genomen naar aanleiding van de aanvaarding van de wijziging van de amnestiewet door het Surinaamse parlement.

Activiteiten die niet met de Surinaamse regering worden ontwikkeld blijven doorgang vinden.

Vraag 44

Als er alsnog een akkoord bereikt wordt over de additionele rekening voor de EU-begroting 2012, waarvoor de dekking toch (deels) bij de lidstaten wordt gezocht en niet alleen in herschikking, waar Nederland nu op inzet, heeft u daar dan nog middelen voor beschikbaar, nu de voorziening die bij de Miljoenennota was genomen, vrij is komen te vallen?

Antwoord 44

Inmiddels is alsnog overeenstemming bereikt over een additionele rekening voor de EU-begroting 2012. De extra afdrachten die hiermee samenhangen zullen ten laste gaan van het uitgavenkader en EMU-saldo voor 2012. Over het effect op de Nederlandse afdrachten zult u met een Nota van Wijziging bij de 2e suppletore begroting worden geïnformeerd.

Vraag 45

Kunt u de terugstorting van 100 miljoen euro als gevolg van correcties op de btw- en bni-grondslagen over de jaren 1995–2011 verder toelichten?

Antwoord 45

De Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie zijn o.a. gebaseerd op het Nederlandse aandeel in het Europese bni en de btw-opbrengsten. Voor de bepaling van dit deel van de Nederlandse afdrachten wordt aangesloten bij ramingen van de Europese Commissie voor wat betreft de bni- en btw-ontwikkeling. Eurostat stelt na afloop van het begrotingsjaar de werkelijke bni- en btw-ontwikkeling vast. Een eventuele afwijking wordt achteraf verrekend. Omdat Eurostat nog jaren na afloop van het begrotingsjaar correcties kan toepassen op de bni- en btw-grondslagen, vindt ieder jaar in december een verrekening plaats op basis van de dan meest recente cijfers.

Vraag 46

Om welke reden en met welk doel zijn de uitgaven op het gebied van voedselzekerheid verhoogd? Kunt u dit uitsplitsen per organisatie/programma?

Antwoord 46

Verhoging van de uitgaven op voedselzekerheid is als volgt opgebouwd:

GAFSP: + EUR 28,5 mln.

MASSIF+: + EUR 20 mln.

CGIAR: + EUR 14 mln.

ASAP: + EUR 20 mln.

Verlagingen: – EUR 26 mln.

Mutatie: EUR 56,5 mln.

Argumenten voor deze mutaties zijn als volgt:

  • GAFSP: zie antwoord op vraag 9.

  • MASSIF+: Deze aanvulling (zie ook antwoord op vraag 20) was aanvankelijk voorzien voor 2013. Omdat FMO al een goede portefeuille met mogelijke interventies had opgebouwd is besloten om in 2012 al te starten met dit programma.

  • CGIAR: De meta-evaluatie van CGIAR gaf aan dat investeringen in internationaal landbouwkundig onderzoek een hoog rendement opleveren. Met een doorgevoerde organisatieversterking is de uitvoeringscapaciteit van CGIAR versterkt en kon worden besloten de bijdrage te verhogen.

  • ASAP: Het Adaptation for Smallholder Agriculture Programme (ASAP) biedt de kans om IFAD investeringen te verduurzamen. Dit programma is ontwikkeld in 2012 en was om die reden niet opgenomen in eerdere ramingen. Door snel op deze beleidsmatig wenselijke mogelijkheid in te spelen is deze budgettaire bijstelling nodig geworden.

Vraag 47

In de toelichting op artikel 4.2 staat dat de «negatieve BNP-aanpassing» deels is verdeeld over andere artikelen. Kunt u aangeven over welke andere artikelen en om welke bedragen het gaat?

Antwoord 47

Bij Voorjaarsnota werd de ODA-begroting 2012 met EUR 98,1 mln verlaagd als gevolg van een tegenvallende BNP-raming. Deze negatieve aanpassing werd verwerkt op artikel 4.2, conform het gebruikelijke parkeerkarakter van dit artikel. Bij Najaarsnota is de positieve BNP-bijstelling van EUR 8,8 mln eveneens op artikel 4.2 verwerkt. Tegelijkertijd is een deel (nl. EUR 35,2 mln) van de genoemde korting van EUR 98,1 mln verdeeld over artikelen met een lagere uitputting ten opzichte van de Voorjaarsnota, zoals artikel 2.5, artikel 3.2 en artikel 4.3. Door deze twee mutaties steeg het saldo op artikel 4.2 met EUR 44,0 mln.

Vraag 48

Is het de bedoeling dat de opschorting van de verdragsmiddelen voor Suriname meerjarig op artikel 4.2 van de begroting verwerkt wordt, totdat de amnestiewet door het Surinaamse parlement wordt ingetrokken? Zo niet, hoe zal de opschorting van deze middelen dan in toekomstige begrotingen worden verwerkt?

Antwoord 48

Ja, zolang Nederland nog een verdrag heeft met Suriname zijn de Verdragsmiddelen terug te vinden op de begroting. Dit is meerjarig terug te vinden op meerdere artikelen waaronder artikel 4.2. Gegeven de opschorting van 2012 is er voor nu gekozen om de Verdragsmiddelen meerjarig met een jaar op te schuiven.

Vraag 49

Kunt u ingaan op de opschorting van de verdragsmiddelen aan Suriname, de rol van de besluitvorming rond de amnestiewet hierin en de manier waarop met deze gelden in de toekomst zal worden omgegaan?

Antwoord 49

Op 4 april nam het Surinaamse parlement een wijziging aan van de Amnestiewet, die effect heeft op de rechtsgang met betrekking tot het proces over de Decembermoorden. In reactie hierop heeft de Nederlandse regering besloten de resterende middelen van ca. € 20 mln onder Verdragsverplichtingen op te schorten. In de praktijk betekent dit dat onder de Verdragsmiddelen geen nieuwe verplichtingen worden aangegaan met de Surinaamse regering en geen betalingen meer worden gedaan onder al aangegane verplichtingen.

Gegeven deze opschorting is ertoe besloten onder de begroting de Verdragsmiddelen meerjarig met een jaar op te schuiven.

Activiteiten die niet met de Surinaamse regering worden ontwikkeld vallen niet onder de opschorting en blijven doorgang vinden.

Vraag 51

Kunt u toelichten waarom er een hogere liquiditeitsbehoefte voor het Health Insurance Fund (HIF) bestaat? Kunt u ook voor het KPF Aidsfonds toelichten waarom er een lagere liquiditeitsbehoefte is?

Antwoord 51

Er was een hogere liquiditeitsbehoefte bij de lokale uitvoerders van het Health Insurance Fund (HIF) waardoor het betalingsschema is aangepast.

De uitvoering van het programma KPF Aidsfonds heeft vertraging opgelopen waardoor het liquiditeitsschema neerwaarts is bijgesteld.

Vraag 52

Waarom, uitgesplitst per land, vallen de uitgaven voor de landenprogramma’s op het gebied van duurzaam waterbeheer lager uit dan geraamd?

Vraag 53

Zijn de lagere uitgaven voor de landenprogramma’s op gebied van duurzaam waterbeheer het gevolg van onderbesteding bij publiek-private samenwerking op het gebied van water? Zo ja, hoeveel is er onderbesteed?

Antwoord 52, 53

De uitgaven voor de landenprogramma’s in Bangladesh, Benin, Indonesië, Jemen en Mozambique vallen in 2012 om de volgende redenen lager uit dan geraamd. Het budget voor het bilaterale programma in Bangladesh is verlaagd omdat het beoordelings- en goedkeuringstraject van twee nieuwe activiteiten langer duurde dan voorzien, waardoor deze activiteiten pas in de tweede helft van 2012 konden worden opgestart. In Benin hebben de lagere uitgaven vooral te maken met het feit dat het nieuwe waterprogramma begin 2013 van start gaat. In Indonesië zijn circa 10 verplichtingen in 2012 afgerond en werden twee nieuwe verplichtingen aangegaan, hetgeen resulteerde in een verlaging van zowel de kasruimte als het verplichtingenbudget. In Jemen werden de lagere uitgaven veroorzaakt door de beperkte bezetting van de post als gevolg van de verslechterde politieke situatie en omdat de ambassade vanwege deze situatie moest zoeken naar nieuwe partners. Tenslotte vallen de uitgaven voor waterbeheer in Mozambique vooral lager uit vanwege het doorschuiven van de opstart van het nieuwe grote nationale drinkwaterprogramma naar 2013.

De lagere uitgaven voor deze bilaterale programma’s waren niet het gevolg van onderbesteding bij publiek-private samenwerking op het gebied van water, maar van vertragingen in de uitvoering van programma’s met lokale en centrale (semi-) overheden.

Vraag 54

Kunt u inzichtelijk maken hoe de verhoging van de verplichtingen in artikel 6 meerjarig doorwerkt?

Antwoord 54

De verhoging van het verplichtingenbudget met EUR 113 095 is een saldo van verschillende mutaties. Nieuwe verplichtingen, zoals het UNICEF programma voor verbeterde water-en sanitaire diensten voor West en Centraal Afrika en voor de eerste ronde van het Fonds Duurzaam Water, worden binnen de bestaande kasbudgetten voor 2013 en volgende jaren gefinancierd. Dit zelfde geldt voor verplichtingen die als gevolg van een langere opstartfase niet meer in 2012 maar in 2013 worden aangegaan.

Vraag 55

Om welke negen landen in West en Centraal Afrika gaat het?

Antwoord 55

Het UNICEF-programma in West en Centraal-Afrika zal worden uitgevoerd in de volgende negen landen: Benin, Centraal Afrikaanse Republiek, Ghana, Guinee, Ivoorkust, Liberia, Mali, Mauritanië en Sierra Leone.

Vraag 56

Kunt u toelichten voor wie c.q. welke bedrijven het Fonds Duurzaam Water bedoeld is en op hoeveel de totale bijdrage in 2012 komt? Hoeveel is de bijdrage gegroeid ten opzichte van de afgelopen jaren?

Antwoord 56

Het Fonds Duurzaam Water stimuleert innovatieve partnerschappen die bestaan uit bedrijven, NGO’s, kennisinstellingen en publieke partijen. Het Fonds is er dus niet alleen voor bedrijven, maar ook voor andere actoren in de watersector. Overige eisen aan de partnerschappen zijn deelname van ten minste één lokale partij uit het doelland en één partij uit Nederland. Deelname van een NGO of kennisinstelling is ook verplicht. In 2012 is de eerste «call for proposals» uitgegaan met een budget van EUR 50 miljoen. Tot dusver zijn er alleen nog maar kosten gemaakt voor de opstart van het Fonds. Vanaf maart 2013 is de selectieprocedure afgerond en zullen programma middelen beschikbaar gesteld worden.

Vraag 57

Wat is de achtergrond van de overheveling van 2,5 miljoen euro naar OCW op artikel 11?

Antwoord 57

De overheveling betreft het BZ deel in de kosten van een cultureel programma in 2016.