33 480 IXA Wijziging van de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2012 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota)

Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 14 december 2012

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden. Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Van Nieuwenhuizen-Wijbenga

De griffier van de commissie, Berck

Vraag 1

Met wat voor een rente was gerekend voor 2010–2012? Hoe verhoudt die zich tot de gerealiseerde rente?

Antwoord op vraag 1

In de begrotingen van 2010, 2011 en 2012 werden voor deze jaren rekenrentes (bron CPB) toegepast van respectievelijk 4%, 3,75% en 3,25% voor lange leningen en 1,5%, 1,5% en 1,25% voor korte leningen. De rekenrentes kunnen in een lopend begrotingsjaar worden aangepast bij de Voorjaarsnota, bij de Miljoenennota en bij de Najaarsnota.

De feitelijke rente die op de uitgegeven leningen betaald is, wijkt af van de rekenrentes. In de jaren 2010 en 2011 bedroeg de rente op lange staatsleningen gemiddeld 2,3% en in 2012 was de rente op de lange leningen gemiddeld gelijk aan 1,4%. De gemiddelde rente op korte leningen bedroeg in 2010 0,4% in 2011 0,8% en in 2012 0%.

Vraag 2

Met wat voor een rente wordt gerekend voor de jaren 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017?

Antwoord op vraag 2

De rekenrenten voor de periode 2013–2017 zijn op dit moment als volgt:

 

2013

2014

2015

2016

2017

Lange rekenrente

2,50%

2,75%

3,00%

3,25%

3,50%

Korte rekenrente

0,25%

0,75%

1,00%

1,50%

2,00%

Vraag 3

Is er, sinds het agentschap ook dollardeals kan sluiten, sprake van een verhoogd risico bij de financiering van de nationale schuld?

Antwoord op vraag 3

Nee, er is geen verhoogd risico bij de financiering van de nationale schuld door de dollardeals. De leningen worden weliswaar uitgegeven in dollars, maar er wordt een valutaswap afgesloten die het koersrisico volledig afdekt. De valutaswap is een ruil tussen ontvangsten in dollars en betalingen in euro’s met een vaste wisselkoers gedurende de gehele looptijd van de swap. Hierbij ontvangt de Staat dollars en betaalt euro’s. De kasstromen zijn exact gelijk aan de rentebetalingen en aflossingen op de dollarleningen. Per saldo betaalt de Staat hierdoor rente en aflossing in euro’s, zonder daarbij een koersrisico te lopen.

Vraag 4

Is het beoogde financieringsvoordeel op dollarlening ook daadwerkelijk behaald? Kunt u dat kwantificeren.

Antwoord op vraag 4

Ja, het beoogde financieringsvoordeel is bij beide dollarleningen ruim behaald. Ten opzichte een vergelijkbare eurolening bedraagt het kostenvoordeel 0,25% voor de 5-jaars lening, wat overeenkomt met 6 miljoen euro per jaar en 0,16% voor de 3-jaars lening, wat overeenkomst met 4,5 miljoen euro per jaar.

Vraag 5

Kan het kastekort nader worden toegelicht?

Vraag 7

Hoe kan het dat het kastekort naar boven wordt bijgesteld met 4,7 miljard euro terwijl het EMU-saldo t.o.v. de Voorjaarsnota 2012 is verbeterd met 0,4%? In hoeverre zijn er uitgaven (bijvoorbeeld m.b.t. de ov-jaarkaart) naar voren gehaald?

Antwoord op vraag 5 en 7

Het kastekort is gelijk aan het feitelijk financieringstekort ofwel het bedrag dat de Staat moet lenen op de geld- en kapitaalmarkt om het tekort te financieren. In tabel 4.1 van bijlage 4 van de Miljoenennota 2013 wordt de opbouw van het EMU-tekort Rijk naar het Financieringstekort Rijk op kasbasis gemaakt. Tussen Miljoenennota 2013 en Najaarsnota 2012 is dit tekort nagenoeg ongewijzigd gebleven.

Financieringsbehoefte Rijk (stand MN 2013, in miljoenen euro)

2012

EMU-tekort Rijk

14 838

Bij: Ktv's en financiële transacties

10 047

Bij: Overbruggingskrediet FBN/ABN

0

Bij: Derdenrekening

0

Financieringstekort Rijk op kasbasis

25 418

Vergeleken met de eerste suppletoire begroting zijn met name de ktv’s (= kas-transverschillen) en financiële transacties opwaarts bijgesteld. Zo werd eerder dit jaar nog verondersteld dat ING 4,5 miljard euro aan kapitaalsteun zou terugbetalen wat daarmee de financieringsbehoefte van het Rijk zou verkleinen met dit bedrag. Deze terugbetaling is in de tweede suppletoire begroting bijgesteld naar 1,125 miljard euro voor 2012. De raming voor het EMU-tekort van het Rijk is sinds de eerste suppletoire begroting nagenoeg ongewijzigd. Dat het EMU-saldo tussen Voorjaarsnota (-4,2% bbp) en Najaarsnota (-3,8% bbp) is verbeterd, wordt geheel veroorzaakt door positieve saldobijstellingen bij de andere onderdelen van de collectieve sector: lokale overheden (1,0 miljard euro) en de sociale fondsen (1,1 miljard euro). Daarnaast is de raming voor het EMU-tekort van het Rijk sinds de eerste suppletoire begroting verslechterd, waardoor het Rijk genoodzaakt is meer te lenen op de markt.

Vraag 6

Er wordt beschreven dat er een fout is opgetreden in de boeking van rentelasten in de afgelopen jaren. Hoe kan het dat het wel goed is gegaan op kasbasis maar niet op transactiebasis?

Vraag 8

Kan de administratieve correctie van 452 miljoen euro nader worden toegelicht?

Vraag 9

Kan worden aangegeven waardoor te weinig rentelasten in de boekhouding zijn toegerekend?

Vraag 10

Zijn de maatregelen die het agentschap naar aanleiding van foutieve boekingen in het verleden heeft genomen, reeds getest? Wat is de uitkomst hiervan?

Antwoord vraag 6, 8, 9 en 10

In 2009 is bij de uitgifte van een obligatie (de DSL die afloopt in januari 2015) in het systeem van de boekhouding een foutieve toerekening van rentelasten gemaakt. De oorzaak hiervoor is dat in eerste instantie de transacties niet correct waren ingevoerd. Bij de correctie hiervan is de toerekening van rentelasten niet juist aangepast. De toerekening heeft alleen effect op de boekhouding en verantwoording, en niet op de daadwerkelijk kasuitgaven. De opdracht tot betaling van rente wordt door een ander onderdeel van hetzelfde systeem automatisch aangemaakt. Rentebetalingen aan beleggers zijn dan ook altijd juist, volledig en tijdig uitgevoerd. Omdat bij daadwerkelijke rentebetalingen geen sprake is van toerekening, is de verantwoording op kasbasis goed gegaan.

Bij de uitgifte in 2009 was de prijs van de obligatie lager dan de nominale waarde. Dit geeft een zogenaamd disagio (verschil tussen prijs en nominale waarde). Dit disagio wordt in de boekhouding verwerkt in de jaarlijkse rentelasten. Omdat de fout dit jaar ontdekt is, heeft de toerekening betrekking op drie jaren (2009, 2010 en 2011). Het bedrag van € 452 miljoen bestaat uit de som van de verkeerde toerekening in die jaren (respectievelijk € 85 miljoen, € 181 miljoen en € 186 miljoen.).

Het testen van de genomen maatregelen (extra controles) is begonnen, maar nog niet afgerond. De tests vinden plaats in overleg met de Auditdienst Rijk.

Vraag 7

Hoe kan het dat het kastekort naar boven wordt bijgesteld met 4,7 miljard euro terwijl het EMU-saldo t.o.v. de Voorjaarsnota 2012 is verbeterd met 0,4%? In hoeverre zijn er uitgaven (bijvoorbeeld m.b.t. de ov-jaarkaart) naar voren gehaald?

Antwoord op vraag 7

Zie vraag 5.

Vraag 8

Kan de administratieve correctie van 452 miljoen euro nader worden toegelicht?

Antwoord op vraag 8

Zie vraag 6.

Vraag 9

Kan worden aangegeven waardoor te weinig rentelasten in de boekhouding zijn toegerekend?

Antwoord op vraag 9

Zie vraag 6.

Vraag 10

Zijn de maatregelen die het agentschap naar aanleiding van foutieve boekingen in het verleden heeft genomen, reeds getest? Wat is de uitkomst hiervan?

Antwoord op vraag 10

Zie vraag 6.

Vraag 11

Waarom is ABN AMRO de mogelijkheid geboden de renteverhoging die vanaf eind 2012 in werking zou treden, af te kopen?

Antwoord vraag 11

Het voorstel is gedaan door ABN AMRO en was aantrekkelijk voor de Staat. In plaats dat de Staat de renteverhoging over de looptijd van de lening ontvangt heeft ABN AMRO de verhoging nu in één keer betaald. Het ontvangen bedrag is gelijk aan de som van de rentebedragen die anders jaarlijks zouden worden ontvangen.

Vraag 12

Wat is de budgettaire consequentie van deze afkoop door ABN AMRO op lange termijn? Bestaat de mogelijkheid dat deze afkoop van de renteverhoging de Nederlandse staat geld kost op lange termijn?

Antwoord vraag 12

Er zijn geen budgettaire consequenties op lange termijn. Zowel de hogere inkomsten nu als de lagere inkomsten in de toekomst vloeien rechtstreeks in de staatsschuld (en het EMU-saldo). De afkoop van de renteverhoging kan de Nederlandse staat geen geld kosten op lange termijn.

Vraag 13

Zijn de apparaatuitgaven ten behoeve van de uitgifte van dollarleningen, in de opvolgende begrotingen wel geraamd?

Antwoord vraag 13

Op dit moment zijn deze apparaatskosten niet in de raming van de begroting opgenomen. Deze keuze is erop gebaseerd dat van tevoren niet vast ligt of een dollarlening zal worden gedaan. Alleen als er na alle kosten, zoals apparaatskosten, voordeel voor de Staat te behalen is en een dollarlening in het financieringsplan past, wordt er een dollarlening uitgegeven.

Vraag 14

In hoeverre staan de kosten van de uitgifte van dollarleningen in verhouding tot de opbrengsten van dollarleningen.

Vraag 15

Kan worden aangegeven of de hogere apparaatskosten die gepaard gaan met de uitgifte van leningen in dollars opwegen tegen het financieringsvoordeel.

Antwoord op vragen 14 en 15

De apparaatsuitgaven van een 5-jaars dollaruitgifte zijn vergelijkbaar met een uitgifte in euro’s: beide worden via een Dutch Direct Auction via banken bij eindbeleggers geplaatst, waarbij de banken voor hun rol een fee ontvangen. Het bij de beantwoording van vraag 4 genoemde financieringsvoordeel is dus een netto voordeel.

Een 3-jaars lening in euro’s wordt normaal niet via een Dutch Direct Auction geplaatst maar via een zogenaamde tapveiling. Daarvoor worden geen fees betaald, maar krijgen de deelnemende primary dealers een optie om tot 3 dagen na de veiling maximaal 15% van hun afname tegen de gemiddelde veilingprijs bij te kopen. Het financieringsvoordeel weegt ook voor deze looptijd ruim op tegen de fee-uitgaven (€ 2,2 miljoen euro).

Vraag 15

Kan worden aangegeven of de hogere apparaatskosten die gepaard gaan met de uitgifte van leningen in dollars opwegen tegen het financieringsvoordeel.

Antwoord op vraag 15

Zie vraag 14

Vraag 16

Wat is de achtergrond van het feit dat de roodstand van sociale fondsen lager uitvalt dan oorspronkelijk geraamd?

Antwoord op vraag 16

De roodstand van de sociale fondsen komt in de tweede suppletoire begroting ruim 0,8 miljard euro lager uit vergeleken met de eerste suppletoire begroting. Dit wordt met name veroorzaakt door een neerwaartse bijstelling in de raming voor premiegefinancierde SZA-uitgaven (€ 0,5 miljard euro) en een opwaartse bijstelling (€ 0,3 miljard euro) in de premie-inkomsten sinds de eerste suppletoire begroting. Beide mutaties leiden tot een gunstiger rekening-courant saldo voor de sociale fondsen.

Naar boven