Het verheugt mij zeer dat de leden van de SP-fractie opmerkten met belangstelling te hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel
en daarbij aangaven reeds te kunnen instemmen met artikel I. Over artikel II van het
wetsvoorstel, gewijd aan het Wetboek van Strafrecht BES, hadden de leden van de SP-fractie nog enkele vragen, waar de leden van de fracties van de VVD en GroenLinks zich bij aansloten. Graag beantwoord ik in het hiernavolgende de vragen die deze
leden stelden.
De leden van de SP-fractie vroegen, mede namens de leden van de fracties van de VVD en GroenLinks, hoe het toepasselijk verklaren van dit voorstel van wet op de BES-eilanden zich
verhoudt met de nadrukkelijk afgesproken legislatieve terughoudendheid. Zij maakten
uit de stukken op dat er geen noodzaak zou bestaan tot het wijzigen van de toepasselijke
wetgeving op de BES-eilanden.
In mijn antwoord op deze vraag stel ik graag voorop dat de belangrijkste reden voor
het onderhavige wetsvoorstel is dat de regering uitvoering wenst te geven aan de aanbeveling
van de FATF om een autonome strafbaarstelling van het financieren van terrorisme in
te voeren in het Wetboek van Strafrecht. De aanbeveling was strikt genomen gericht
op Nederland (in Europa), omdat de evaluatie plaatsvond in juli 2010 – nog voor de
transitie op 10 oktober 2010. Echter, gelet op het feit dat de BES-eilanden sindsdien
deel zijn gaan uitmaken van Nederland gelden de aanbevelingen mutatis mutandis ook
ten aanzien van het toepasselijke recht op de BES-eilanden. Bij een volgende evaluatie
van Nederland zal dus ook van de BES-eilanden worden verlangd dat inmiddels een zelfstandige
strafbaarstelling is ingevoerd. Ik merk daarbij op dat – daar het Koninkrijk der Nederlanden
in zijn geheel lid is van de FATF – ook de andere delen van het Koninkrijk, die apart
zijn geëvalueerd, dienen te voldoen aan de eisen van de FATF en dat die in voorkomende
gevallen eveneens de aanbeveling tot invoering van een autonome strafbaarstelling
hebben gekregen, en deze reeds hebben uitgevoerd (Aruba) of daar nog mee bezig zijn.
Het gaat hier dus om niets meer en niets minder dan het nakomen van een internationale
verplichting.
De leden van de SP-fractie, daarin gevolgd door de leden van de fracties van de VVD en GroenLinks brachten verder de beperkte capaciteit die op de BES-eilanden aanwezig is om wetswijzigingen
door te voeren onder de aandacht. Zij vroegen of het in dit verband niet de voorkeur
verdiende om op enig moment, als de eilanden daar aan toe zijn, het strafrecht in
een keer aan te passen aan de Nederlandse wetgeving, in plaats van verscheidene malen
een enkel artikel.
Dezerzijds wordt het door deze leden geformuleerde uitgangspunt van terughoudendheid
als het gaat om de implementatie van strafwetgeving op de BES-eilanden onderschreven,
daargelaten overigens de meer principiële keuze om het strafrecht in een keer volledig
aan te passen aan de Nederlandse strafwetgeving. Dit uitgangspunt lijdt echter uitzondering
wanneer wetswijzigingen spoedig dienen te worden doorgevoerd; dit zal zich onder andere
voordoen bij de uitvoering van internationale verplichtingen waarbij een duidelijk
belang bestaat dat deze snel van kracht worden voor de BES-eilanden. De voorgestelde
wijziging ter uitvoering van een belangrijke aanbeveling van de FATF valt in de laatstgenoemde
categorie.
Ten slotte vroegen de leden van de genoemde fracties naar de criteria die gehanteerd
worden om te bepalen wanneer de bestuurscolleges van de BES-eilanden vooraf worden
geïnformeerd over een wetswijziging, zodat zij in de gelegenheid zijn daarover overleg
te plegen, en wanneer daarvan kan worden afgeweken.
Blijkens de memorie van toelichting bij de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba (WolBES) gelden de verplichtingen omtrent het raadplegen van de bestuurscolleges
van de BES-eilanden, opgenomen in de artikelen 207 en 208, niet zonder meer en onverkort
(Kamerstukken II 2008/09, 31 954, nr. 3, blz. 112). Uit de wetgeving zelf of uit de strekking daarvan zal voortvloeien in
hoeverre de artikelen 207 en 208 WolBES buiten toepassing dienen te blijven. Gelet
op de aard van de voorgestelde wetswijziging (die in essentie slechts een reeds bestaande
strafbaarstelling in een andere vorm giet) en het gegeven dat deze wijziging strekt
tot spoedige uitvoering van een verbindende aanbeveling van een internationale organisatie
waarvan Nederland lid is, heeft de regering gemeend dat raadpleging overeenkomstig
de genoemde artikelen achterwege kon blijven (vgl. ook Kamerstukken II 2011/12, 33 213, nr. 4, blz. 3). Daarbij wil ik benadrukken dat de wetswijziging noch verandering brengt
in de reikwijdte van de strafbaarstelling van het financieren van terrorisme, noch
in die zin gevolgen heeft voor de inzet van capaciteit ter opsporing en vervolging.
Vanzelfsprekend zal bij inwerkingtreding worden bezien of met het oog op toepassing
in de praktijk aanvullende uitleg over de werking van de bepaling nodig is.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten