33 475 Herziening van de Wet arbeid vreemdelingen

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 13 juni 2013

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de herziening van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Zij onderschrijven het uitgangspunt om voorrang te geven aan het prioriteitgenietend aanbod om verdringing door goedkope arbeidskrachten aan de onderkant van de arbeidsmarkt te voorkomen en het aantal uitkeringen te verlagen. Zij hebben nog wel enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorgenomen Herziening Wet arbeid vreemdelingen. Graag maken zij van de gelegenheid gebruik de regering hierover enkele vragen te stellen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en van de uitgebreide beraadslagingen in de Tweede Kamer. Graag zouden zij nog enkele meer algemene vragen willen stellen.

De leden van de PVV-fractie hebben naar aanleiding van de voorgestelde herziening van de Wet arbeid vreemdelingen nog enige vragen.

De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van voorliggende wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen. Zij kunnen zich vinden in het streven om bestaande vacatures zo veel mogelijk te laten vullen door werkzoekenden in Nederland en de Europese Unie, maar betwijfelen of de toets van het UWV op prioriteitgenietend aanbod hiertoe zal bijdragen. Derhalve hebben zij een aantal vragen.

Voorliggend voorstel tot wetswijziging is blijkens de memorie van toelichting een uitvloeisel van de door kabinet-Rutte I geuite doelstelling «dat nog slechts bij uitzondering werknemers van buiten de EU tot de Nederlandse arbeidsmarkt worden toegelaten». Hiervoor zouden aanpassingen op onderdelen nodig zijn. Het voorstel lezende, constateren de leden van de fractie van GroenLinks dat het voorstel verder gaat dan dat. De gevolgen van de voorgestelde wetswijzigingen zullen voor zowel werkgevers als buitenlandse werknemers verstrekkende gevolgen hebben. Bovendien wijzigt het wetsvoorstel fundamenteel enkele uitgangspunten van de Wet Arbeid Vreemdelingen. In dit kader hebben de leden van deze fractie een aantal vragen.

Aanleiding aanscherping beleid

In de memorie van toelichting wordt gesteld dat door de komst van immigranten uit de nieuwe lidstaten het aantal vergunningen voor werknemers van buiten de EU al behoorlijk is gedaald, van 75.000 in 2006 naar 12.000 nu. De leden van de CDA-fractie vragen of op grond van deze ontwikkeling ook is overwogen, af te zien van de voorgestelde aanscherping van de wet.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering – gezien het kennelijke feit dat het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen van 75.000 in 2006 is gedaald tot 12.000 in 2011 – aan te geven in welke mate in die periode de uitbreiding van de EU tot een nieuw arbeidsaanbod in Nederland heeft geleid, in werkzame aantallen per jaar en uitgesplitst naar EU-herkomstlanden en werksectoren. Is een actualisatie over 2012 te geven?

Kan in die context worden aangegeven hoe in dezelfde periode het zogenaamde prioriteitgenietende aanbod zich heeft ontwikkeld en in welke mate van deze binnenlandse arbeidscapaciteit door werkgevers gebruik is gemaakt? Heeft in dat kader een toets plaatsgevonden op dit aanbod?

De leden van de PVV-fractie informeren tevens of inzicht kan worden gegeven in de omvang en aard van schijnconstructies zoals deze in de praktijk veelvuldig voorkomen en waarover de regering heeft toegezegd de Tweede kamer per 1 mei 2013 te zullen informeren.2 Kan ook worden aangegeven welke de concrete voornemens zijn om aan deze constructies een einde te maken, alsmede op welke wijze en met welk resultaat hier de afgelopen jaren op geacteerd is? Kan tevens worden aangegeven in welke mate dit soort schijnconstructies in specifieke sectoren hebben geleid tot afname van bonafide bedrijven?

Om te kunnen vaststellen of voorliggende wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen effectief zal zijn, achten de leden van de D66-fractie het noodzakelijk de huidige cijfers omtrent het aantal verstrekte tewerkstellingsvergunningen, gespecificeerd per sector, opleidingsniveau en soort werkgever (bijvoorbeeld MKB), te kennen. De minister heeft tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van 17 april toegezegd deze cijfers beschikbaar te stellen. Wanneer kunnen deze cijfers worden verwacht, zo vragen deze leden. Dit geldt in het bijzonder voor de 3.000 verstrekte tewerkstellingsvergunningen voor langer dan een jaar.

Het aantal tewerkstellingsvergunningen is onder de huidige wetgeving gedaald van 75.000 in 2006 naar 12.000 in 2012. De leden van de fractie van D66 vragen op basis waarvan de regering verdere aanscherping op prioriteitgenietend aanbod nodig acht. In hoeverre zal, naar inschatting van de regering, de daling van de afgelopen jaren zich zonder ingang van deze wijziging verder doorzetten?

De toets op het prioriteitgenietend aanbod wordt aangescherpt. De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de noodzaak hiervan, gelet op het feit dat met de huidige criteria het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen al drastisch is gedaald (van 75.000 in 2006 naar 12.000 in 2011). Toont deze daling niet aan dat de huidige criteria geschikt zijn om de toelating van arbeidsmigranten van buiten de EU te beperken tot degenen waaraan aantoonbaar behoefte bestaat?

Toetsing prioriteitgenietend aanbod

De leden van de VVD-fractie hebben allereerst een vraag over de wetssystematiek. Ingevolge het voorgestelde artikel 8, lid 1 onder a wordt een tewerkstellingsvergunning geweigerd indien voor de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. Ingevolge hetzelfde artikel, lid 1 onder c is bepaald dat een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd indien de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt te vervullen. Begrijpen deze leden het goed dat hiermee een zeker bewijslastmodel wordt gecreëerd, waarbij werkgever en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over en weer moeten beargumenteren dat er wel/niet prioriteitgenietend aanbod aanwezig is c.q. voldoende inspanningen zijn verricht en dat deze stellingen elkaar beïnvloeden? Zij krijgen hierop graag een toelichting.

Welke ruimte heeft het UWV nog om met bedrijven maatwerkafspraken te maken over wat prioriteitgenietend aanbod inhoudt, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het bedrijf, dan wel specifieke kenmerken van de sector waarbinnen het bedrijf opereert? Juist nu de toets abstracter wordt (aanwezig aanbod in plaats van beschikbaar aanbod), is het risico groot dat de werkgever met niet te vervullen vacatures komt te zitten. Graag krijgen de leden van de VVD-fractie hierop een antwoord van de regering.

Een argument voor de aanscherping van het beleid is de wens meer laaggeschoolde werklozen aan een baan te helpen. De leden van de CDA-fractie ondersteunen dit element, maar vragen zich af of een aanscherping van de werving van buiten de EU wel voldoende is om dit te bereiken. Deelt de regering de mening van deze leden dat dit onderdeel zou moeten zijn van totaalbeleid? Zo ja, wanneer kunnen zij een dergelijke beleidsvisie tegemoet zien?

De leden van de CDA-fractie betreuren het dat binnen het huidige voorstel weinig ruimte is voor maatwerk. Een amendement om dit wel mogelijk te maken, is verworpen. Er is wel de kennismigrantenregeling, zuiver gebaseerd op inkomen. Echter, inkomens spelen voor bijvoorbeeld Thaise restaurants hoogstwaarschijnlijk een minder belangrijke rol. Hiervoor geldt meer het culturele element en deze leden kunnen zich voorstellen dat een Thais restaurant met louter Hollandse koks bij veel consumenten als minder Thais overkomt. Is de regering bereid hiermee rekening te houden?

Het UWV krijgt meer verantwoordelijkheid en speelruimte als het gaat om het beoordelen of een bedrijf voldoet aan de toets voor prioriteitgenietend aanbod en/of een tewerkstellingsvergunning kan ontvangen. Met het oog op de recente bezuinigingsrondes bij het UWV, vragen de leden van de PvdA-fractie op basis waarvan de regering er zeker van is dat het UWV de kennis en middelen in huis heeft om deze verantwoordelijkheden en taken op zich te nemen. Zij krijgen graag een onderbouwde reactie van de kant van de regering.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de memorie van toelichting is aangepast naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State dat het voorstel de stimulans tot het zoeken van werknemers eenzijdig bij de werkgever legt. Er is verduidelijkt dat wordt gestreefd naar een efficiënte werking van de arbeidsmarkt waarbij de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven voorop staat. Deze aanpassing roept bij de leden van de PvdA-fractie een aantal vragen op. Wat verstaat de regering onder een efficiënte werking van de arbeidsmarkt? In hoeverre is er sprake van een efficiënte werking van de arbeidsmarkt naar de mening van de regering? En welke rol ziet de regering voor zichzelf om de efficiënte werking van de arbeidsmarkt te bevorderen?

De leden van de PVV-fractie informeren wat de inschatting is ten aanzien van een verdere daling van tewerkstellingsvergunningen in de komende jaren als gevolg van aanscherping van het restrictief toelatingsbeleid tot de arbeidsmarkt van arbeidsaanbod van buiten de EU.

Waarom is de regering van oordeel dat instelling van een quotum op dit moment niet aan de orde is? Is niet reeds op voorhand middels een opgave van het UWV van aantallen tewerkstellingsvergunningen in combinatie met een prioritair aanbod, aan te geven dat een quotum in specifieke sectoren geboden is? Welke sectoren worden gekenmerkt door een relatief hoog aantal tewerkstellingsvergunningen? Is daarbij aan te geven wat het UWV in deze gevallen aan activiteiten heeft verricht om tot inzet te komen van prioritair arbeidsaanbod en tot welke resultaten dit mogelijk geleid heeft in termen van toegenomen arbeidsparticipatie van genoemd aanbod onder gelijktijdige afname van genoemde vergunningen?

Ook vragen deze leden of -gegeven het primaire streven naar een efficiënte werking van de arbeidsmarkt- kan worden geconcretiseerd in welke mate het bedoelde activerende beleid werkzoekenden heeft geprikkeld breed te solliciteren en met welk resultaat. Wat wordt in dit kader bedoeld met een «nieuwe visie om vraag en arbeid transparant te maken»? En zijn de diverse beoogde actoren die deze visie operationeel dienen te maken, met name UWV en gemeenten, al feitelijk in staat om het beoogde beleid te realiseren en zo ja, op welke termijn?

Ten principale is de vraag welke visie dit kabinet heeft ten aanzien van een langetermijnbeleid voor arbeidsmobiliteit en met name ten aanzien van de arbeidsmigratie in de EU in een brede maatschappelijke context. De leden van de PVV-fractie vernemen hierop graag de reactie van de regering.

Het UWV definieert het aantal werkzoekenden in Nederland op basis van het krijgen van een uitkering. Er is echter een groot aantal werkzoekenden dat niet in aanmerking komt voor een uitkering, bijvoorbeeld als het gezinsinkomen te hoog is, of de werkzoekende een voormalig zzp’er of een schoolverlater is. Hoe betrekt het UWV deze groep werkzoekenden in de toets omtrent tewerkstellingsvergunningen, zo vragen de leden van de D66-fractie.

De facultatieve weigeringsgrond van het UWV om een tewerkstellingsvergunning af te geven, die wordt ingezet bij onvoldoende wervingsinspanningen van de werkgever, wordt met voorliggende wijziging van dwingende aard. De leden van de D66-fractie vragen op basis waarvan deze maatregel in de wijziging is opgenomen. In hoeveel gevallen heeft het UWV op basis van deze facultatieve weigeringsgrond afgelopen jaar toch een tewerkstellingsvergunning afgegeven? Om wat voor een soort vacatures ging het en wat was de reden dat de tewerkstellingsvergunning alsnog werd toegekend?

Per algemene maatregel van bestuur kan een quotum worden gesteld als een sector onvoldoende inspanningen heeft verricht om te zorgen dat er potentieel geschikt arbeidsaanbod beschikbaar is. De leden van de D66-fractie achten het noodzakelijk dat aanvullende voorwaarden om een dergelijk quotum in te stellen vooraf duidelijk zijn gedefinieerd. Op basis van welke criteria wordt bepaald dat een sector voor een quotum in aanmerking komt?

Voorliggende wijziging geldt niet voor personen die naar verwachting een bijdrage leveren aan de Nederlandse (kennis)economie. Voor hen wordt een tewerkstellingsvergunning voor maximaal drie jaar verstrekt. De leden van de fractie van D66 achten een dergelijke regeling noodzakelijk, wil Nederland te boek staan als een hoogstaande kenniseconomie met ruimte voor innovatie, creativiteit en excellentie. Met aangescherpte regels omtrent prioriteitgenietend aanbod kunnen de criteria voor het aanwijzen van vacatures die in deze categorie vallen worden gewijzigd. Aan welke criteria moet een vacature nu en in de nabije toekomst voldoen om in aanmerking te komen voor een langere tewerkstellingsvergunning met het oog op de (kennis)economie?

De regering streeft ernaar dit wetsvoorstel op 1 juli 2013 in werking te laten treden. Tewerkstellingsvergunningen worden derhalve vanaf dat moment niet meer verlengd. De leden van de fractie van D66 verwachten dat werkgevers die tewerkstellingsvergunningen komende maanden zien aflopen enige voorbereidingstijd nodig zullen hebben in de vorm van het zetten van advertenties en het benaderen van uitzendbureaus. Om hoeveel tewerkstellingsvergunningen gaat het, zo vragen deze leden.

De vervanging van de term «beschikbaar» door «aanwezig» in artikel 8, lid 1 onder a Wav, verlicht de bewijslast van het UWV aanzienlijk bij de intentie tot afwijzen van een verzoek om een tewerkstellingsvergunning. Als uit een onderzoek blijkt dat er voldoende werkzoekenden op de arbeidsmarkt zijn moet het UWV afwijzen, onafhankelijk van de daadwerkelijke beschikbaarheid van deze werkzoekenden. Begrijpen de leden van de fractie van GroenLinks het goed, dat van de kandidaten die in het kader van de nieuwe arbeidsmarkttoets door het UWV aan de werkgever worden voorgesteld, wel het cv medebepalend is, maar dat niet langer hoeft vast te staan in hoeverre zij ook daadwerkelijk beschikbaar en geschikt zijn voor de functie? Deze leden begrijpen hieruit dat het UWV een meer sturende rol krijgt ten aanzien van de arbeidsmarkt, die de keuzevrijheid van bedrijven inperkt. Zij kunnen dat moeilijk in overeenstemming brengen met het in de memorie van toelichting genoemde streven om de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven voorop te stellen. Hoe kunnen bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen, als ze niet tevens het vertrouwen en de mogelijkheden krijgen om op basis van hun deskundigheid en behoefte te selecteren? In hoeverre geeft dit bedrijven voldoende mogelijkheid om in de concurrentie met internationale bedrijven, ook om de geschikte werknemer, optimaal te presteren? De wijziging kan immers tot gevolg hebben dat bedrijven genoegen moeten nemen met minder of misschien zelfs niet geschikte, maar wel prioriteit genietende kandidaten. De leden van de GroenLinks-fractie betwijfelen of een dergelijke verschuiving in het belang is van één van de partijen. Immers, een ongeschikte kandidaat zal vaak een korte en ongelukkige loopbaan beschoren zijn, terwijl de Nederlandse economie is juist gebaat bij de juiste persoon op de juiste plek. In hoeverre wordt, zoals de Raad van State constateert, het zoeken van werknemers vooral bij de werkgever gelegd en de verantwoordelijkheden van gemeenten, UWV en uitkeringsgerechtigden minder benadrukt?

Ook het laten vervallen van de bevoegdheid om een tewerkstellingsvergunning te verlengen beperkt de mogelijkheden van werkgevers aanzienlijk, evenals die van de buitenlandse werknemers. Na een jaar zal steeds een nieuwe aanvraag moeten worden ingediend, die opnieuw aan een volledige toets onderhevig is. De leden van de fractie van GroenLinks begrijpen de intentie van de regering om werkzoekenden in Nederland voldoende kansen te bieden, maar zien in deze beperking niet het juiste instrument. Ook hier laten de aantallen toegekende tewerkstellingsvergunningen immers zien dat er ook nu al strenge criteria gelden die strikt getoetst worden. Voor een verleende tewerkstellingsvergunning is er dus al een geldige reden. Waarom dan niet de geldigheidsduur relateren aan de arbeidsovereenkomst? Is de regering niet bevreesd dat de regeling ontduiking van de regels uitlokt, omdat de jaarlijkse aanvragen aanzienlijke administratieve lasten met zich meebrengt? Gaat de regering de procedures zodanig registreren, dat bij een evaluatie voldoende is na te gaan hoeveel aanvraagprocedures dezelfde arbeidsmigrant betreffen?

De leden van de fractie van GroenLinks achten een quotum – waarbij het aantal tewerkstellingsvergunningen voor een sector wordt gemaximeerd, mogelijk zelfs op nul -een te ingrijpend instrument. Bedrijven kunnen hierdoor benadeeld worden als gevolg van gedrag van andere bedrijven in deze sector. Graag willen zij van de regering weten in hoeverre een quotum bedreigend kan zijn voor de concurrentie op de Europese arbeidsmarkt, en daarmee in strijd komt met het beoogde level playing field. Op welke wijze heeft de regering dit risico meegewogen?

Concurrentie op arbeidsvoorwaarden en positie arbeidsmigranten

De regering stelt in de memorie van toelichting dat de voorgestelde maatregelen om werkgevers te kunnen aanpakken die de normen op het gebied van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden en passende huisvesting voor vreemdelingen/arbeidsmigranten niet naleven, zullen bijdragen aan het tegengaan van concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Een en ander vereist wel dat er goede werkafspraken worden gemaakt, met name met de Inspectie SZW over uitwisseling van gegevens met het UWV. De leden van de VVD-fractie vragen de regering aan te geven hoe zij dit gaat bevorderen c.q. regelen.

De leden van de fractie van GroenLinks zijn van mening dat een jaarlijks terugkerende toets een risico betekent voor de arbeidsmigrant, omdat hij of zij feitelijk gedurende vijf jaar in onzekerheid verkeert omtrent de toekomst in Nederland. De afweging om al dan niet het gezin te laten overkomen wordt moeilijk, goede huisvesting vinden zal lastiger worden vanwege het gebrek aan zekerheid (ook voor een verhuurder), en de prikkels tot integrerende activiteiten zullen geringer zijn. Al met al komt dit de integratie van deze arbeidsmigranten niet ten goede, wat nadelig uitpakt voor de samenleving als geheel. Heeft de regering deze risico’s gewogen? Graag krijgen deze leden een toelichting hierop.

Bovendien betekent de jaarlijkse toets de facto een verslechtering van de arbeidsrechtelijke positie van de arbeidsmigrant, nu een werkgever heel eenvoudig van zijn werknemer af kan komen. Kan een dergelijk kwetsbare positie niet juist uitbuiting in de hand werken? Welke rechtvaardiging heeft de regering voor deze ongelijke arbeidspositie? In dit opzicht vormt het wetsvoorstel een breuk met één van de doelen van de Wav (en de voorgangers Wauw 1979 en Wav 1969), namelijk om de rechtspositie van de arbeidsmigrant te waarborgen. Kiest de regering er nu expliciet voor om dat uitgangspunt te verlaten? Ziet de regering het risico dat een arbeidsmigrant juist vanwege de zwakkere rechtspositie aantrekkelijker wordt om aan te nemen dan andere kandidaten met meer ontslagbescherming? Daartegenover staat dat werkgevers met een tewerkstellingsvergunning voor drie jaar of langer geprikkeld worden om, gelet op de zwaardere verplichtingen, een veel bewustere keuze te maken voor de betreffende kandidaat.

Het wetsvoorstel bepaalt dat werknemers van buiten de EU zich pas na vijf jaar zonder tewerkstellingsvergunning op de arbeidsmarkt mogen begeven, in plaats van de huidige drie jaar. Deze verlenging leidt in de praktijk dus tot een verplichte jaarlijkse aanvraag en toets, ook al staat buiten kijf dat de betreffende werknemer in een grote behoefte voorziet en niet te vervangen is. Heeft de regering meegewogen dat dergelijke unieke kandidaten met deze lange onzekerheid sneller zullen kiezen voor een andere lidstaat of voor een arbeidsmarkt buiten de EU? Heeft ze het belang van het bedrijfsleven en de Nederlandse economie betrokken bij het nemen van dit risico? Volgens de regering wordt hiermee de tijdelijkheid van arbeidsmigratie bevorderd. Is het juist dat ook deze doelstelling tot nu toe niet ten grondslag heeft gelegen aan de Wav-wetgeving en dat het dus een wijziging van de uitgangspunten betreft? Graag krijgen de leden van de GroenLinks-fractie daarom een nadere onderbouwing hoe dit uitgangspunt en de overige wijzigingsvoorstellen zich verhouden tot de doelstellingen van de Wav en zijn voorgangers. In wiens belang is het precies dat werknemers om het jaar worden vervangen door waarschijnlijk, gelet op de eerder verleende tewerkstellingsvergunning, een andere arbeidsmigrant van buiten de EU?

Wat betekent de verlenging van vijf jaar voor het arbeidsovereenkomstenrecht waar de verlenging van een jaarcontract slechts tweemaal is toegestaan? Indien de werkgever daarna een vast contract aanbiedt omdat hij de werknemer wil behouden, loopt hij kans om (voor eigen rekening en risico) toch het contract te moeten beëindigen als hij na vier jaar geen tewerkstellingsvergunning krijgt toegekend.

In hoeverre kan de jaarlijks terugkerende toets gedurende vijf jaar een bedreiging vormen voor de opbouw van het recht op een langdurig ingezetene status? Indien de toetsingsprocedure door toedoen van de overheid zolang duurt dat er een verblijfsgat voor de betrokken werknemer ontstaat, wordt dit de werknemer dan aangerekend bij zijn aanvraag voor een langdurig ingezetene status? Indien als gevolg van een beroepsprocedure alsnog een tewerkstellingsvergunning wordt verleend, kan de beroepsprocedure zelf en het eventuele opgelopen verblijfsgat, tot gevolg hebben dat de werknemer daarom niet meer voldoet aan de eis van artikel 4, lid 1 van Richtlijn 2003/109, dat hij vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf moet hebben genoten?

De leden van de commissie zien de beantwoording met belangstelling tegemoet; zij ontvangen de reactie bij voorkeur binnen vier weken.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Sylvester

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Kneppers-Heijnert (VVD), Putters (PvdA), Terpstra (CDA), Sylvester (PvdA) (voorzitter), Thissen (GL), Witteveen (PvdA), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Elzinga (SP), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Flierman (CDA), Hoekstra (CDA), Scholten (D66), Backer (D66), De Lange (OSF), Sent (PvdA), Postema (PvdA), Van Dijk (PVV) (vicevoorzitter), Sörensen (PVV), Ester (CU), De Grave (VVD), Beckers (VVD), Swagerman (VVD), Kok (PVV)

X Noot
2

Kamerstukken II 2012/13, 33 475, nr. 6, p. 3

Naar boven