Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333475 nr. 5

33 475 Herziening van de Wet arbeid vreemdelingen

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 21 december 2012

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave:

I.

ALGEMEEN

1

     

1.

Inleiding

2

2.

Toetsing prioriteitsgenietend aanbod

3

3.

Voorkomen van concurrentie op arbeidsvoorwaarden

6

4.

Stimuleren van de kenniseconomie

8

5.

Overige onderwerpen

8

6.

Financiële gevolgen en administratieve lasten

9

7.

Uitvoerings- en handhavingstoets

9

8.

Overig

10

     

II

ARTIKELSGEWIJS

10

     

9.

Artikel I

10

I. ALGEMEEN

De leden van de VVD-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van de herziening van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Deze leden benadrukken het uitgangspunt dat eerst gekeken wordt naar het prioriteitgenietend aanbod voordat er tewerkstellingsvergunningen (twv) worden afgegeven. Pas als vacatures niet vervuld kunnen worden met werkzoekenden uit Nederland of de EU, komen in de visie van deze leden werkzoekenden van buiten de EU in aanmerking voor deze vacatures. De leden van de VVD-fractie vinden dat het niet acceptabel is dat mensen onnodig in een uitkering zitten. Dat is niet alleen nadelig voor Nederland, maar ook voor de werkzoekenden zelf. Voorstellen, die meer kansen geven voor uitkeringsgerechtigden om aan het werk te komen, kunnen op steun van de leden van de VVD-fractie rekenen. Daarnaast achten deze leden het ongewenst als buitenlandse werknemers worden uitgebuit door werkgevers. Ook daartegen helpt het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de VVD-fractie hebben nog enkele vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Daarbij hebben de leden van de PVV-fractie nog enkele vragen, aan- en/of opmerkingen.

De leden van de CDA- fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hebben nog enige vragen.

De leden van de D66-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Deze leden benadrukken dat zij van mening zijn dat arbeidsmigratie kan bijdragen aan zowel de Nederlandse economie als aan de kansen van de arbeidsmigrant zelf. Wel vinden deze leden het van groot belang dat deze arbeidsmigratie in goede banen wordt geleid om zo de mogelijke schaduwkanten te voorkomen. De leden van de D66-fractie hebben naar aanleiding van het wetsvoorstel verschillende vragen en opmerkingen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Deze leden willen graag enkele vragen stellen aan de regering.

1. Inleiding

De leden van de VVD- en ChristenUnie-fracties vragen welke maatregelen de regering voornemens is op een andere wijze te treffen naast het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen daarbij om een nadere toelichting welke andere maatregelen de regering naar aanleiding van het onderzoek naar de Kennismigrantenregeling wil treffen naast het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden vragen daarbij of er ook aanbevelingen uit het onderzoek zijn waarmee de regering niet aan de slag gaat. Zo ja, om welke aanbevelingen gaat het dan en waarom kiest de regering dan hiervoor?

De leden van de PVV-fractie vragen de regering of onder het begrip «arbeid» in het kader van de Wav ook arbeid valt, die wordt verricht als ZZP-er of (schijn)zelfstandige? In de visie van deze leden kan immers als het arbeidsrecht kan worden omzeild, ook de Wav worden omzeild. Deze leden vragen of het dan ook niet noodzakelijk is om het begrip «werkgever» uit artikel 1, onderdeel b, van de Wav aan te passen.

De leden van de PVV-fractie achten het werkgeversbegrip in het kader van deze wet onvoldoende duidelijk ingevuld. Het lijkt er op dat door gebruik te maken van een andere rechtspersoon er sprake is van een andere werkgever. Deze leden vragen of dit werkgeversbegrip niet aanmerkelijk moet worden verruimd, zodat ook gelieerde entiteiten (via aandeelhouders of bestuurder of beleidsbepalers) onder het werkgeversbegrip vallen. De leden van de PVV-fractie achten een dergelijke uitbreiding noodzakelijk, met name met het oog op de toepassing van weigeringsgronden in het kader van overtredingen.

De leden van de D66-fractie vragen de regering om inzicht te geven in de totale effecten van het onderhavige wetsvoorstel. Verwacht de regering dat er per saldo meer of minder tewerkstellingsvergunningen zullen worden afgegeven als gevolg van het wetsvoorstel? Verwacht de regering dat er per saldo meer of minder arbeidsmigranten van buiten de EU in Nederland werkzaam zullen zijn als gevolg van het wetsvoorstel? Wat zijn de oorspronkelijke en nieuwe ramingen met betrekking tot beiden?

De leden van de D66-fractie constateren dat de regering een verband legt tussen Nederlanders met een uitkering en de instroom van arbeidsmigranten. Verwacht de regering dat het beroep op uitkeringen daalt als gevolg van het wetsvoorstel? Zo ja, kan de regering dit kwantificeren qua aantal uitkeringsgerechtigden en bespaard bedrag?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke beleidsvoornemens op het gebied van het onderhavige wetsvoorstel worden uitgewerkt in het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en het Delegatie- en Uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen?. Deze leden vragen op welke wijze de regering de andere beleidsvoornemens op het gebied van het onderhavige wetsvoorstel in lagere regelgeving gaat uitwerken.

2. Toetsing prioriteitgenietend aanbod

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat het voorgestelde nieuwe toelatingsbeleid niet geldt voor wetenschappelijk personeel en sleutelpersoneel van internationale ondernemingen. Zij zijn vrijgesteld van de arbeidsmarkttoets en verplichte vacaturemelding. Kan de regering nader toelichten om wat voor soort ondernemingen en personeel het hierbij gaat? Geldt dit bijvoorbeeld ook voor specifiek hoog opgeleid technisch personeel? Deze leden wijzen de regering erop dat hieraan in Nederland al jaren een behoorlijk tekort is, waardoor het voor de hand ligt om hiervoor geen tewerkstellingsvergunning te hoeven aanvragen. Er is immers geen prioriteitgenietend aanbod. Verwacht de regering een toename van het aantal juridische procedures als gevolg van het wetsvoorstel? Zo ja, hoe groot is die toename en heeft de regering maatregelen overwogen om dat te voorkomen?

De leden van de VVD-fractie begrijpen dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) voortaan gaat toetsen of er voldoende werkzoekenden op de arbeidsmarkt aanwezig zijn. Deze leden vragen wat dit concreet betekent. Kan «aanwezig» ook betekenen dat deze personen wel op de arbeidsmarkt, maar niet beschikbaar zijn? Zo ja, wat heeft het dan voor zin om deze nieuwe definitie te hanteren? Vallen personen, die al een baan hebben, hier ook onder? In hoeverre zijn deze personen dan ook geschikt voor de vacatures? Wat is precies het verschil met de huidige definitie van «beschikbaar» zijn voor de arbeidsmarkt? Hoe gaat het UWV dit bepalen? Kan de regering uitgebreid ingaan op deze vragen? Kan de regering toelichten of werkgevers uit de voeten kunnen met deze nieuwe definitie?

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het uitgangspunt van de regering dat werkgevers voldoende moeten doen om aan prioriteitgenietend aanbod te komen. Als werkgevers dat niet doen, ontvangen deze werkgever naar de mening van deze leden terecht geen vergunning. Deze leden zijn tevreden dat de facultatieve weigeringsgrond omgezet wordt in een dwingende weigeringsgrond. Zij zijn wel benieuwd naar de uitwerking hiervan. Hoe gaat het UWV toetsen of werkgevers daadwerkelijk voldoende inspanningen hebben geleverd? Hoe gaat het UWV om met werkgevers, die wel genoeg doen, maar waar het prioriteitgenietend aanbod niet voldoende inspanningen levert?

Ook stellen deze leden vast dat de regering een quotumregeling voorstelt. De leden van de VVD-fractie vragen wie dit quotum bepaalt en hoe het quotum bepaald wordt. Hoe gaat dit systeem van quota van tewerkstellingsvergunningen in zijn werk? Welke indicatoren worden daarvoor gehanteerd?

De leden van de VVD-, PvdA-, D66- en ChristenUnie-fracties vragen in welke sectoren de regering voornemens is een quotum in te stellen.

De leden van de PvdA-fractie hebben een aantal vragen over de voorgenomen wijziging van de toetsing van het prioriteitgenietend aanbod. De regering stelt voor om het UWV een abstractere toets te laten verrichten ten aanzien van de vraag of voldoende werkzoekenden op de Nederlandse arbeidsmarkt aanwezig zijn, zodat een tewerkstellingsvergunning moet worden afgewezen. Er zal in het vervolg alleen worden getoetst of sprake is van de aanwezigheid van voldoende aanbond, in plaats van tevens de beschikbaarheid daarvan. Op welke wijze kan worden vastgesteld dat sprake is van voldoende aanbod in een sector?

Deze leden constateren dat indien mocht blijken dat een sector onvoldoende zijn verantwoordelijkheid neemt om zijn vacatures uit het prioriteitgenietend aanbod te vervullen, ten aanzien van die sector een vergunningenlimiet kan worden ingesteld. Hoe gaat de regering beoordelen of een sector onvoldoende zijn verantwoordelijkheid heeft genomen om zijn vacatures uit het prioriteitgenietend aanbod te vervullen? Wat zijn de criteria in dezen? In hoeverre bestaat het risico dat er door deze maatregel ongelijkheid binnen een sector kan ontstaan waarbij een klein aantal bedrijven, die hun verantwoordelijkheid niet nemen, ervoor kunnen zorgen dat de hele sector een quotum opgelegd krijgt? Kan de regering voorts nader toelichten hoe het voorgestelde systeem van quota zich verhoudt tot de Europese regels van vrij werknemersverkeer?

De regering stelt voorts voor om de bestaande praktijk van het UWV, waarbij een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd bij onvoldoende inspanning om gebruik te maken van prioriteitgenietend aanbod om te zetten van een facultatieve mogelijkheid naar een verplichting. Kan de regering de bestaande praktijk van het weigeren van een tewerkstellingsvergunning nader toelichten? Wat zijn hiervoor de criteria? Wat zijn de meest relevante cijfers die hierover beschikbaar zijn?

De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat het mogelijk is dat voor bepaalde categorieën van werkzaamheden een limiet kan worden bepaald voor het aantal tewerkstellingsvergunningen, een zogenoemd quotum. In het algemene deel van de memorie van toelichting licht de regering toe dat een dergelijk quotum ook kan worden ingesteld als blijkt dat een sector onvoldoende inspanningen heeft verricht om te zorgen dat potentieel geschikt arbeidsaanbod is opgeleid of geschoold om de vacatures te vervullen waarvoor een tewerkstellingsvergunning wordt aangevraagd, terwijl er voldoende prioriteitgenietend arbeidsaanbod aanwezig is. De criteria voor de beoordeling of er potentieel geschikt arbeidsaanbod is opgeleid of geschoold zijn de leden van de PVV-fractie onduidelijk. De regering spreekt over de gehele sector. Is dit niet iets wat op ondernemingsniveau moet worden getoetst?

De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat het level playing field zoek is indien een ondernemer zijn best doet om werknemers te krijgen en daar extra voor betaalt, terwijl zijn concurrent doodleuk niet EU-werknemers binnen haalt. In de voorgestelde huidige vorm achten de leden van de PVV-fractie het desbetreffende wetsartikel een «caoutchouc-artikel».

Ook bij de weigeringsgrond op basis van onvoldoende inspanningen is er naar de mening van deze leden sprake van eenzelfde onbepaaldheid.

De strekking van de onderstaande passage uit de memorie van toelichting is de PVV-fractie onduidelijk: «Hoewel een tewerkstellingsvergunning niet langer kan worden verlengd, kan de bijbehorende verblijfsvergunning voor arbeid wél worden verlengd, mits op het moment van de verlenging van de verblijfsvergunning een nieuwe tewerkstellingsvergunning is afgegeven (en is voldaan aan de overige voorwaarden voor verlenging van de verblijfsvergunning (artikel 18 van de Vreemdelingenwet 2000 jo. 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000). Dit betekent dat dit wetsvoorstel niet afdoet aan de hoofdregel uit het vreemdelingenrecht, inhoudende dat bij de verlenging van een verblijfsvergunning in principe geen machtiging tot voorlopig verblijf hoeft te worden aangevraagd (een visum voor lang verblijf, dat alleen in het land van herkomst of bestendig verblijf kan worden aangevraagd). Voorwaarde is dan wel dat de aanvraag binnen een redelijke termijn is ingediend (artikel 3.82 van het Vreemdelingenbesluit 2000).» De leden van de PVV-fractie vragen de regering om een nadere toelichting op deze passage.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader kan ingaan op het verschil tussen voldoende werkzoekenden, die op de arbeidsmarkt aanwezig of beschikbaar zijn. Wat betekent dat in de praktijk voor de afweging met betrekking tot prioriteitgenietend aanbod?

Deze leden stellen vast dat de regering naar aanleiding van het advies van de Raad van State nader heeft toegelicht dat de nieuwe rol van het UWV bij arbeidsbemiddeling betekent dat niet meer actieve arbeidsmarktbemiddeling voorop staat. De leden van de CDA-fractie vragen of het inderdaad niet zo is dat het onderhavige wetsvoorstel de stimulans tot het zoeken van werknemers eenzijdig bij de werkgever legt. Hoe pakt de arbeidsmarkttoets uit indien de arbeidsmarkt onverhoopt niet efficiënt werkt en bedrijven daardoor niet tot vervulling van de vacatures kunnen komen? Kan de regering naast op de rol van het UWV en werkzoekenden bovendien ingaan op de rol van gemeenten?

De leden van de CDA-fractie constateren dat regering toelicht dat een quotum kan worden ingesteld als wordt vastgesteld dat een sector onvoldoende inspanningen heeft verricht om te zorgen dat potentieel geschikt arbeidsaanbod is opgeleid of geschoold om vacatures te vervullen. Tegelijkertijd is de regering voornemens om de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) op te heffen, waarbinnen sectoren momenteel de verantwoordelijkheid opnemen voor het bevorderen van de professionaliteit werknemers. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe enerzijds een inspanning van sectoren verwacht kan worden als anderzijds het instrumentarium voor deze sectoren wordt afgebroken?

De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van het feit dat de regering voorstelt om verlengingen van tewerkstellingsvergunningen niet meer mogelijk te maken en te beperken tot maximaal één jaar, zodat werkgevers jaarlijks een nieuwe tewerkstellingsvergunning moeten aanvragen. Dit om te voorkomen dat er bij verlenging prioriteitgenietend aanbod is. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of het niet een mogelijkheid is om met minder administratieve lasten hetzelfde doel te bereiken? Kan de regering toelichten wat procedureel het verschil is tussen het traject van vernieuwde aanvraag en traject van verlenging? De toets op prioriteitgenietend aanbod is bovendien naar de mening van deze leden abstracter geworden. Zij vragen of het daarmee niet eenvoudiger wordt om de toets uit te voeren bij verlenging?

De leden van de fractie van D66 constateren dat de regering inzet op een abstractere toets op prioriteitgenietend aanbod. Waar het UWV eerst toetste of er bij individuele vacatures ook geschikte kandidaten voorhanden zijn, wordt er nu gekozen voor een meer algemene toets. Kan de regering nader ingaan op de vormgeving van deze nieuwe toetsing? Op basis van welke criteria wordt bepaald of er wel of geen aanspraak gemaakt kan worden op een tewerkstellingsvergunning? Staan deze criteria vast, of kunnen deze in de loop der tijd aangepast worden? Waar worden deze criteria beschreven?

De leden van de D66-fractie constateren dat het UWV bij de nieuwe regelgeving kan volstaan met het onderzoeken of er voldoende werkzoekenden op de arbeidsmarkt aanwezig zijn, in plaats van beschikbaar. Kan de regering nader ingaan op dit verschil? Betekent dit bijvoorbeeld dat er alleen nog maar wordt gekeken naar het totale aantal personen met het vereiste diploma, en niet hoeveel van deze groep personen ook echt op zoek is naar werk?

De leden van de D66-fractie constateren dat de regering de optie tot een quotum per sector voor tewerkstellingsvergunningen wil instellen. Deze leden vragen de regering om nader in te gaan op de argumentatie voor deze optie. Zou de abstractere toets in combinatie met de dwingende weigeringsgrond voor onvoldoende wervingsinspanning niet al moeten volstaan in het geval dat werkzoekenden uit het prioriteitgenietend gebied door de sector niet worden gebruikt?

De leden van de D66-fractie hebben voorts drie vragen over de vormgeving van de optie tot een quotum. Ten eerste vragen deze leden op basis van welke criteria wordt vastgesteld of er een quotum wordt opgelegd. Ten tweede vragen zij of voor het opleggen van het quotum een wetswijziging is vereist. Ten derde vragen deze leden hoe het opleggen van het quotum er in de praktijk uit gaat zien. Kan de regering ingaan op de hypothetische situatie dat er nog één tewerkstellingsvergunning is te vergeven in het verband met het quotum, maar dat er twee bedrijven zijn die hierop aanspraak willen maken? Wie van deze twee bedrijven krijgt dan de laatste beschikbare tewerkstellingsvergunning? Is dat op basis van wie het eerst komt, wie het eerst maalt? Of is dat op basis van de vraag bij welk bedrijf de behoefte het hoogst is?

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd of de regering nader kan ingaan op de toetsing op wervingsinspanningen. Hoe ziet deze toetsing er in de praktijk uit?

De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten op basis van welke criteria wordt vastgesteld of er sprake is van voldoende aanbod in een sector. Hoe wordt hierbij tevens de mogelijkheid open gehouden voor maatwerk per sector?

Deze leden vragen voorts welke criteria de regering van plan is om toe te passen voor het instellen van een quotum voor tewerkstellingsvergunningen. Hoe wordt het systeem van een quotum voor tewerkstellingsvergunningen in de praktijk vorm gegeven?

Deze leden vragen om een nadere toelichting over de huidige criteria voor het weigeren van een tewerkstellingsvergunning als de werkgever onvoldoende inspanning verricht om gebruik te maken van prioriteit genietend aanbod en in hoeverre de regering eventueel nog van plan is om deze criteria te wijzigen.

3. Voorkomen van concurrentie op arbeidsvoorwaarden

De leden van de VVD-fractie delen de mening van de regering dat personen van buiten de EU, die in Nederland aan het werk gaan, over dezelfde minimumvoorwaarden moeten beschikken als personen in Nederland. Dat is niet alleen voor henzelf goed, maar ook voor de concurrentiepositie van Nederlandse werkzoekenden. Deze leden zijn met de regering van mening dat daarom een tewerkstellingsvergunning geweigerd moet worden als niet 100% van het wettelijk minimummaandloon voor een 23-jarige wordt betaald. In hoeverre kan het voorkomen dat de arbeidsvoorwaarden later worden aangepast, waardoor de werknemers alsnog minder dan 100% van het wettelijke minimumloon (WML) verdient? In hoeverre wordt hier rekening gehouden met andere vormen van loon, zoals stukloon, of met personen, die als zelfstandige aan de slag gaan?

Daarnaast willen de leden van de VVD- en PvdA- en ChristenUnie-fracties graag weten hoe de toets voor een marktconforme betaling in zijn werk gaat. Wat zijn hiervoor de criteria?

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de regering voorstelt om in geval van een overtreding van een arbeidsgerelateerd delict uit de Arbeidstijdenwet of de Arbeidsomstandighedenwet of mensenhandel de mogelijkheid van een nieuwe tewerkstellingsvergunning onmogelijk te maken. Daarbij geldt wel een discretionaire bevoegdheid, waarbij het UWV de zwaarte van een vergrijp moet meewegen.

Kan de regering nader toelichten op welke wijze het UWV de weigering van een tewerkstellingsvergunning wegens arbeidsgerelateerde delicten gaat toepassen? Is de discretionaire bevoegdheid ook op een bepaalde manier ingekaderd? Zo ja, op welke wijze?

De leden van de PVV-fractie wijzen de regering erop dat door middel van een aannemings- of opdrachtovereenkomst op betrekkelijk eenvoudige wijze oneigenlijke concurrentie op het gebied van arbeidsvoorwaarden is te realiseren. Binnenlands zien deze leden dat in de Thuiszorg waar arbeidsovereenkomsten worden omgezet in overeenkomsten van opdracht. De leden van de PVV-fractie achten het noodzakelijk dat voormelde overeenkomsten gelijk worden gesteld aan arbeidsovereenkomsten. Is dit thans in voldoende mate gewaarborgd?

Voorkoming van arbeidsvoorwaardenconcurrentie zeer belangrijk voor de leden van de PVV-fractie. Een marktconforme betaling is dan ook een keiharde voorwaarde voor de leden van de PVV-fractie. Ontduiking van deze eis door middel van aannemings- en opdrachtovereenkomsten moet naar de mening van deze leden niet mogelijk zijn. Hoe denkt de regering dit te realiseren?

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten in hoeveel gevallen op dit moment niet marktconform wordt betaald en hoe vaak het voorkomt dat niet het volledige wettelijke minimumloon wordt betaald. Kan de regering voorts nader toelichten wat de redenen zijn waarom werkgevers wel een tewerkstellingsvergunning aanvragen, maar de arbeidsmigrant vervolgens slechts in deeltijd laten werken?

De leden van de D66-fractie constateren dat het niet betalen van een marktconform salaris een dwingende weigeringsgrond wordt. Hoe wordt het marktconforme loon voor een individuele vacature vastgesteld?

Deze leden constateren dat een tewerkstellingsvergunning alleen kan worden verleend als het volledige minimummaandloon wordt betaald. In hoeveel gevallen worden er nu tewerkstellingsvergunning verleend voor parttime banen waarbij niet het volledige minimummaandloon wordt betaald?

De leden van de D66-fractie constateren voorts dat een tewerkstellingsvergunning kan worden geweigerd als een bestuurlijke boete is opgelegd voor een arbeidsgerelateerde overtreding of na een onherroepelijke veroordeling wegens een arbeidsgerelateerd delict. Deze leden zijn benieuwd of de regering kan ingaan op de situatie dat een ondernemer, die in overtreding is geweest, een nieuw bedrijf start. Bestaat er bij dat nieuwe bedrijf ook de mogelijkheid om de tewerkstellingsvergunning te weigeren? Zo nee, zijn er beleidsopties overwogen om deze mogelijkheid te bewerkstelligen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze de regering bij het vaststellen van een marktconforme betaling rekening houdt met CAO afspraken.

De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat het UWV een discretionaire bevoegdheid krijgt om af te wijken van de bepaling dat in geval van een overtreding van een arbeidsgerelateerd delict uit de Arbeidstijdenwet of de Arbeidsomstandighedenwet of mensenhandel ene nieuwe tewerkstellingsvergunning onmogelijk is. Kan de regering nader toelichten op basis van welke criteria het UWV gebruik kan maken van de discretionaire bevoegdheid?

4. Stimuleren van de kenniseconomie

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan toelichten op welke wijze het onderhavige wetsvoorstel bijdraagt aan het stimuleren van de kenniseconomie.

5. Overige onderwerpen

De leden van de VVD-fractie vragen ten aanzien van de voorstellen om de duur van een tewerkstellingsvergunning aan te passen of de regering kan toelichten wat op dit moment de huidige maximale duur van een tewerkstellingsvergunning is. Is het waar dat de tewerkstellingsvergunningen, waarvoor geen arbeidsmarkttoets wordt verstrekt, gehandhaafd blijven op drie jaar? Welk percentage van het aantal aangevraagd vergunningen wordt nu verlengd? Kan de regering toelichten welk percentage van het aantal aangevraagde vergunningen wordt toegekend?

De leden van de VVD-fractie vragen ten aanzien van het voorstel om de schorsende werking van bezwaar en beroep op te heffen of de regering nader kan toelichten op welke wijze de rechtszekerheid van de werkgever is gewaarborgd als na bezwaar en beroep vast komt te staan dat een intrekking onterecht heeft plaatsgevonden.

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de regering een aantal maatregelen neemt, die bedoeld zijn om eenvoud en flexibiliteit te bevorderen. Zo wordt voor het UWV de mogelijkheid geschapen om de verplichte termijn van openstelling van vijf weken voor een vacature in het kader van beschikbaarheid van prioriteitstellend aanbod in te korten indien aantoonbaar voldoende inspanningen zijn verricht voor werving en duidelijk is dat dit aanbod er niet is.

De leden van de PvdA- en ChristenUnie-fracties vragen voorts wat de criteria zijn op basis waarvan wordt vastgesteld dat een werkgever zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om passend aanbod te vinden, zodat de verplichte openstellingstermijn kan worden verkort.

De leden van de PVV-fractie vragen of de regering nader kan toelichten of de bepalingen in het onderhavige wetsvoorstel ten aanzien van werknemers uit Bulgarije, Roemenië of Turkije kunnen leiden tot restrictievere situaties dan op dit moment? Kan de regering hiervan voorbeelden geven?

De leden van de CDA-fractie constateren dat bij intrekking van de tewerkstellingsvergunning de desbetreffende werknemer wordt beschouwd als onvrijwillig werkloos. Wat betekent dat voor eventuele aanspraken op WW-rechten en bijstand?

De leden van de D66-fractie constateren dat arbeidsmigranten na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel in plaats van drie, vijf jaar moeten wachten, totdat zij zich vrij op de Nederlandse arbeidsmarkt kunnen bewegen. Deze leden vragen welke effecten deze maatregel heeft op het aantal arbeidsmigranten in Nederland. Kan de regering ingaan op eventuele risico’s met betrekking tot meer illegaliteit? Heeft deze maatregel effecten op de aanspraak van arbeidsmigranten van buiten de EU op Nederlandse sociale zekerheid?

6. Financiële gevolgen en administratieve lasten

De leden van de VVD-fractie vragen of voor specifiek hoog opgeleid personeel en ondernemingen met specifiek hoog opgeleid personeel ook een vrijstelling bestaat als deze ondernemingen of dit personeel naar Nederland komt voor bijvoorbeeld scholing of een conferentie. Is voor degelijke activiteiten een tewerkstellingsvergunning nodig? In hoeverre leidt dit naar de mening van de regering tot onnodige administratieve laten?

Deze leden vragen hoe groot de afname van de administratieve lasten voor bedrijven op termijn is. Is het juist dat dit 0,3 mln. betreft?

De leden van de PVV-fractie hebben ten aanzien van de financiële gevolgen en administratieve lasten kennis genomen van de volgende passage uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel: «Als een tewerkstellingsvergunning voor een jaar wordt toegekend kan deze tijd gebruikt worden een werknemer uit Nederland of de rest van de EU op te leiden voor de desbetreffende functie, zodat niet opnieuw een vergunning hoeft te worden aangevraagd. De verwachting is daarom dat het aantal tewerkstellingsvergunningen, en daarmee de administratieve lastendruk die uit deze maatregel voortkomen, substantieel zal dalen.» Deze leden vragen hoe de regering aan deze passage invulling denkt te kunnen geven.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering een berekening te maken van de administratieve lasten van het onderhavige wetsvoorstel zonder daarin het autonome feit mee te nemen dat er door een groter vrijgesteld arbeidsaanbod uit EU-lidstaten er minder aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning zullen zijn. Een dergelijke afname kan in de visie van deze leden immers moeilijk als administratieve lastenverlichting als gevolg van het onderhavige wetsvoorstel worden gezien.

7. Uitvoerings- en handhavingstoets

De leden van de VVD- en D66-fracties vragen ten aanzien van de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel of het onderhavige wetsvoorstel aan werkgevers is voorgelegd. De leden van de D66-fractie zijn daarbij benieuwd of het wetsvoorstel ook is voorgelegd aan sociale partners, zoals VNO-NCW en vakbonden? Zo nee, is de regering bereid om dit alsnog te doen? Deze leden vragen daarbij voorts of de regering de reacties van deze organisaties kan delen met de Kamer.

De leden van de VVD- en PvdA-fracties hebben voorts enkele vragen over de uitvoering van het wetsvoorstel. Zij wijzen erop dat het wetvoorstel uitvoerbaar wordt geacht door de IND, maar de IND heeft ook aangegeven de uitvoeringslasten moeilijk raambaar te vinden. Op welke wijze zal over de voorgestelde wijzigingen met bedrijven en werknemers worden gecommuniceerd? Wat is de verwachting van de regering over de benodigde periode voor aanpassing van de diverse communicatie- en administratiesystemen van het UWV en de IND? Is dit ook afhankelijk van het volledig operationeel zijn van Indigo bij de IND? Wat zijn de gevolgen van het onderhavige wetsvoorstel voor de handhavingsinspanningen?

De leden van de PVV-fractie wijzen ten aanzien van de uitvoerings- en handhavingstoets op de volgende passage uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel:

«Een aantal voorstellen in de wijzigingswet Wav is niet in lijn met het beleid van het Moderne Migratiebeleid (Momi). Dit geldt in het bijzonder voor de beperking van de duur van de tewerkstellingsvergunning tot een jaar, welke maatregel administratieve lasten voor de bedrijven met zich meebrengt.»

Begrijpen de leden van de PVV-fractie het goed dat het onderhavige wetsvoorstel in strijd is met Momi? Zij vragen waar Momi is vastgelegd. Wie heeft Momi vastgelegd? Wat is de status van Momi? Wat zijn de consequenties voor het onderhavige wetsvoorstel als niet aan Momi wordt voldaan?

8. Overig

De leden van de VVD-fractie vragen wat het geplande tijdstip van inwerkingtreding is van het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de PVV-fractie vragen of het na inwerkingtreding van de voorgestelde wijzigingen nog mogelijk is op basis van de gewijzigde Wav een tewerkstellingsvergunning te krijgen voor van buiten de EU afkomstige personen als prostituant/prostituee?

II ARTIKELSGEWIJS

9. Artikel I

De leden van de VVD-, PvdA- en ChristenUnie-fracties vragen of de regering op grond van het voorgestelde artikel 4 van de Wav voornemens is om meer categorieën vreemdelingen aan te wijzen, waarvoor een tewerkstellingsvergunning met aantekening van de minister van SZW geldt, Zo ja, aan welke categorieën denkt de regering dan en kan de regering hiervan voorbeelden geven?

De leden van de PvdA- en ChristenUnie-fracties vragen of de regering met betrekking tot het voorgestelde artikel 5a van de Wav nader kan toelichten welke volkenrechtelijke verplichtingen kunnen leiden tot een limiet aan het aantal tewerkstellingsvergunningen.

De leden van de PvdA- en ChristenUnie-fracties vragen voorts om een nadere toelichting van de regering nader kan toelichten welke voorwaarden worden gesteld bij de uitwerking van het voorgestelde artikel 8, tweede lid, van de Wav. Kan de regering daarbij enkele situaties toelichten, waarbij deze voorwaarden worden toegepast? Is de regering voornemens een algemene maatregel van bestuur op te stellen ter uitwerking van artikel 8, derde lid, van de Wav? Zo ja, kan de regering nader toelichten wat haar voornemens op dit gebied zijn en op welke termijn deze algemene maatregel van bestuur zal worden opgesteld?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen daarbij om een nadere toelichting wanneer er sprake is van werkzaamheden waarvan het niet in het Nederlands belang is om deze door vreemdelingen te laten verrichten. Welke criteria hanteert de regering hiervoor?

De leden van de PVV-fractie constateren dat op grond van het voorgestelde artikel 8 van de Wav de weigeringsbevoegdheid een discretionaire bevoegdheid is van het UWV. Bovendien stellen deze leden vast dat er sprake is van een «kan-bepaling». Dit schept een facultatieve weigeringsgrond. De leden van de PVV-fractie achten hier een facultatieve weigeringsgrond niet geheel passend. Met name maken deze leden zijn bezwaar tegen de wettelijke ongeclausuleerdheid hiervan. Een zekere mate van delegatie moet in de visie van deze leden mogelijk zijn. De leden van de PVV-fractie achten het wenselijk dat het herziene delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen voorafgaand aan de bekendmaking aan de Kamer wordt toegezonden, zodat de Kamer met betrekking tot het nieuwe besluit kan doen wat zij passend acht.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

Adjunct-griffier van de commissie, Lips