Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333472 nr. 2

33 472 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van de kwaliteitswaarborgen voor het hoger onderwijs alsmede tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de introductie van een aanwijzingsbevoegdheid voor de minister (Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs)

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat uit onderzoek is gebleken dat het noodzakelijk is de kwaliteit van het hoger onderwijs beter te waarborgen en dat er behoefte bestaat aan uitbreiding van de bestaande handhavingsinstrumenten in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs met een aanwijzingsbevoegdheid voor Onze minister;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 wordt onder verlettering van de onderdelen r tot en met t1 tot p tot en met s een onderdeel t ingevoegd, luidende:

t. visitatiegroep:

opleidingen die onderwijsinhoudelijk met elkaar overeenkomen;.

B

Artikel 1.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van het eerste lid wordt een volzin ingevoegd, luidende:

De beoordeling van de kwaliteit van de opleidingen ten behoeve van de accreditatie is een taak van de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5a.2, tweede lid.

2. In het derde lid vervalt de vierde volzin.

3. Het vierde lid vervalt.

C

Artikel 5a.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het accreditatieorgaan is tevens belast met het instellen van een commissie van deskundigen die adviseert over de aanvraag voor een toets nieuwe opleiding of voor de instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast benoemt het accreditatieorgaan een commissie van deskundigen voor de beoordeling van een aanvraag om accreditatie. Het accreditatieorgaan volgt daarbij het voorstel van de gezamenlijke instellingsbesturen waarvan de opleidingen tot dezelfde visitatiegroep behoren als hij van oordeel is dat het voorstel leidt tot een commissie van deskundigen die onafhankelijk en deskundig is en dat tegenover de werkzaamheden een redelijke vergoeding staat. Indien een gezamenlijk voorstel als bedoeld in de vorige volzin uitblijft of het voorstel niet voldoet aan de daar genoemde eisen, benoemt het accreditatieorgaan de commissie van deskundigen, na overleg met de betrokken instellingsbesturen. Van de in de vorige volzinnen bedoelde commissies van deskundigen maakt een student deel uit.

2. Na het derde lid wordt een lid 3a ingevoegd, luidende:

  • 3a. Het accreditatieorgaan deelt de opleidingen die door de instellingen worden verzorgd in visitatiegroepen in, nadat de betreffende instellingsbesturen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen.

D

In artikel 5a.2a, eerste lid, wordt na «instellingstoets kwaliteitszorg» ingevoegd:, de samenstelling van een visitatiegroep.

E

Artikel 5a.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «het instemmen met» vervangen door: het benoemen van.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel c vervalt de zinsnede «alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,».

b. Onder verlettering van de onderdelen d tot en met f tot de onderdelen e tot en met g wordt een nieuw onderdeel d ingevoegd dat luidt:

  • d. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,.

3. Na het tweede lid wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De beoordeling van de aanvraag om accreditatie verricht het accreditatieorgaan gezamenlijk en in dezelfde periode voor alle opleidingen die tot een visitatiegroep behoren en waarvoor de termijn van een verleende accreditatie binnen één jaar verstrijkt of waarvoor een besluit toets nieuwe opleiding binnen één jaar vervalt.

F

Artikel 5a.9 komt te luiden:

Artikel 5a.9

  • 1. Accreditatie wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.

  • 2. Een aanvraag om accreditatie wordt voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum bij het accreditatieorgaan ingediend. De datum kan per visitatiegroep verschillen.

  • 3. De beoordeling van de aanvraag vindt ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor accreditatie op grond van artikel 5a.8, eerste lid, of 5a.13f, tweede lid, en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, of 5a.13f, eerste lid.

  • 4. Het accreditatieorgaan neemt binnen drie maanden na de uiterste aanvraagdatum een besluit op de aanvraag. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop het besluit is genomen.

  • 5. Het accreditatieorgaan verleent geen accreditatie indien een van de criteria, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, onder c en d, door hem als onvoldoende is beoordeeld.

  • 6. Indien het accreditatieorgaan besluit dat geen accreditatie wordt verleend omdat bij de beoordeling door de in artikel 5a.2, tweede lid, bedoelde commissie van deskundigen het derde lid, niet in acht is genomen, treedt, in afwijking van het vierde lid, dat besluit in werking met ingang van de dag van bekendmaking daarvan en kan binnen een jaar na die bekendmaking, een nieuwe aanvraag om accreditatie worden ingediend. In afwijking van het zevende lid, is de periode van de accreditatie alsdan verlengd tot het moment dat, onder de voorwaarden van het achtste lid, op de aanvraag om accreditatie is beslist.

  • 7. Het besluit tot het verlenen van accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit.

  • 8. Indien een instellingsbestuur voor de datum, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om accreditatie heeft ingediend, is, in afwijking van het zevende lid, de periode van de accreditatie verlengd tot het moment dat op de aanvraag om accreditatie is beslist indien het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.

  • 9. De instelling is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de aanvraag om accreditatie en visitatie waaronder begrepen de kosten van de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5a.2, tweede lid, overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.

  • 10. In afwijking van het zevende lid kan Onze minister de termijn van accreditatie verlengen met maximaal twee jaar ten behoeve van de gelijktijdige beoordeling van de visitatiegroep.

G

Artikel 5a.10a wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde lid tot het vijfde lid worden na het tweede lid twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:

  • 3. Indien de toets nieuwe opleiding is aangevraagd voor een opleiding waaraan op het moment van de aanvraag al feitelijk onderwijs wordt verzorgd, worden in plaats van de in het tweede lid onder a en c genoemde aspecten beoordeeld:

    • a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, en

    • b. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

  • 4. Indien de toets nieuwe opleiding is aangevraagd voor een opleiding waaraan op het moment van de aanvraag nog geen feitelijk onderwijs wordt verzorgd, worden drie jaar nadat de toets nieuwe opleiding is verleend, de volgende aspecten van kwaliteit beoordeeld:

    • a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, en

    • b. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

2. Aan het slot van het nieuwe vijfde lid vervalt de zinsnede «, en op grond van artikel 5a.9, derde lid».

H

Artikel 5a.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt na «voor de opleiding passend is» ingevoegd: en tot welke visitatiegroep de opleiding wordt gerekend.

2. In onderdeel b van het zesde lid vervalt: in afwijking van onderdeel a,.

3. Onder vernummering van het zevende en achtste lid tot het achtste en negende lid, wordt een nieuw zevende lid ingevoegd dat luidt als volgt:

  • 7. De toets nieuwe opleiding vervalt eveneens als de beoordeling, bedoeld in artikel 5a.10a, vierde lid, van een of beide aspecten in dat lid genoemd onder a en b, onvoldoende is, tenzij het accreditatieorgaan besluit een herstelperiode toe te kennen als bedoeld in artikel 5a.12a. De herstelperiode bedraagt in dat geval ten hoogste een jaar. Artikel 5a.12a is voor het overige van overeenkomstige toepassing.

4. In het nieuwe negende lid vervalt de zinsnede «, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin,».

5. Na het nieuwe negende lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 10. Onze minister kan de termijn van het besluit toets nieuwe opleidingen met maximaal twee jaar verlengen in verband met de gelijktijdige beoordeling van de visitatiegroep.

I

In artikel 5a.12, vijfde lid, wordt de zinsnede «waaraan binnen de termijn, genoemd in artikel 5a.11, zesde lid, of artikel 5a.12a, eerste lid,» vervangen door: aansluitend.

J

Artikel 5a.13d, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Het accreditatieorgaan legt zijn oordeel vast in een rapport dat in ieder geval het besluit op de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg bevat. Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 5a.10 is van overeenkomstige toepassing.

K

In het vijfde lid van artikel 5a.13e komt de zinsnede «artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen d tot en met f, of artikel 5a.10, tweede lid,» te luiden: artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen e tot en met g, of artikel 5a.10a, tweede lid,.

L

Artikel 5a.13f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Aan het slot van onderdeel b vervalt het woord «en».

b. Onderdeel c wordt gewijzigd als volgt:

1. Na «gangbaar is,» wordt ingevoegd: en.

2. De zinsnede: «alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.» vervalt.

c. Na onderdeel c wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

2. In het tweede lid wordt «5a.8, eerste lid,» vervangen door: 5a.8, tweede lid,.

M

In het tweede lid van artikel 5a.13g wordt «5a.10a, eerste lid,» vervangen door: 5a.10a, tweede lid,.

N

In artikel 6.13, vierde lid, onderdeel m, wordt «artikel 5a.12, vierde volzin, onderdeel b» vervangen door: artikel 5a.12, eerste lid, vierde volzin, onder b,.

O

Aan artikel 7.3 wordt na het vierde lid een vijfde lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het examen, bedoeld in het derde lid, dat met goed gevolg is afgelegd en de met het oog daarop vervaardigde werkstukken worden door het instellingsbestuur gedurende een periode van ten minste zeven jaar bewaard.

P

Artikel 7.12a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de tweede volzin.

2. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Bij de benoeming van de leden van de examencommissie draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat:

    • a. ten minste één lid als docent verbonden is aan de desbetreffende opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort;

    • b. ten minste één lid afkomstig is van buiten de desbetreffende opleiding of een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort;

    • c. leden van het instellingsbestuur of personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling niet worden benoemd.

Q

In onderdeel v, van het tweede lid van artikel 7.13, vervalt «, en». Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel w door «, en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • x. de feitelijke vormgeving van het onderwijs.

R

Na artikel 9.9 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.9a. Aanwijzing

  • 1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze minister de raad van toezicht een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

  • 2. Onder wanbeheer wordt verstaan:

    • a. financieel wanbeleid;

    • b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;

    • c. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde, en

    • d. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.

  • 3. In de aanwijzing geeft Onze minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

  • 4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de raad van toezicht aan de aanwijzing moet voldoen.

  • 5. Voordat Onze minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:

    • a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;

    • b. heeft de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en

    • c. stelt Onze minister de raad van toezicht gedurende vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.

S

In het tweede lid van artikel 9.51 wordt de zesde volzin vervangen door: In dat geval zijn de artikelen 9.8 tot en met 9.9a van overeenkomstige toepassing.

T

Na artikel 10.3d wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.3e. Aanwijzing

  • 1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze minister de raad van toezicht een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

  • 2. Onder wanbeheer wordt verstaan:

    • a. financieel wanbeleid;

    • b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;

    • c. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde, en

    • d. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.

  • 3. In de aanwijzing geeft Onze minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

  • 4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de raad van toezicht aan de aanwijzing moet voldoen.

  • 5. Voordat Onze minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:

    • a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;

    • b. heeft de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en

    • c. stelt Onze minister de raad van toezicht vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.

  • 6. Indien de hogeschool een functionele scheiding als bedoeld in artikel 10.3d, zevende lid, heeft aangebracht, zijn het eerste tot en met het vijfde lid van overeenkomstige toepassing.

U

Na artikel 11.7 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11.7a. Aanwijzing

  • 1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze minister de raad van toezicht een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

  • 2. Onder wanbeheer wordt verstaan:

    • a. financieel wanbeleid;

    • b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;

    • c. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde, en

    • d. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.

  • 3. In de aanwijzing geeft Onze minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

  • 4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de raad van toezicht aan de aanwijzing moet voldoen.

  • 5. Voordat Onze minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:

    • a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;

    • b. heeft de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en

    • c. stelt Onze minister de raad van toezicht vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.

V

In artikel 15.1, eerste lid, wordt na «bij of krachtens deze wet» een zinsnede ingevoegd, luidende: dan wel indien de raad van toezicht een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.9a, 9.51, tweede lid, zesde volzin, 10.3e onderscheidenlijk 11.7a of het bestuur een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.51, achtste lid, niet opvolgt.

W

Na artikel 18.32a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 18.32 ab. Overgangsrecht bevoegdheden minister voor opleidingen waarbij de vervaldatum van het accreditatiebesluit bepaald is

Onze minister kan besluiten de vervaldatum van het besluit tot verlening van accreditatie eenmalig te wijzigen.

Artikel 18.32 ac. Overgangsrecht bevoegdheden minister voor opleidingen waarbij de vervaldatum van tno bepaald is

Onze minister kan besluiten de vervaldatum van het besluit tot verlening van de toets nieuwe opleiding eenmalig te wijzigen.

X

Artikel 18.32c, derde lid, komt te luiden als volgt:

  • 3. Een besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding in het kader van het invoeringsregime vervalt in afwijking van artikel 5a.9, zevende lid, onderscheidenlijk artikel 5a.11, zesde lid, onder a, na vier jaar.

ARTIKEL II

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 9.1.4 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.1.4a. Aanwijzing

  • 1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze minister de raad van toezicht een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

  • 2. Onder wanbeheer wordt verstaan:

    • a. financieel wanbeleid;

    • b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;

    • c. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde, en

    • d. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.

  • 3. In de aanwijzing geeft Onze minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.

  • 4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de raad van toezicht aan de aanwijzing moet voldoen.

  • 5. Voordat Onze minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:

    • a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;

    • b. heeft de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en

    • c. stelt Onze minister de raad van toezicht vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.

B

De tweede volzin van artikel 9.1.8 komt te luiden: De artikelen 9.1.4, tweede tot en met vijfde lid, 9.1.4a en 9.1.7 zijn van overeenkomstige toepassing.

C

In artikel 11.1, eerste lid, wordt na «bij of krachtens deze wet» een zinsnede ingevoegd, luidende: dan wel indien de raad van toezicht een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.1.4a niet opvolgt.

ARTIKEL III

De Wet op het onderwijstoezicht wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt onder verlettering van de onderdelen h tot en met m tot de onderdelen i tot en met n na onderdeel g een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

h. instelling voor hoger onderwijs:

een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,.

B

Artikel 3, tweede lid, onderdeel c, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «artikel 1.1, onderdelen s en t,» wordt vervangen door: artikel 1.1, onderdelen q, r en s,.

2. Na «wetenschappelijk onderzoek» wordt ingevoegd: en het onderzoeken van de kwaliteit van het onderwijs aan een instelling voor hoger onderwijs anders dan ten behoeve van de accreditatie in het hoger onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 5a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,.

C

In artikel 4, derde lid, vervalt de zinsnede: , met uitzondering van het hoger onderwijs,.

D

Artikel 10, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De artikelen 11 en 15 zijn niet van toepassing op de instellingen voor hoger onderwijs.

E

In artikel 12, eerste lid, wordt «artikel 11, eerste lid,» vervangen door: de artikelen 11 en 12a.

F

Artikel 12a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «, als bedoeld in artikel 10, eerste lid».

2. In het tweede lid wordt na «onderzoekt de Inspectie» ingevoegd: mede.

3. In het derde lid vervalt de zinsnede «in incidentele gevallen» en wordt na «kan de inspectie» ingevoegd: naar aanleiding van signalen van buitenaf die mogelijk kunnen leiden tot gevolgen op stelselniveau.

4. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken kan de inspectie naar aanleiding van door haarzelf gesignaleerde ernstige risico’s met mogelijke gevolgen op stelselniveau in incidentele gevallen onder door Onze Minister te stellen voorwaarden uit eigen beweging onderzoek verrichten, voorzover dat niet de bevoegdheid van het accreditatieorgaan, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, betreft.

5. Na het nieuwe vijfde lid wordt een zesde lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien het onderzoek, bedoeld in het derde of vierde lid, mede de kwaliteit van het onderwijs omvat, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, bij haar onderzoek.

G

In artikel 13, eerste lid, wordt «artikel 11» vervangen door: de artikelen 11 en 12a.

ARTIKEL IV OVERGANGSBEPALING WHW

Tot 1 september 2015 wordt artikel 7.12a, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek als volgt gelezen:

  • 3. Bij de benoeming van de leden van de examencommissie draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat:

    • a. ten minste één lid als docent verbonden is aan de desbetreffende opleiding of aan een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort;

    • b. voor zover het een hogeschool betreft ten minste één lid afkomstig is van buiten de desbetreffende opleiding of een van de opleidingen die tot de groep van opleidingen behoort;

    • c. leden van het instellingsbestuur of personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling niet worden benoemd.

ARTIKEL V TOEZICHT

A

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, binnen vier jaar na de inwerkingtreding van artikel III, onderdelen D en F, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het risicogericht toezicht op het hoger onderwijs door de inspectie van het onderwijs in de praktijk.

B

De Wet op het onderwijstoezicht wordt met ingang van 1 september 2017 als volgt gewijzigd:

1. Artikel 10, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De artikelen 11, 12 en 15 zijn niet van toepassing op de instellingen voor hoger onderwijs.

2. Artikel 12a komt als volgt te luiden:

Artikel 12a. Onderzoek hoger onderwijs

  • 1. Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie met inachtneming van artikel 4 de naleving van de wettelijke voorschriften en de financiële rechtmatigheid bij instellingen voor hoger onderwijs.

  • 2. Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie ontwikkelingen in het stelsel van hoger onderwijs.

  • 3. Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken kan de inspectie naar aanleiding van signalen van buitenaf in incidentele gevallen onderzoek verrichten op aanwijzing van de minister dan wel uit eigen beweging onder door Onze Minister te stellen voorwaarden. Dit onderzoek kan mede de kwaliteit van het onderwijs omvatten.

  • 4. Artikel 11, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

  • 5. Indien het onderzoek, bedoeld in het derde lid, mede de kwaliteit van het onderwijs omvat, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, bij haar onderzoek

C

Naar aanleiding van de uitkomsten van de in onderdeel A bedoelde evaluatie kan het tijdstip van 1 september 2017, genoemd in onderdeel B, bij koninklijk besluit worden gewijzigd in een ander tijdstip.

ARTIKEL VI CITEERTITEL

Deze wet wordt aangehaald als: Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs.

ARTIKEL VII INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,