Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333426 nr. 12

33 426 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de verspreiding van televisie- en radio programmakanalen door middel van omroepnetwerken en omroepzenders en de vaststelling van de minimale omvang van het standaardpakket televisie- en radioprogrammakanalen

Nr. 12 AMENDEMENT VAN HET LID VAN DAM

Ontvangen 4 juni 2013

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel F, wordt de laatste volzin van artikel 6.13, tweede lid, vervangen door:

De programmakanalen worden integraal en ongewijzigd verspreid, met bijbehorende faciliteiten. Het is de pakketaanbieder niet toegestaan een deel van het signaal te blokkeren, te bewerken of te vervangen.

Toelichting

In de vorig jaar door het parlement aanvaarde wijziging van de Telecommunicatiewet is op basis van het amendement Verhoeven c.s. (32 549, nr. 29) artikel 7.4a opgenomen. Dat artikel legde de zogeheten netneutraliteit vast. Daarmee is gegarandeerd dat een internetaanbieder zijn positie als schakel tussen consument en internet niet mag gebruiken om diensten van derden te belemmeren of te vertragen. Dat voorkomt onder meer oneerlijke concurrentie tussen de aanbieder van internettoegang die vaak zelf ook diensten aanbiedt enerzijds en concurrerende dienstenaanbieders anderzijds. Omroepnetwerken en omroepsignalen hebben een specifieke positie die is vastgelegd in de Mediawet. Naar analogie van de netneutraliteit is ook hier het blokkeren, bewerken of vervangen van delen van het omroepsignaal niet wenselijk. De regering heeft dat onderkend met de vastlegging dat programmakanalen ongewijzigd dienen te worden verspreid. De voorliggende wetstekst maakt echter niet geheel duidelijk of die waarborg geldt voor het integrale signaal zoals dat door zenders wordt aangeboden. Indiener beoogt met voorliggend amendement te verduidelijken dat de integriteit van het signaal door pakketaanbieders gerespecteerd dient te worden. Concreet gaat het daarbij om faciliteiten die worden meegezonden met het hoofdsignaal. Te denken valt daarbij onder andere aan faciliteiten ten behoeve van ondertiteling, gesproken ondertiteling voor blinden en slechtzienden, het nog relatief onbekende HbbTV en de daarmee meegezonden digitale informatie, het RDS-signaal, of andere diensten die worden meegezonden via dezelfde transmissieruimte als die wordt gebruikt voor de verspreiding van radio of televisieprogramma’s. Met dit amendement wordt de tweede volzin van het tweede lid van het nieuwe artikel 6.13 wat dat betreft verduidelijkt. Daarin staat dat de programmakanalen van alle zenders in het standaardprogrammapakket ongewijzigd dienen te worden verspreid. Indiener wil met dit amendement zeker stellen dat die ongewijzigde verspreiding niet alleen het hoofdsignaal betreft, maar ook bijbehorende faciliteiten en informatie en dat derhalve niet een deel van het signaal mag worden geblokkeerd, bewerkt of zelfs mag worden vervangen door alternatief aanbod van de pakketaanbieder zelf of van een derde dienstaanbieder. Met de term «bijbehorende faciliteiten» wordt benadrukt dat de faciliteiten gerelateerd moeten zijn aan het hoofdsignaal.

Dit voorkomt onder meer dat commerciële omroepen in hun verdienmogelijkheden ernstig kunnen worden beperkt doordat hun aanbod niet volledig wordt doorgegeven aan de consument of dat de publieke mediadienst niet in volle omvang kan worden aangeboden aan de kijker. Immers, interactieve diensten zoals HbbTV maken daar integraal onderdeel van uit. Maar het voorkomt bijvoorbeeld ook dat het geluidssignaal wordt omgezet van stereo in mono of dat faciliteiten voor groepen consumenten die daarvan afhankelijk zijn wegens een beperking niet op de juiste wijze en in volle omvang worden meegezonden met het hoofdsignaal. Vooral voor gesproken ondertiteling voor blinden en slechtzienden is dat cruciaal.

Van Dam