Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333402 nr. 8

33 402 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2013)

Nr. 8 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 23 oktober 2012

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel B wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

Artikel 6.13, tweede lid, komt te luiden:

2. Als uitgaven als bedoeld in het eerste lid worden niet aangemerkt uitgaven die op de voet van afdeling 6.5 in aanmerking worden genomen.

b. Het in onderdeel D opgenomen artikel 6.27, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 komt te luiden:

a. lesgeld, cursusgeld, collegegeld, examengeld als bedoeld in artikel 7.44 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of promotiekosten;.

c. In onderdeel G, onder 3, wordt «achttien jaren» vervangen door: achttien jaar.

d. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

J

In artikel 10.10, vierde lid, wordt «artikel 4.1» vervangen door: artikel 3.1.

2

Het in artikel IX opgenomen artikel 22bis van de Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zevende lid komt te luiden:

7. De pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, die in gebreke is gebleven om de mededeling, bedoeld in dat lid, te doen, dan wel die handelt in strijd met het vijfde lid, is op vordering van de ontvanger verplicht een met bescheiden gestaafde verklaring te doen omtrent de executiewaarde van de bodemzaak.

2. Na het zevende lid worden, onder vernummering van het achtste en negende lid tot zeventiende en achttiende lid, negen leden ingevoegd, luidende:

  • 8. De verklaring, bedoeld in het zevende lid, moet geschieden binnen veertien dagen na de dagtekening van de brief van de ontvanger waarin om verklaring wordt verzocht.

  • 9. De ontvanger stelt de executiewaarde van de bodemzaak vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 10. De pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, is verplicht tot betaling van een bedrag bestaande uit de executiewaarde van de bodemzaak tot een beloop van maximaal het bedrag van de verschuldigde rijksbelastingen, bedoeld in artikel 22, derde lid, op het tijdstip waarop de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert. De ontvanger stelt het beloop van de betalingsverplichting vast in de beschikking, bedoeld in het negende lid.

  • 11. Voor de uit de beschikking, bedoeld in het tiende lid, voortvloeiende betalingsverplichting geldt een betalingstermijn van veertien dagen na de dagtekening van de beschikking.

  • 12. Indien de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, het bedrag, bedoeld in het tiende lid, niet binnen de gestelde termijn betaalt, vordert de ontvanger dat bedrag in, als ware dat bedrag een rijksbelasting.

  • 13. Betalingen gedaan ingevolge het elfde lid door de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, komen in mindering op de belastingschulden, bedoeld in het tiende lid, van de belastingschuldige wiens bodemzaak het betrof, met uitzondering van rente, kosten en boeten die zijn verschuldigd door de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid.

  • 14. De bevoegdheden van de ontvanger op grond van het zevende, negende, tiende en twaalfde lid vervallen één jaar na het tijdstip waarop de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert, tenzij de ontvanger binnen dat jaar van de pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, een met bescheiden gestaafde verklaring heeft gevorderd omtrent de executiewaarde van de zaak.

  • 15. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking, bedoeld in het negende lid, is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

  • 16. De pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, die op grond van het achtste lid tijdig heeft verklaard en tijdig heeft betaald ingevolge het elfde lid, heeft voor het bedrag dat hij aan de ontvanger heeft betaald verhaal op belastingschuldige, bedoeld in het eerste lid. Bij dit verhaal vindt geen subrogatie plaats in het voorrecht van artikel 21, eerste lid.

3

Na artikel IX worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IXA

De Belastingwet BES wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4.4, onderdeel i, vervalt.

B

Artikel 4.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Indien de waarde van een onroerende zaak door toepassing van het eerste lid hoger wordt vastgesteld, wordt deze waardestijging, voor zover deze voortvloeit uit bouw, verbouw, verbetering, uitbreiding of renovatie van de desbetreffende onroerende zaak, eerst in aanmerking genomen bij het begin van het zesde kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin deze waardestijging zich heeft voorgedaan. De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot onroerende zaken waarvan het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht berust bij een rechtspersoon die op grond van artikel 5.4 van de Douane- en Accijnswet BES is toegelaten tot een handels- en dienstenentrepot.

C

Artikel 4.9 komt te luiden:

Artikel 4.9

  • 1. De belasting bedraagt 15% van de voordelen uit een onroerende zaak.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de belasting 5% van de voordelen uit een onroerende zaak indien de onroerende zaak een hotel betreft.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een hotel verstaan een onroerende zaak die of een complex van onroerende zaken dat bedrijfsmatig door een niet-natuurlijke persoon wordt geëxploiteerd, geheel of nagenoeg geheel gericht is op kortdurend verblijf van toeristen en beschikt over volwaardige gemeenschappelijke hotelvoorzieningen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden worden gesteld waaraan een onroerende zaak moet voldoen om voor de toepassing van het tweede lid als hotel te worden aangemerkt.

D

Artikel 4.9 wordt als volgt gewijzigd.

1. In het eerste lid wordt «15%» vervangen door: 20%.

2. In het tweede lid wordt «5%» vervangen door: 10%.

E

In artikel 4.10, eerste lid, wordt «de onroerende zaak.» vervangen door: de onroerende zaak, met dien verstande dat ingeval de onroerende zaak een woning, niet zijnde een woning als bedoeld in artikel 4.4, onderdeel a, betreft en degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van die onroerende zaak heeft een natuurlijk persoon is de voordelen worden gesteld op 4% van de waarde, voor zover deze waarde meer bedraagt dan USD 50 000. Voor de toepassing van de eerste volzin is, mits alle eigenaren natuurlijke personen zijn, artikel 4.2, derde lid, van overeenkomstige toepassing en kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld om te bepalen of sprake is van een tweede woning.

F

Artikel 6.11, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de levering van eerste levensbehoeften, voor zover behorend tot bij ministeriële regeling aan te wijzen hoofdstukken of posten van het geharmoniseerde systeem, genoemd in artikel 3.1 tweede lid, onderdeel a, van de Douane- en Accijnswet BES;.

G

Artikel 6.20, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

c. voor de invoer van eerste levensbehoeften, geneesmiddelen en medische kunst- en hulpmiddelen als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, onderdelen a, d en e, alsmede van andere goederen waarvan de levering in het openbare lichaam is vrijgesteld.

ARTIKEL IXB

In de Douane- en Accijnswet BES wordt artikel 4.8 als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «USD 41,86» vervangen door: USD 31,86.

2. In onderdeel b wordt «USD 34,27» vervangen door: USD 24,27.

4

In artikel XI wordt na het derde lid, onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

5. Artikel IXA, onderdelen A, C en E, werkt terug tot en met 1 januari 2011.

TOELICHTING

I. Algemeen

Inleiding

Deze nota van wijziging brengt enkele wijzigingen aan in de aftrek uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, in de aftrek voor scholingsuitgaven, in de bepalingen ter zake van de constructiebestrijding bodemrecht en bodemvoorrecht en in de belastingtarieven in Caribisch Nederland. Daarnaast wordt een wijziging van meer technische aard aangebracht.

De wijzigingen die met ingang van 1 september 2011 binnen de aftrek uitgaven voor levensonderhoud van kinderen en de aftrek scholingsuitgaven zijn aangebracht als gevolg van invoering van de Wet verhoging collegegeld langstudeerders worden met ingang van 1 januari 2013 aangepast als gevolg van het per die datum laten vervallen van de verhoging van het collegegeld voor langstudeerders.

De tekst van het wetsvoorstel op het punt van de constructiebestrijding bodemrecht en bodemvoorrecht wordt op een aantal punten aangepast. Het gaat om regres van de pandhouder/zekerheidseigenaar voor het bedrag dat aan de ontvanger is afgedragen, een vervaltermijn ter zake van de bevoegdheden van de ontvanger die uit de meldingsregeling voortvloeien en rechtsbescherming ter zake van de vaststelling van de executiewaarde door de ontvanger. Ook worden de formele aspecten die samenhangen met de meldingsregeling inzake bodem(voor)recht vastgelegd.

Op 1 januari 2011 is het nieuwe fiscale stelsel van Caribisch Nederland in werking getreden. Bij de totstandkoming van dat stelsel is onder meer afgesproken dat er jaarlijks met de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overlegd zal worden over eventuele aanpassingen van dat stelsel. Daarnaast is met de eilandbesturen afgesproken dat de opbrengst van het nieuwe fiscale stelsel in het jaar van invoering, rekening houdend met de inflatie, ongeveer gelijk zou moeten zijn aan de opbrengst die het oude Nederlands Antilliaanse fiscale stelsel op Bonaire, Sint Eustatius en Saba genereerde.

In dat kader is vorig jaar in Overige fiscale maatregelen 2012 een pakket maatregelen opgenomen om het fiscale stelsel van Caribisch Nederland te verbeteren. Deze nota van wijziging bevat een volgend pakket maatregelen om het fiscale stelsel van Caribisch Nederland aan te passen. Dit nieuwe pakket neemt een aantal knelpunten in de economische ontwikkeling van de eilanden weg en verbetert de koopkracht van de burgers, met name doordat veel eerste levensbehoeften in prijs kunnen dalen.

Recent is via de Belastingdienst / Caribisch Nederland informatie beschikbaar gekomen over de (verwachte) opbrengst van de vastgoedbelasting en van de loon- en inkomstenbelasting. Dit waren de laatste belastingen waarover nog geen opbrengstgegevens beschikbaar waren. Op basis van deze informatie wordt thans verwacht dat het nieuwe fiscale stelsel van Caribisch Nederland over 2011 circa USD 5 miljoen meer zal opbrengen dan voorzien. Deze meeropbrengst wordt met name veroorzaakt door de vastgoedbelasting, die ten opzichte van de oorspronkelijke raming meer dan het dubbele op zal gaan brengen. Tegen deze achtergrond bezien is er USD 5 miljoen beschikbaar voor een pakket maatregelen om het fiscale stelsel van Caribisch Nederland te verbeteren. Over dit pakket is op 9 en 10 oktober met de bestuurders van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in Den Haag overleg gevoerd en overeenstemming bereikt. De Tweede Kamer is hierover bij brief van 10 oktober 2012 geïnformeerd.

Ter voorbereiding van dit bestuurlijke overleg hebben de eilandbesturen brieven gestuurd waarin enkele knelpunten worden beschreven maar ook suggesties worden gedaan om het fiscale stelsel te verbeteren. Ook van de Kamers van Koophandel en van enkele andere ondernemersorganisaties, zoals Bonhata op Bonaire, zijn suggesties ontvangen. Deze suggesties hebben een goede basis gevormd voor het constructieve overleg met de eilandbestuurders.

Voorgestelde maatregelen

Het met de bestuurders van Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeengekomen pakket maatregelen bestaat uit wijzigingen in de vastgoedbelasting, de algemene bestedingsbelasting (ABB) en de accijnzen.

Vastgoedbelasting

Wat betreft de vastgoedbelasting wordt voorgesteld om het effectieve tarief te verlagen van 1% naar 0,8%. Daarnaast wordt voorgesteld om het effectieve tarief van de vastgoedbelasting voor de hotelsector vast te stellen op de helft van het normale tarief. Voor hotels komt het tarief dan uit op 0,4%. Achtergrond van deze maatregel is dat de hotelsector naar zijn aard beschikt over omvangrijke onroerende zaken die vanwege de ligging (vaak aan of met uitzicht op de zee) veelal een zeer hoge waarde hebben, terwijl de rentabiliteit daar geen gelijke tred mee houdt. Er zijn veel signalen ontvangen dat de druk van de vastgoedbelasting in relatie tot de behaalde rendementen daardoor voor die sector fors kan oplopen maar ook dat extra investeringen hierdoor worden ontmoedigd. Dat is niet gewenst. Immers, de hotelsector vormt een zeer belangrijke pijler van de economieën van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en levert veel werkgelegenheid op. Het stimuleren van die sector via deze tariefverlaging en via de hieronder toe te lichten investeringsfaciliteit in de vastgoedbelasting, kan een impuls opleveren voor de eilandeconomieën en daarmee bijdragen aan een verdere ontwikkeling van de eilanden. De tariefverlaging voor de hotelsector geldt overigens niet uitsluitend voor hotels, maar ook voor appartementencomplexen die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd en die beschikken over volwaardige gemeenschappelijke hotelfaciliteiten, zoals een receptie, een restaurant en een schoonmaakservice. In de onderdeelsgewijze toelichting wordt nader ingegaan op de vraag wanneer een onroerende zaak als hotel kan worden aangemerkt en derhalve kwalificeert voor het verlaagde tarief.

Wat betreft tweede woningen die eigendom zijn van natuurlijke personen wordt voorgesteld om een vrijstelling aan de voet in te voeren van USD 50 000, ongeacht de woonplaats van de eigenaar. Laatstgenoemde maatregel komt in de plaats van de huidige vrijstelling van tweede woningen die in het bezit zijn van eilandbewoners. De huidige vrijstelling geldt alleen als de waarde van de tweede woning maximaal USD 50 000 is; bij een hogere waarde vervalt de vrijstelling. Bij de in deze nota van wijziging voorgestelde vrijstelling aan de voet wordt de eerste USD 50 000 van de waarde van een tweede woning vrijgesteld. De voorgestelde maatregelen leiden ertoe dat over een tweede woning met een waarde van bijvoorbeeld USD 160 000 vanaf 2013, tot het moment dat er een nieuwe waardebeschikking van toepassing wordt, jaarlijks USD 880 vastgoedbelasting zal moeten worden betaald (USD 160 000 -/- USD 50 000 vrijstelling = USD 110 000, vermenigvuldigd met een effectief tarief van 0,8%). Zonder de hiervoor genoemde maatregelen zou over deze tweede woning elk jaar USD 1 600 vastgoedbelasting moeten worden betaald (1% van USD 160 000).

De hiervoor genoemde maatregelen in de vastgoedbelasting kosten structureel USD 3,1 miljoen en werken terug tot en met 1 januari 2011.

Voorts wordt voorgesteld om met ingang van 1 januari 2013 een investeringsfaciliteit in de vastgoedbelasting op te nemen. Deze investeringsfaciliteit komt erop neer dat in situaties waarin als gevolg van bouw, verbouw, verbetering, renovatie of uitbreiding de waarde van een onroerende zaak stijgt, de uit een dergelijke investering voortvloeiende waardestijging pas na minimaal vijf jaar in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de waardegrondslag waarover vastgoedbelasting moet worden betaald. Dit kan aan de hand van het volgende voorbeeld worden geïllustreerd.

Stel ondernemer A beschikt over een bedrijfspand met een waarde van USD 2 miljoen. Dit pand is enigszins vervallen en wordt in de loop van 2013 voor USD 3 miljoen opgeknapt. In november 2013 is de renovatie afgerond en is de waarde van het pand USD 5 miljoen. Volgens het huidige systeem van de vastgoedbelasting zou vanaf 2014 over een waarde van USD 5 miljoen vastgoedbelasting moeten worden betaald. Als gevolg van de investeringsfaciliteit wordt de waardestijging van USD 3 miljoen die voortvloeit uit de renovatie, vijf jaar lang genegeerd, zodat de vastgoedbelasting over de jaren 2014 t/m 2018 niet over USD 5 miljoen maar over USD 2 miljoen zal worden berekend. Pas vanaf 2019 zal de waarde voor de vastgoedbelasting dan op USD 5 miljoen worden gesteld. Met deze maatregel worden investeringen in vastgoed gestimuleerd. Dat is belangrijk voor de ontwikkeling van de economie en de werkgelegenheid op de Caribisch Nederlandse eilanden. Daar komt bij dat die ontwikkeling ook bijdraagt aan de opbrengst van het fiscale stelsel van Caribisch Nederland, omdat over dergelijke investeringen veelal wel ABB is verschuldigd en extra werkgelegenheid tot een hogere opbrengst van de loon- en inkomstenbelasting en van de premies volks- en werknemersverzekeringen leidt.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze tegemoetkoming voor investeringen in vastgoed niet alleen geldt voor nieuwe ondernemers of nieuwe ondernemingen die onroerende zaken bouwen of opknappen, maar ook voor bestaande ondernemers en bestaande ondernemingen. Ook particulieren die onroerende zaken bouwen, verbouwen, verbeteren, renoveren of uitbreiden komen in aanmerking voor deze investeringsfaciliteit. De investeringsfaciliteit geldt echter niet voor investeringen in onroerende zaken die eigendom zijn van een rechtspersoon die is toegelaten tot een handels- en dienstenentrepot.

Met deze investeringsfaciliteit in de vastgoedbelasting is een bedrag van USD 0,6 miljoen gemoeid.

Algemene bestedingsbelasting

In de ABB is een vrijstelling opgenomen voor een zeer beperkt aantal eerste levensbehoeften: er geldt een vrijstelling voor de invoer en binnenlandse levering door producenten van brood, graan, aardappelen en rijst en – voor Saba en Sint Eustatius – voor de invoer van drinkwater in tanks of andere verpakkingen. Als onderdeel van het pakket maatregelen wordt voorgesteld de ABB-vrijstelling voor goederen die voorzien in de eerste levensbehoeften van de consument fors uit te breiden door daar voortaan onder andere ook melk, zuivelproducten, eieren, groenten, fruit, koffie, thee, suiker, bakolie, babyvoeding en pastaproducten onder te laten vallen. In de onderdeelsgewijze toelichting wordt deze uitbreiding nader toegelicht. De uitbreiding van de vrijstelling in de ABB komt ten goede aan alle burgers op de eilanden, omdat iedereen eerste levensbehoeften gebruikt. Vooral de lagere inkomens kunnen hier voordeel van hebben, omdat zij relatief veel van hun inkomen besteden aan deze eerste levensbehoeften. Ook voor de hotels en restaurants heeft deze maatregel voordelen, omdat over de ingrediënten van maaltijden (vrijwel) geen ABB meer hoeft te worden betaald. Dat geldt voor ingrediënten van alle maaltijden, niet alleen voor take-away maaltijden, maar ook voor in het restaurant geserveerde maaltijden. Over in het restaurant geserveerde maaltijden dient overigens wel ABB te worden betaald.

De verruiming van de ABB-vrijstellingen maken prijsverlagingen in winkels en restaurants mogelijk. Het is dan wel erg belangrijk dat deze lastenverlichting via de ABB door winkeliers en handelaren ook daadwerkelijk aan de klanten wordt doorgegeven. Het is daarom verheugend dat de eilandbestuurders in het bestuurlijk overleg hebben aangegeven – indien nodig in samenwerking met de Rijksoverheid – er via prijscontroles en zo nodig prijsmaatregelen op te gaan toezien dat deze lastenverlichting daadwerkelijk bij de burgers van Caribisch Nederland terechtkomt en niet blijft hangen bij handelaren en winkeliers.

De verruiming van de ABB-vrijstelling voor eerste levensbehoeften kost structureel USD 0,7 miljoen.

Accijns

Onderdeel van het pakket is ook het voorstel om het tarief van de accijns op benzine met USD 10 per hectoliter te verlagen. Deze maatregel, waarop door de bestuurders van Caribisch Nederland sterk is aangedrongen, komt ten goede aan vrijwel alle burgers en bedrijven op Caribisch Nederland. De accijnsverlaging draagt bij aan de ondersteuning van de koopkracht van veel inwoners van Caribisch Nederland, die vanwege het (vrijwel) ontbreken van openbaar vervoer veelal zijn aangewezen op eigen gemotoriseerd vervoer. Bovendien draagt de accijnsverlaging bij aan het investeringsklimaat op de eilanden omdat de operationele kosten van bedrijven lager worden. Deze maatregel leidt tot een structurele derving van USD 0,75 miljoen.

Tijdelijke maatregel tarief vastgoedbelasting voor de jaren 2011 en 2012

Het met de eilandbestuurders overeengekomen pakket bevat ook een tijdelijke extra maatregel in de vastgoedbelasting voor de jaren 2011 en 2012. Het pakket bevat een aantal structurele tariefmaatregelen in de vastgoedbelasting die op 1 januari 2011 in werking treden. Die maatregelen kosten USD 3,1 miljoen. De overige maatregelen uit het pakket, te weten de uitbreiding van de vrijstelling voor eerste levensbehoeften in de ABB, de verlaging van de benzineaccijns en de introductie van een investeringsfaciliteit in de vastgoedbelasting, zullen op 1 januari 2013 in werking treden. Laatstgenoemde maatregelen kosten structureel circa USD 2,05 miljoen. De totale structurele kosten van het pakket maatregelen bedragen vanaf 2013 derhalve USD 5,15 miljoen. Voor de jaren 2011 en 2012 wordt USD 3,1 miljoen van het budget gebruikt. Voor die jaren is dus nog USD 1,9 miljoen per jaar beschikbaar. Voorgesteld word om dit budget in te zetten voor een additionele verlaging van de effectieve tarieven in de vastgoedbelasting met 0,2%. Dit heeft tot gevolg dat het effectieve tarief van de vastgoedbelasting in 2011 en 2012 uitkomt op 0,6% en op 0,2% voor de hotelsector. Vanaf het jaar 2013 zal het effectieve tarief op het structurele niveau komen van 0,8% en 0,4% voor de hotelsector.

Voor de vastgoedbelasting zijn op dit moment nog geen aanslagen opgelegd. Dit hangt samen met het feit dat eerst een bestand van alle op Caribisch Nederland aanwezige onroerende zaken moest worden opgebouwd, inclusief straatnamen en huisnummers. Voorts moest worden nagegaan wie de eigenaren van die onroerende zaken zijn. Tot slot moesten de desbetreffende onroerende zaken ook worden gewaardeerd. Deze waardering is op dit moment vrijwel afgerond. Dat maakt het mogelijk dat de aanslagen vastgoedbelasting voor de jaren 2011 en 2012 – jaren waarvoor zoals hiervoor is opgemerkt tijdelijk een extra laag tarief geldt – zo snel mogelijk worden opgelegd. Daarmee kan de inmiddels ontstane achterstand in het opleggen van de aanslagen vastgoedbelasting voor een belangrijk deel worden ingelopen.

EU-aspecten

Aan deze nota van wijziging zijn geen EU-aspecten verbonden.

Uitvoeringskosten

De maatregelen van deze nota van wijziging kunnen binnen de bestaande processen van de Belastingdienst worden uitgevoerd.

II. Onderdeelsgewijs

Onderdeel 1, onder a en b

Artikel I, onderdelen Ba en D (artikelen 6.13 en 6.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Als gevolg van het vervallen van de verhoging van het collegegeld voor langstudeerders wordt het uitsluiten van de betreffende opslag op het wettelijke collegegeld als uitgaven voor levensonderhoud en als scholingsuitgaven overbodig. Voornoemde uitsluiting in de artikelen 6.13 en 6.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001 komt dan ook per 1 januari 2013 te vervallen.

Onderdeel 1, onder c

Artikel I, onderdeel G (artikel 6.30 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijziging betreft een technische aanpassing.

Onderdeel 1, onder d

Artikel I, onderdeel J (artikel 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De in artikel I, onderdeel J, op te nemen wijziging van artikel 10.10 van de Wet IB 2001 herstelt een onjuiste verwijzing.

Onderdeel 2

Artikel IX (artikel 22bis van de Invorderingswet 1990)

Het in artikel IX opgenomen artikel 22bis van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) wordt op een aantal punten aangevuld. Allereerst wordt in artikel 22bis van de IW 1990 geregeld dat geschillen omtrent de executiewaarde van de bodemzaken door de fiscale rechter worden afgedaan. Dit gebeurt door in het nieuw in te voegen negende lid te bepalen dat de executiewaarde bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt vastgesteld. De ontvanger stelt deze beschikking overigens in alle gevallen vast en niet alleen als er sprake is van een (potentieel) geschil, bijvoorbeeld over de hoogte van de executiewaarde of als niet of niet tijdig wordt verklaard. Ingevolge het nieuwe vijftiende lid wordt tegen deze beschikking de fiscale rechtsgang van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing verklaard. In de memorie van toelichting op dit wetsvoorstel is opgenomen dat eventuele geschillen omtrent de omvang van de executiewaarde via de burgerlijke rechter zouden lopen. Vanwege het bestuursrechtelijke karakter van de vordering van de ontvanger is er alsnog voor gekozen om eventuele geschillen over de omvang van de vordering via de fiscale rechter te laten lopen, voorafgegaan door bezwaar bij de ontvanger.

Voorts wordt in het nieuw in te voegen veertiende lid geregeld dat de bevoegdheden van de ontvanger, die uit het nieuwe zevende, negende, tiende en twaalfde voortvloeien, zoals het vorderen om verklaring te doen, vervallen één jaar na het tijdstip dat de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert. Deze bepaling is bedoeld om duidelijk te maken dat deze bevoegdheden van de ontvanger in tijd zijn begrensd, zoals ook reeds in de memorie van toelichting is betoogd. Indien echter binnen het voormelde jaar de ontvanger overgaat tot het vorderen van de pandhouder of de zekerheidseigenaar van een met bescheiden gestaafde verklaring omtrent de executiewaarde van de zaak speelt deze vervaltermijn van één jaar geen verdere rol meer bij het verder vaststellen en afwikkelen van de in het tiende lid bedoelde (betalings)verplichtingen van de pandhouder en zekerheidseigenaar.

Verder wordt in het nieuwe zestiende lid geregeld dat de pandhouder of de zekerheidseigenaar die de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in het achtste en tiende lid, tijdig heeft voldaan, een vordering krijgt op de belastingschuldige voor het bedrag dat de pandhouder of de zekerheidseigenaar aan de ontvanger heeft afgedragen. Aangezien de pandhouder en de zekerheidseigenaar in dit geval niet hebben gemeld, kunnen zij bij hun verhaal op de belastingschuldige geen beroep doen op het fiscale voorrecht van artikel 21, eerste lid, van de IW1990. De tekst van het in het nieuwe zestiende lid geregelde verhaalsrecht leidt er voorts toe dat het verhaalsrecht niet geldt voor pandhouders en zekerheidseigenaren die bijvoorbeeld niet tijdig hebben verklaard, dan wel weigeren een verklaring te doen op vordering van de ontvanger.

Ten slotte worden in het nieuw ingevoegde achtste tot en met dertiende lid de formele aspecten geregeld die samenhangen met de meldingsregeling inzake bodem(voor)recht en met de in het tiende lid geregelde betalingsverplichting met betrekking tot de executiewaarde.

In het nieuwe achtste lid is geregeld binnen welke termijn de verklaring omtrent de executiewaarde van de zaak moet plaatsvinden. De termijn bedraagt veertien dagen na dagtekening van de brief van de ontvanger waarin om de verklaring wordt verzocht. Het nieuwe negende bepaalt, zoals eerder aangegeven, dat de executiewaarde wordt vastgesteld in een voor bezwaar vatbare beschikking van de ontvanger. Het nieuwe tiende lid regelt de betalingsverplichting van de pandhouder of zekerheidseigenaar voortvloeiend uit voornoemde beschikking en de wijze waarop het bedrag tot betaling door de ontvanger wordt bepaald. Uitgangspunt hierbij is de executiewaarde van de bodemzaak met als maximum het bedrag van de openstaande naheffingsaanslagen ter zake van de rijksbelastingen, bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet of, als dat lager is, de genoemde rijksbelastingen zoals die ingevolge de belastingwet verschuldigd zijn. Vervolgens bepaalt het nieuwe elfde lid dat voor de betaling van dat bedrag een betalingstermijn geldt van veertien dagen na de dagtekening van de beschikking. Het nieuwe twaalfde lid regelt de situatie waarin de beschikking van de ontvanger niet tijdig wordt betaald. Dan gelden de regels van dwanginvordering zoals die ingevolge de IW1990 van toepassing zijn op rijksbelastingen. Het nieuwe dertiende lid bepaalt dat de betalingen die ingevolge dit artikel door de pandhouder of zekerheidseigenaar aan de ontvanger worden gedaan, in mindering worden gebracht op de openstaande naheffingsqaanslagen van de belastingschuldige.

Onderdeel 3

Artikel IXa, onderdeel A (artikel 4.4 van de Belastingwet BES)

Artikel 4.4, onderdeel i, van de Belastingwet BES bevat een vrijstelling voor onroerende zaken met een waarde tot USD 50 000 die eigendom zijn van inwoners van Caribisch Nederland. Deze vrijstelling kan vervallen in verband met de omvorming van deze vrijstelling tot een vrijstelling aan de voet van USD 50 000 voor alle tweede woningen die eigendom zijn van particuliere personen. Deze nieuwe vrijstelling wordt ingevolge deze nota van wijziging opgenomen in artikel 4.10, eerste lid, van de Belastingwet BES en krijgt terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011.

Artikel IXa, onderdeel B (artikel 4.8 van de Belastingwet BES)

Met ingang van 1 januari 2013 wordt in artikel 4.8 van de Belastingwet BES een investeringsfaciliteit in de vastgoedbelasting geïntroduceerd. De investeringsfaciliteit komt erop neer dat ingeval door bouw, verbouw, verbetering, uitbreiding of renovatie de waarde van een onroerende zaak stijgt, over deze waardestijging vijf jaar lang geen vastgoedbelasting hoeft te worden betaald. Dit wordt bereikt door in de wet vast te leggen dat deze waardestijging pas in aanmerking wordt genomen bij het begin van het zesde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de investering en de daaruit voortvloeiende waardestijging zich heeft voorgedaan. Ter voorkoming van eventuele misverstanden wordt opgemerkt dat ingeval de waarde van een onroerende zaak daalt vanwege (partiële) afbraak of vernietiging, bijvoorbeeld vanwege een natuurramp, de lagere waarde wel met ingang van het volgende kalenderjaar in aanmerking wordt genomen.

De investeringsfaciliteit in de vastgoedbelasting is niet van toepassing op onroerende zaken die eigendom zijn van rechtspersonen die zijn toegelaten tot een handels- en dienstenentrepot als bedoeld in artikel 5.4 van de Douane- en Accijnswet BES.

Artikel IXa, onderdelen C en D (artikel 4.9 van de Belastingwet BES)

Via de vastgoedbelasting worden voordelen uit onroerende zaken belast. Deze voordelen, die volgens een wettelijke fictie 4% bedragen van de waarde van de onroerende zaak, worden belast tegen een tarief van 25%. Hierdoor ontstaat een op grond van de huidige wettekst effectieve druk van 1% van de waarde van de onroerende zaak.

Artikel IXa, onderdeel C, strekt ertoe de effectieve druk van de vastgoedbelasting voor de jaren 2011 en 2012 te verlagen naar 0,6%. Dit vindt plaats via verlaging van het belastingtarief; het belastbare voordeel uit de onroerende zaak wordt niet gewijzigd en blijft volgens de wettelijke fictie 4%. In het algemeen deel van de toelichting op deze nota van wijziging is aangegeven dat er voor 2011 en 2012 budgettaire ruimte is om de effectieve druk van de vastgoedbelasting ten opzichte van het structurele niveau van 0,8% (en 0,4% voor hotels), tijdelijk met 0,2%-punt extra te verlagen. De effectieve druk van 0,6% wordt bereikt door het belastingtarief voor de jaren 2011 en 2012 te verlagen van 25% naar 15%. In combinatie met een forfaitair voordeel van 4% leidt dit tot een effectieve druk van 0,6% van de waarde van de onroerende zaak. Deze tariefverlaging geldt zoals hiervoor opgemerkt uitsluitend voor de jaren 2011 en 2012. Via artikel IXa, onderdeel D, wordt het belastingtarief met ingang van 1 januari 2013 structureel op 20% gesteld, zodat in combinatie met een forfaitair voordeel van 4% vanaf die datum in de vastgoedbelasting een effectieve belastingdruk geldt van 0,8%.

Artikel IXa, onderdeel C, regelt tevens dat het belastingtarief waartegen voordelen uit onroerende zaken die als hotel kunnen worden aangemerkt voor de jaren 2011 en 2012 wordt verlaagd naar 5%. In combinatie met een forfaitair voordeel van 4% van de waarde leidt dit voor hotels in de jaren 2011 en 2012 tot een effectieve druk van 0,2% van de waarde van de onroerende zaak. Via artikel IXa, onderdeel D, wordt het belastingtarief voor hotels met ingang van 1 januari 2013 structureel op 10% gesteld, zodat in combinatie met een forfaitair voordeel van 4% vanaf die datum in de vastgoedbelasting voor hotels een effectieve belastingdruk geldt van 0,4%.

Via artikel IXa, onderdeel C, wordt in het derde lid van artikel 4.9 van de Belastingwet BES vastgelegd welke onroerende zaken als hotel kunnen worden aangemerkt. De naam die aan een onroerende zaak of een complex van onroerende zaken wordt gegeven is niet van belang, objectieve kenmerken zijn dat wel. Om als hotel te kunnen worden aangemerkt, zal sprake moeten zijn van bedrijfsmatige exploitatie van een onroerende zaak die geheel of nagenoeg geheel gericht is op kortdurend verblijf van toeristen. Appartementen en appartementencomplexen die niet bedrijfsmatig worden geëxploiteerd of (mede) bestemd zijn om permanent te worden bewoond, worden derhalve niet als hotel aangemerkt. Bovendien moet er sprake zijn van volwaardige gemeenschappelijke voorzieningen die normaliter in een hotel beschikbaar zijn. In dat verband kan worden gedacht aan een receptie, een restaurant en schoonmaakservice, maar ook aan een (buiten)zwembad of toegang tot een (privé)strand, alsmede aan de beschikbaarheid van ruimten om te vergaderen of feesten te organiseren. Het is overigens niet noodzakelijk dat een onroerende zaak over alle hiervoor genoemde voorzieningen beschikt. Echter, een onroerende zaak die uitsluitend over een zwembad beschikt, kan niet worden aangemerkt als hotel. Het lage hoteltarief geldt ook niet voor particulieren die een appartement of enkele appartementen bezitten en die deze permanent of af en toe verhuren. Wel kan een dergelijk appartement bij een particuliere eigenaar onder omstandigheden als een tweede woning worden aangemerkt. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat een particulier die appartementen bezit en deze exploiteert in het kader van een onderneming waarvan de resultaten via de Wet inkomstenbelasting BES worden belast, over deze appartementen geen vastgoedbelasting hoeft te betalen. De vastgoedbelasting kent immers een vrijstelling voor onroerende zaken die behoren tot het vermogen van een IB-onderneming.

In het derde lid van artikel 4.9 van de Belastingwet BES wordt tevens vastgelegd dat bij ministeriële regeling voorwaarden kunnen worden gesteld waaraan een onroerende zaak moet voldoen om als hotel te worden aangemerkt.

Artikel IXa, onderdeel E (artikel 4.10 van de Belastingwet BES)

Door middel van artikel IXa, onderdeel E, wordt in artikel 4.10 van de Belastingwet BES een vrijstelling aan de voet opgenomen van USD 50 000 voor tweede woningen die eigendom zijn van particulieren. Deze vrijstelling geldt ook als er meerdere natuurlijke personen eigenaar zijn van de desbetreffende onroerende zaak. De vrijstelling geldt niet voor woningen die in het bezit zijn van NV’s of andere lichamen. Indien nodig kunnen bij ministeriële regeling voorwaarden worden gesteld om te bepalen of sprake is van een tweede woning. Deze wijziging krijgt terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011.

Artikel IXa, onderdelen F en G (artikelen 6.11 en 6.20 van de Belastingwet BES)

De in artikel IXa, onderdelen F en G, opgenomen maatregelen strekken ertoe, zoals toegelicht in het algemeen deel van de toelichting bij deze nota van wijziging, de invoer en binnenlandse levering door producenten van eerste levensbehoeften vrij te stellen van ABB. Deze ABB-vrijstellingen zullen gaan gelden voor de bij ministeriële regeling aan te wijzen hoofdstukken van het geharmoniseerde systeem, genoemd in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Douane- en Accijnswet BES. De volgende hoofdstukken van het hiervoor genoemde geharmoniseerde systeem worden bij ministeriële regeling aangewezen:

  • melk en zuivelproducten, vogeleieren, natuurhonig en overige eetbare producten van dierlijke oorsprong ingedeeld in hoofdstuk 4;

  • groenten, planten, wortels en knollen ingedeeld in hoofdstuk 7;

  • fruit en schillen van citrusvruchten en van meloenen ingedeeld in hoofdstuk 8;

  • koffie, thee, maté en specerijen ingedeeld in hoofdstuk 9;

  • granen ingedeeld in hoofdstuk 10;

  • producten van de meelindustrie, mout, zetmeel, inuline en tarwegluten ingedeeld in hoofdstuk 11;

  • vetten en oliën en dissociatieproducten daarvan, bewerkt spijsvet en was ingedeeld in hoofdstuk 15;

  • suiker en suikerwerk ingedeeld in hoofdstuk 17; en

  • bereidingen van graan, van meel, van zetmeel of van melk en gebak ingedeeld in hoofdstuk 19.

Artikel IXb (artikel 4.8 van de Douane- en Accijnswet BES)

Via deze maatregel worden de in artikel 4.8 van de Douane- en Accijnswet opgenomen accijnstarieven voor benzine zowel voor Bonaire als voor Sint Eustatius en Saba met USD 10 per hectoliter verlaagd.

Onderdeel 4

Artikel XI (inwerkingtreding)

Het pakket maatregelen ten behoeve van het fiscale stelsel van Caribisch Nederland bevat een aantal tariefmaatregelen in de vastgoedbelasting die met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011 in werking moeten treden. De in onderdeel 4 van deze nota van wijziging opgenomen aanvulling van de inwerkingtredingsbepaling strekt daartoe. Deze terugwerkende kracht is toegelicht bij de desbetreffende maatregelen.

De staatssecretaris van Financiën, F. H. H. Weekers