Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 april 2013
In het Algemeen Overleg Belastingplicht overheidsbedrijven; Fiscale moties en toezeggingen
van 17 april jl. is onder meer gesproken over mijn brief van 15 april jl. over afschaffing
van de vrijstelling motorrijtuigenbelasting (MRB) voor oldtimers.1 Tijdens dat overleg heb ik toegezegd een ultieme poging te doen om met de oldtimerbranche
tot overeenstemming te komen teneinde het hobbymatig gebruik van rijdend cultureel
erfgoed te ontzien. Ik zou daarover de Kamer uiterlijk vandaag informeren zodat de
oldtimerbranche zo snel mogelijk duidelijkheid krijgt over de fiscale behandeling
van de oldtimer met ingang van 1 januari 2014.
De afgelopen week is intensief overleg gevoerd met de vertegenwoordigers van de oldtimerbranche,
te weten de FEHAC, KNAC, FOCWA, ANWB, RAI en BOVAG. Het verheugt mij u te kunnen melden
dat we uiteindelijk tot een breed gedragen alternatief zijn gekomen dat door de vertegenwoordigers
van de oldtimerbranche wordt gesteund en dat naar mijn oordeel past binnen het verzoek
en de kaders die uw Kamer heeft aangegeven. Dit alternatief ziet er als volgt uit.
Er geldt vanaf 1 januari 2014 vrijstelling van MRB voor alle motorrijtuigen van 40
jaar en ouder. Het betreft benzine-, diesel- en LPG-oldtimers, motorfietsen, bussen,
vrachtauto’s en kampeerauto’s. Dit is de structurele regeling die ruim € 16 miljoen
per jaar kost (optie 4 van mijn brief van 15 april jl.).
Daarnaast komt er een adequate overgangsregeling voor personen- en bestelauto’s rijdend
op benzine, motorfietsen, bussen en vrachtauto’s die op 1 januari 2014 ouder zijn
dan 26 jaar maar nog geen 40 jaar zijn (datum eerste toelating vanaf 1963 tot en met
1987). Deze voertuigen komen in aanmerking voor een kwarttarief in de MRB met een
maximum van € 120 (€ 30 per kwartaal) mits er in de maanden december, januari en februari
niet van de openbare weg gebruik wordt gemaakt.
Voor dieselauto’s en auto’s met een ingebouwde LPG-installatie geldt geen overgangsregeling.
Dat betekent dat voor personenauto’s en bestelauto’s rijdend op diesel of met een
ingebouwde LPG-installatie en die jonger zijn dan 40 jaar het volle MRB-tarief verschuldigd
is. Indien auto’s met ingebouwde LPG-installatie in originele staat worden hersteld,
kan voor deze auto’s de overgangsregeling voor benzineauto’s van toepassing worden.
Dit alternatief beoogt nog meer dan de alternatieven, genoemd in mijn brief van 15 april
jl., de liefhebber te ontzien terwijl het de huidige vrijgestelde veelrijder (dat
zijn bijna altijd diesel- en LPG-rijders) gerichter raakt. Hoewel onder de overgangsregeling
een kwarttarief MRB moet worden betaald, blijven de gevolgen voor de zwaardere auto’s,
ook bijvoorbeeld bussen en vrachtauto’s, beperkt door het maximum van € 120 per jaar.
Voor motoren komt het kwarttarief neer op circa € 30 per jaar. Uitgangspunt bij de
overgangsregeling is dat het dagelijks gebruik van oldtimers zoveel mogelijk wordt
voorkomen. Dit wordt concreet ingevuld door de beperking dat er met het motorrijtuig
geen gebruik mag worden gemaakt van de openbare weg gedurende de maanden december,
januari en februari. Met veel oldtimers wordt overigens in de winter niet gereden
omdat dit slecht is voor de auto. Als het kwarttarief van toepassing is en er toch
gereden wordt in die drie wintermaanden, geldt een forse verzuimboete. Het overgangsregime
loopt af in het jaar 2028 (zodra de jaargang 1987 40 jaar is). Men kan overigens naast
het afgetopte kwarttarief ook verzoeken om de reguliere MRB te betalen of de oldtimer
te schorsen.
De huidige regels in de MRB betreffende schorsing en evenementenregeling worden gehandhaafd.
Wel geldt het afgetopte kwarttarief MRB voor minimaal één kalenderjaar zodat niet
de mogelijkheid bestaat om binnen één kalenderjaar gebruik te maken van zowel de schorsingsregeling
als het kwarttarief.
Hoewel als gevolg van de voorgestelde overgangsregeling de budgettaire derving van
deze variant tijdelijk hoger is dan ik in eerste instantie voor ogen had, heeft dit
alternatief als voordeel dat het overgrote deel van de oldtimers die per 1 januari
2014 tussen de 26 en 40 jaar oud zijn en die niet dagelijks gebruik van de weg maken,
worden ontzien door middel van de invoering van het afgetopte kwarttarief in de MRB.
De structurele kosten van de voorgestelde maatregelen bedragen € 16 miljoen (optie
4 van de eerdergenoemde brief van 15 april jl.). Dit structurele niveau wordt bereikt
in 2028. Incidenteel bedragen de extra kosten als gevolg van de overgangsmaatregelen
€ 17 miljoen in 2014, in 14 jaar aflopend naar nihil in 2028.
Ik ben voornemens dit alternatief uit te werken in het Belastingplan 2014. De Belastingdienst
zal tegelijkertijd de implementatie voorbereiden zodat deze regeling met ingang van
1 januari 2014 van toepassing kan worden.
De staatssecretaris van Financiën,
F.H.H. Weekers