Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333400-XVI nr. 159

33 400 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2013

Nr. 159 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 29 augustus 2013

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 28 mei 2013 inzake het voornemen om de RMO en de RVZ samen te voegen tot een nieuwe strategische Adviesraad voor Gezondheid, Participatie en Zorg (Kamerstuk 33 400 XVI, nr.149).

De op 28 juni 2013 toegezonden vragen zijn met de door de Minister bij brief van 28 augustus 2013 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Neppérus

Adjunct-griffier van de commissie Clemens

Inhoudsopgave

Blz.

     

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

 

II.

Reactie van de Minister

 

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van het bericht over het voornemen om de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) samen te voegen tot een nieuwe strategische Adviesraad voor Gezondheid, Participatie en Zorg. Deze leden kunnen zich vinden in de beweegredenen van de bewindspersonen van VWS om beide raden samen te voegen tot een nieuwe raad.

Het klassieke onderscheid tussen preventie, zorg en welzijn vervaagt en de herziening van de verschillende zorgstelsels vraagt om een meer integrale raad waarbij het VWS-domein in zijn geheel omspannen wordt, stelt de Minister. De leden van de PvdA-fractie zien het nut en de noodzaak van een integrale raad en steunen deze gedachte. De veranderende beleidsopgaven die de ontwikkelingen in de zorg en welzijnssector met zich meebrengen vragen om strategische advisering waarin een breed intersectoraal perspectief wordt gehanteerd en waarin nieuwe perspectieven voor het beleid op gezondheid, participatie en zorg worden geboden. Ook een meer doelmatige en efficiënter georganiseerde overheid is een doel dat deze leden kunnen ondersteunen. Door de competenties van de RMO en de RVZ samen te voegen, ontstaat er een meer efficiënt en doelmatig georganiseerde adviesraad voor het VWS-domein en wordt een stap gezet in de richting van een meer transparant georganiseerde overheid, met instellingen met voor burgers begrijpelijke taken en werkgebieden.

De leden van de fractie van de PvdA hebben wel nog enkele vragen die zij beantwoord zouden willen zien voor de behandeling van de wetgeving die nodig is om de samenvoeging van de twee raden mogelijk te maken. Kunnen de financiële en budgettaire gevolgen van het samenvoegen van de twee raden inzichtelijk gemaakt worden? Gaat het samenvoegen gepaard met een korting? Welke korting zal er toegepast worden? Welke gevolgen heeft dit voor het personeelsbestand? Genoemde leden willen ook graag weten op welke wijze de expertise en onafhankelijkheid van de nieuwe raad geborgd zullen blijven. Graag ontvangen deze leden een toelichting van de Minister hoe dit geborgd blijft. Ook zouden de leden van de PvdA-fractie graag antwoord willen hebben op de vraag hoe beide huidige raden betrokken worden bij de ontwikkeling van een nieuwe raad. Is het mogelijk en wenselijk beide raden hierbij te betrekken en hoe wordt dit gedaan?

De leden van de PvdA-fractie constateren dat Nederland aan de vooravond van grote veranderingen in de zorg staat. Veel taken worden overgeheveld naar de gemeenten. Het is voor deze leden wenselijk de ontwikkeling van de decentralisaties nauw te volgen. Op welke wijze kan de nieuwe raad ook expliciet een rol hebben in het volgen van de ontwikkelingen van de decentralisatie? Graag ontvangen de leden van de fractie van de PvdA een toelichting van de Minister.

Vragen en opmerkingen van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voornemen om de RMO en de RVZ samen te voegen. Niet alleen zijn deze leden voorstander van het inkrimpen van overheidsorganisaties, ook zijn zij voorstander van het reduceren van het aantal papieren rapporten. Deze leden hebben wel nog enkele vragen en opmerkingen over de samenvoeging.

De leden van de PVV-fractie vragen waarom de Gezondheidsraad niet ook samengevoegd wordt met de RMO en de RVZ. De Gezondheidsraad en de RVZ werken samen in het Centrum voor Ethiek en Gezondheid; dit centrum zou dan eveneens op kunnen gaan in de nieuwe strategische adviesraad. Een win-win situatie volgens deze leden. Het kabinet streeft naar maximaal één raad per beleidsdomein, dan ligt het volgens genoemde leden dus voor de hand om de Gezondheidsraad ook mee te nemen in de nieuwe adviesraad. Of wordt de Gezondheidsraad op termijn opgeheven? Kan de Minister uitleggen waarom alleen de RMO en de RVZ samengevoegd worden?

De leden van de PVV-fractie zijn blij met het voornemen om het aantal jaarlijks uit te brengen adviezen te beperken. Hoeveel adviezen hebben de RMO, de RVZ en de Gezondheidsraad de afgelopen vier jaar uitgebracht en hoeveel beslag op de ambtelijke capaciteit hebben deze adviezen gekost? Met welke beperking ten aanzien van het aantal adviezen moeten deze leden rekening houden? Genoemde leden gaan ervan uit dat met de samenvoeging en het streven naar een doelmatige en efficiënte nieuwe raad er aardig wat bespaard gaat worden. Hoeveel fte gaan er door de samenvoeging van de raden en de beperking van het aantal adviezen verdwijnen en hoeveel (vice)voorzitters en leden verdwijnen er? Vallen er gedwongen ontslagen en worden er ontslagvergoedingen uitgekeerd? Kunnen deze leden een overzicht van de besparingen krijgen? Tot slot, de leden van de PVV-fractie zijn van mening dat het allemaal nog efficiënter en doelmatiger kan door de adviesraden allemaal op te heffen en over te gaan tot het instellen van een adviescommissie op het moment dat daaraan behoefte is. Graag ontvangen deze leden daarop een reactie van de Minister.

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen om de RMO en de RVZ samen te voegen tot een nieuwe strategische Adviesraad voor Gezondheid, Participatie en Zorg.

De leden van de SP-fractie willen van de Minister weten waarom de RMO en de RVZ momenteel niet voldoende toegerust zouden zijn om voldoende breed en multidisciplinair advies te geven, en zij vragen de Minister tevens hoe het simpelweg samenvoegen van de twee raden dit oplost. Genoemde leden vragen de Minister ook welke concrete wijzigingen er zullen plaatsvinden in de taakstellingen van deze raden na de samenvoeging.

De leden van de SP-fractie vragen de Minister om toelichting te geven op haar voornemen de raad te beperken in het aantal jaarlijks uit te brengen adviezen; wat zullen de praktische gevolgen zijn van deze bezuiniging? Deze leden vragen hoeveel (gedwongen) ontslagen er zullen vallen. Voorts willen zij weten hoe besloten zal worden op welke onderwerpen wel en op welke geen advies te verstrekken, wie de agenda van de toekomstige raad zal bepalen en of het mogelijk blijft voor de raad om omgevraagd advies te geven aan de Minister. Tot slot vragen de leden van de SP-fractie de Minister hoe zij wil waarborgen dat er geen sprake zal zijn van tunnelvisie bij de raad.

Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie

De leden van de fractie van het CDA hebben kennisgenomen van het voornemen om de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg samen te voegen tot een nieuwe strategische Adviesraad voor Gezondheid, Participatie en Zorg. Deze leden verwijzen graag naar de motie van de leden Spies en Nijs, waarin de regering toentertijd werd opgeroepen om de RMO niet samen te voegen met de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (Kamerstuk 28 101, nr. 5). Graag horen zij hoe de Minister tegen deze motie aankijkt.

De leden van de CDA-fractie horen graag van de Minister welke taken van de RMO en de RVZ behouden blijven en van welke taken de Minister overtuigd is dat die niet langer nodig zijn. Daarnaast vragen deze leden wat de Minister verstaat onder het begrip maatschappelijke verantwoordelijkheid. Betekent de samenvoeging van de raden ook een concrete bezuiniging? Wat gebeurt er met de ambtelijke ondersteuning van de raden?

Het streven van het kabinet is dat er maximaal één raad per beleidsdomein overblijft en dat het aantal jaarlijks uit te brengen adviezen beperkt wordt. Hoe kijkt de Minister dan tegen de kwaliteit van de adviezen aan? Deze leden willen graag weten welke overbodige adviezen op dit moment dan worden uitgebracht. Hoe staat het met het recht van de Tweede Kamer om ook een beroep te doen op de adviescolleges om adviezen aan te vragen?

De Minister onderstreept dat het verminderen van de raden ook tot een beperking van het beslag op ambtelijke capaciteit leidt. Betekent dit dat de Minister van plan is om ambtenaren op het kerndepartement te ontslaan?

Als laatste vragen de leden van de CDA-fractie hoe de RMO en de RVZ zelf tegen het voornemen van opheffing aankijken.

Vragen en opmerkingen van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van de bewindspersonen van VWS om de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg samen te voegen tot een nieuwe strategische Adviesraad voor Gezondheid, Participatie en Zorg. Deze leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de D66-fractie constateren dat de RMO en de RVZ volgens de Minister op dit moment onvoldoende geëquipeerd zijn om het intersectorale perspectief in de volle breedte te hanteren. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat de benodigde competenties door de voorgenomen samenvoeging in de toekomst zullen verbeteren? In aanvulling op deze vraag, vernemen deze leden graag hoe de Minister borgt dat bij de voorgenomen samenvoeging van de RMO en de RVZ de bestaande kennis behouden blijft en verankerd wordt. Deze leden vragen de Minister of de samenvoeging gepaard gaat met een financiële korting. Indien dit het geval is vragen zij hoeveel deze korting bedraagt en waar die binnen de organisatie(s) neer zal slaan. In welke mate gaat dit gevolgen hebben voor het aantal arbeidsplaatsen? Deze leden vragen ook welk gevolg de voorgenomen samenvoeging van de RMO en de RVZ gaat hebben voor het aantal uit te brengen adviezen. De leden van de D66-fractie vragen de Minister tot slot welk tijdpad zij voor zich ziet bij de voorgenomen samenvoeging.

II REACTIE VAN DE MINISTER

Ik heb met belangstelling kennis genomen van de vragen die door de verschillende fracties zijn gesteld naar aanleiding van mijn voornemen tot samenvoeging van de RMO en RVZ (mijn brief van 28 mei 2013; kamerstuk 33 400 XVI, nr 149) en mij bij brief van 28 juni 2013 door de vaste commissie van Volksgezondheid,Welzijn en Sport zijn voorgelegd.

Ik constateer dat de leden van de PvdA-fractie zich kunnen vinden in de beweegredenen om beide raden samen te voegen tot een nieuwe raad. De leden van de PvdA-fractie vragen de financiële en budgettaire gevolgen van de samenvoeging van RMO en RVZ nader inzichtelijk te maken. Deze vraag is ook, zij het in andere woorden, door respectievelijk de fracties van PVV, SP, CDA en D66 gesteld.

Ik hecht er aan in de eerste plaats nadrukkelijk te stellen dat de beoogde samenvoeging van RMO en RVZ niet is ingegeven door financiële of budgettaire overwegingen. De met de raden gemoeide kosten zijn relatief bescheiden. De begrotingsposten voor de RMO en RVZ in 2013 bedragen respectievelijk € 960.055 en € 2.688.000 (waarvan € 236.000 voor het Centrum voor Ethiek en Gezondheid). Het merendeel daarvan is bestemd voor de secretariële ondersteuning van de raden. De samenvoeging gaat niet gepaard met een financiële taakstelling. Ontslagen als gevolg van de samenvoeging zijn dan ook niet aan de orde. Mogelijke besparingen als gevolg van het combineren van vergelijkbare ondersteunende functies zijn weliswaar denkbaar. Het op te stellen rapport voor de nieuwe organisatie met daarin de verschillende functiebeschrijvingen zal dat inzichtelijk maken.

De samenvoeging van de raden is primair ingegeven door inhoudelijke overwegingen: combinatie van expertise en het versterken van het integrale perspectief op de beleidsontwikkeling op het brede VWS-domein met raakvlakken met aanpalende domeinen. Deze overwegingen worden door de beide raden onderkend. Beide raden werken constructief mee aan het proces van samenvoeging; vooruitlopend op de samenvoeging is nu reeds sprake van intensivering van samenwerking bij de diverse adviestrajecten. Beide raden worden geconsulteerd bij het voorbereiden van de wet, die de instelling van de nieuwe raad moet regelen, alsmede de memorie van toelichting.

De leden van de PvdA-fractie vragen op welk wijze de expertise en onafhankelijkheid van de nieuwe raad geborgd zal blijven. De onafhankelijkheid is bij wet (de kaderwet adviescolleges) geregeld. De benodigde expertise zal worden beschreven in een profielschets van de voorzitter en de leden van de raad. In die profielschets wordt de missie van de nieuwe raad weerspiegeld; de profielschets zal worden opgesteld door de voorzitters van de huidige samen te voegen raden. De benoeming van de leden vindt plaats bij koninklijk besluit op basis van een door mij opgestelde voordracht. De huidige praktijk is dat de voorzitter van de raad mij een voorstel doet voor de invulling van de vacatures. Die praktijk zal worden voortgezet. In geval van de vacature voorzitter doet een benoemingscommissie met daarin leden van de raad en een lid van de VWS-bestuursraad mij een voorstel.

De leden van de PvdA-fractie vragen om een toelichting op de rol van de nieuwe raad in het volgen van de ontwikkelingen van de decentralisatie. In de huidige werkwijze van zowel de RMO alsook de RVZ is sprake van het benutten van netwerken die zijn geworteld in het decentrale bestuursniveau. Het benutten en uitbreiden van deze netwerken lijkt mij voor de nieuwe raad een conditio sine qua non. Uit die netwerken komen ongetwijfeld signalen op over (on)gewenste en (on)wenselijke effecten van de decentralisaties. Het is aan de nieuwe raad die signalen te analyseren en daar eventueel aanbevelingen aan te verbinden voor aanpassing van het beleid. In de taakbeschrijving van de nieuwe raad zal ik aandacht voor het decentrale niveau expliciet benoemen. Hier kan de intersectorale opdracht van de Raad en verbindingen met andere domeinen ook goed tot uiting komen.

De leden van de PVV-fractie vragen waarom de Gezondheidsraad ook niet wordt samengevoegd met de RMO en de RVZ. De reden daarvoor is dat er een wezenlijk onderscheid bestaat tussen wetenschappelijk-technische advisering op basis van de stand van de wetenschap, en strategische advisering. Wetenschappelijk-technische advisering, zoals de Gezondheidsraad die invult, gaat uit van wat wetenschappelijk is bewezen en geeft aan wat wetenschappelijk gronden zijn om al of niet specifieke beleidsmaatregelen te nemen. Bij strategische advisering, zoals de RMO en RVZ die vorm geven, wordt naast wetenschappelijke inzichten ook politieke en normatieve inzichten over wat wenselijk en haalbaar is betrokken. Strategische advisering gaat in feite over hoe de toekomst er uit zou kunnen zien, rekening houdend met de maatschappelijke ontwikkelingen en krachtenvelden.

Beide type advisering vragen een andere oriëntatie en expertise. De organisatie van die oriëntatie en expertise leidt in een setting die continuïteit waarborgt op de meest efficiënte wijze tot kwalitatief hoogwaardige producten. Dat is ook deels het antwoord op de vraag waarom niet zou kunnen worden volstaan met het instellen van een adviescommissie op het moment dat daaraan behoefte is. In zo’n ad hoc structuur zou steeds opnieuw het wiel moeten worden uitgevonden om de benodigde kennis en expertise, evenals het proces van afweging van belangen, te organiseren. De betekenis van adviezen wordt voor een deel bepaald door het gezag van de adviseur. Een structureel ingestelde adviesraad kan in zijn bestaan gezaghebbendheid opbouwen en reputatie verwerven. Een ander argument voor structureel ingestelde adviesraden is de continue behoefte aan advisering op het dynamische VWS-domein.

De uitzondering die de regel bevestigt is het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG), waarin de Gezondheidsraad en de RVZ samen werken. Dit centrum publiceert evenwel geen adviezen, maar signalementen en argumentenkaarten.

De leden van de PVV-fractie zijn blij met het voornemen om het jaarlijks uit te brengen aantal adviezen terug te brengen. Zij vragen hoeveel adviezen de RVZ, RMO en Gezondheidsraad de afgelopen vier jaar hebben uitgebracht en hoeveel beslag op de ambtelijke capaciteit deze adviezen hebben gekost.

Eerst de cijfers:

   

Aantal adviezen in het jaar

 

Primair geadresseerde

2009

2010

2011

2012

Gezondheidsraad

VWS1

19 + 3br2

18 + 2br

18 + 1br

11 + 2br

EZ (gezonde voeding)

2

1 + 1br

2

1

I&M (gezonde leefomgeving)

2 + 2br

4

4

4

SZW (gezonde arbeidsomstandigheden)

4

7

23

22

RMO

VWS + andere departementen in het sociale domein

3 + 1br

3br

3 + 1br

2 + 3br

RVZ

VWS

5

5 + 1br

6

3

totaal

 

35 + 6br

35 + 7br

56 + 2br

43 + 5br

X Noot
1

Dit betreft de 3 thema’s (1) optimale gezondheidszorg, (ii) preventie, en (iii) innovatie en kennisinfrastructuur

X Noot
2

br staat voor briefadvies, een kort als brief gepubliceerd advies.

De bovengenoemde getallen laten zien dat in termen van aantallen adviezen VWS er jaarlijks ca 25 ontvangt, waarvan het merendeel technisch-wetenschappelijk van aard is.

De vraag naar het beslag op de ambtelijke capaciteit om met de adviezen om te gaan is niet te beantwoorden in kwantitatieve termen. Het beleidsmatig recht doen aan een strategisch advies en het doorgronden van de bijgeleverde achtergrondstudies vraagt tijd en discussie. Evident is dat de kwaliteit en kracht van argumenten van een advies de meest bepalende factor is die het beslag op ambtelijk capaciteit bepaalt. Reductie van het aantal strategische adviezen maakt het waarschijnlijk dat die adviezen meer aandacht kunnen krijgen en beter kunnen worden benut in het beleidsproces.

Minder adviezen betekent niet noodzakelijkerwijs een beperking van raadsleden en stafleden. Als onderwerpen breed zijn gedefinieerd, de verbanden met aanpalende beleidsterreinen in kaart worden gebracht en er de nodige aandacht wordt besteed aan ex ante evaluatie van te verwachten effecten van wat wordt geadviseerd, vraagt dat veel inspanning, die de kwaliteit van de beleidsprocessen waarop het advies betrekking heeft zeer ten goede komt. Daarnaast besteden raadsleden en ondersteunende adviseurs veel tijd aan het toelichten van hun adviezen, via debatten en presentaties op departementen, in het veld en op lokaal niveau.

De leden van de SP-fractie vragen een toelichting op mijn observatie dat de RMO en RVZ momenteel niet voldoende zijn toegerust om voldoende breed en multidisciplinair advies te geven. Ik neem waar dat binnen de RVZ de curatieve zorg en het medisch perspectief relatief veel aandacht krijgen. De RVZ heeft een uitstekend netwerk in kringen van medici en zorginstellingen. De RMO heeft zijn oriëntatie en netwerken veel meer in de sociale domeinen van welzijn, maatschappelijk ondersteuning, werk en onderwijs. De complementariteit van beide oriëntaties is evident. Zoals ik reeds in mijn brief van 28 mei jl. schreef, wordt gezondheid in hoge mate mede bepaald door welbevinden, wat op zijn beurt weer wordt gevoed door opleiding, de mogelijkheden voor maatschappelijke participatie, het hebben van sociale contacten en een veilige leefomgeving.

De veranderende beleidsopgaven die deze ontwikkeling met zich mee brengen vragen om strategische advisering, waarin een breed intersectoraal perspectief wordt gehanteerd.

In theorie is het denkbaar dat of wel de RMO of wel de RVZ zou kunnen transformeren naar een raad zoals ik die voor ogen heb. Voor beide raden zou dat betekenen dat fors moet worden geïnvesteerd in ontbrekende expertises en netwerken. Samenvoeging van de huidige complementaire raden lijkt een veel elegantere oplossing en creëert randvoorwaarden voor de beoogde brede intersectorale advisering.

De leden van de SP-fractie vragen hoe zal worden besloten over welke onderwerpen wel of geen advies zal worden gevraagd. Mijn antwoord is dat het programma wordt geformuleerd in een goede communicatie over en weer tussen raad en departement. Zoals nu ook het geval is doet de raad, gehoord de verschillende beleidsdirecties en veldpartijen mij een voorstel voor het werkprogramma. Daarover spreek ik met de raad en benoem ik mijn prioriteiten voor het komend jaar. Zoals in de kaderwet adviescolleges is vastgelegd, is een strategische adviesraad in de positie ook ongevraagde adviezen uit te brengen als ook adviezen op verzoek van uw kamer. Van die laatste mogelijkheid wordt evenwel nauwelijks gebruik gemaakt. Wanneer u van mening bent dat het werkprogramma, zoals ik dat jaarlijks rond Prinsjesdag uw voorzitter voorleg niet die onderwerpen bevat die u op dat moment relevant acht, heeft u de gelegenheid daar als nog in te voorzien. De gelimiteerde benoemingstermijn van raadsleden, het brede werkterrein, de verschillende disciplines, werkervaringen en deskundigheden die worden gerepresenteerd en de benoemingsprocedure vormen wat mij betreft de goede waarborgen om een mogelijke tunnelvisie te voorkomen.

De leden van de CDA-fractie verwijzen naar de motie Spies en Nijs van 5 oktober 2006, waarin destijds werd gevraagd de toen voorgenomen samenvoeging van RMO en RVZ ongedaan te maken. De argumentatie destijds voor samenvoeging bevatte woorden als «minder verkokerd,» «efficiënter» en «slimmer organiseren» van het adviesstelsel. Die argumentatie is nogal technocratisch. In de zeven jaren die sindsdien zijn verstreken zijn het veld van en de beleidsopgaven voor de gezondheidszorg nogal ingrijpend gewijzigd. Voor samenvoeging van RMO en RVZ is nu een veel inhoudelijker argumentatie te geven zoals ik in mijn brief van 28 mei 2013 en hierboven heb uiteengezet.

Dat deze inhoudelijk argumentatie hout snijdt moge worden geïllustreerd uit het feit dat beide raden zich constructief op stellen om de samenvoeging succesvol tot stand te brengen en kansen zien voor een nog betekenisvollere advisering. De verbreding van het werkveld heeft niet zozeer als gevolg dat er taken verdwijnen, maar dat de aard van de adviesvragen geleidelijk verandert.

De leden van de CDA-fractie vragen naar mijn oordeel over de kwaliteit van de adviezen en of er nu overbodige adviezen worden uitgebracht. Over het algemeen gesproken ben ik tevreden over de kwaliteit van de adviezen. De raden hebben goede antennes om maatschappelijke signalen op te pakken en onder de aandacht van het beleid te brengen en/of de discussie onder betrokkenen een stap verder te brengen. Ik ben er echter van overtuigd dat een nog grotere kwaliteit te bereiken is: minder adviezen met een meer integraal karakter en daardoor kwalitatief nog beter, dat is het doel dat ik voor ogen heb. Als gevolg daarvan hoop ik dat de adviezen die wij in de toekomst zullen ontvangen nog inspirerender zullen zijn en ook door de Tweede Kamer worden gepercipieerd als een welkome input voor het te ontwikkelen beleid.

Zoals ik hiervoor bij vragen van de leden van de SP en de PVV reeds heb aangegeven blijft krachtens de kaderwet adviescolleges het recht van de Tweede Kamer om ook een beroep te doen op de adviescolleges onverminderd van kracht.

De leden van de CDA-fractie vragen tot slot hoe de RMO en RVZ zelf tegen het voornemen van opheffing aankijken. Mijn antwoord daarop is dat de leden het voorstel tot samenvoeging hebben omarmd.

De leden van de D66-fractie vragen hoe ik er voor ga zorgen dat de benodigde competenties voor intersectorale advisering in de toekomst zal verbeteren. Zoals ik reeds de leden van de PvdA-fractie heb geantwoord is het primair aan de nieuwe raad zelf de benodigde competenties te organiseren. Ik creëer daarvoor middels de samenvoeging extra randvoorwaarden. In mijn periodiek gesprek met de nieuwe raad over het werkprogramma zal ik het onderwerp van de benodigde competenties aansnijden en zo nodig bij nieuwe benoemingen daarop expliciet sturen. Ik verwacht in de nieuwe raad een aantal leden van de huidige RMO en RVZ te kunnen benoemen waarmee enige continuïteit met de bestaande kennis en goede praktijken blijft behouden.

De leden van de D66-fractie vragen tot slot welk tijdpad ik voor mij zie bij de voorgenomen samenvoeging. Ik hoop in oktober het wetsvoorstel aan de Raad van State voor advies te kunnen voorleggen. De agendering van de parlementaire behandeling ligt in uw handen.