Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333400-B nr. 4

33 400 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2013

Nr. 4 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 december 2012

Op uw verzoek, met kenmerk 2012Z19818, zal ik, mede namens de staatssecretaris van Financiën, in deze brief ingaan op de ontwikkelingen rondom de onroerende zaakbelasting (ozb) voor 2013. Dit naar aanleiding van de berichtgeving van de Vereniging Eigen Huis (VEH) van 20 november 2012. Uit uw verzoek komen de volgende vragen naar voren:

  • Hoe kan de ozb stijgen als de waarde van het onroerend goed daalt? (CDA, PVV);

  • De appreciatie van dit onderwerp door het Kabinet en de appreciatie van het voorstel om de grondslag voor de belastingheffing om te vormen tot een ingezetenenheffing. (D66);

  • Reden van verhoging van de ozb door gemeenten. Heeft het te maken met het over de schutting gooien van taken inclusief een korting? (SP)

Uit de steekproef van VEH, die aanleiding was voor de door u gestelde vragen, blijkt dat in 2013 de gemiddelde WOZ-waarde van woningen met 4,1% zal dalen, maar dat de ozb-aanslagen met 2,7% zullen stijgen. De gemiddelde WOZ-waarde daalt van 251 400 tot 241 000 euro. In drie jaar tijd is de gemiddelde WOZ-waarde met 10% gedaald. Het onderzoek van VEH naar de ontwikkeling van de gemeentelijke woonlasten in 2013 is gebaseerd op de begrotingsvoorstellen aan de gemeenteraden in ruim 100 gemeenten. De afvalstoffenheffing daalt met 0,6%, de rioolheffing stijgt in de onderzochte gemeenten met gemiddeld 3,3%. De aanslag stijgt van gemiddeld 256 naar gemiddeld 263 euro. De totale gemeentelijke woonlasten (ozb, riool- en afvalstoffenheffing) stijgen daarom met gemiddeld 1,8 procent. Dat is onder de geschatte inflatie voor 2013.

De door de VEH gepresenteerde cijfers zijn voorlopige cijfers, op basis van veelal nog niet vastgestelde begrotingen. De definitieve beoordeling van de ontwikkeling van de lokale lasten vindt plaats op basis van definitieve cijfers opgenomen in een uniforme monitor lokale lasten die het Centrum voor Onderzoek van de economie van de Lagere Overheden (COELO) in het voorjaar 2013 zal publiceren. Op basis daarvan zal ook het bestuurlijk overleg met het IPO, de VNG en Unie van Waterschappen worden gevoerd over de ontwikkeling van de lokale lasten, zoals dit ieder voorjaar gebeurt tijdens het zogenoemde Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen (Bofv).

Het aanpassen van de ozb-tarieven kent voor de gemeenten verschillende redenen. Niet alle gemeenten verhogen de ozb, er zijn ook gemeenten waar de ozb daalt. Bepalend, ook bij de toetsing aan de bestuurlijke macronorm ozb, is uiteindelijk hoe de opbrengst van deze belasting zich (macro) nominaal ontwikkelt. Binnen de wettelijke kaders van de Gemeentewet en de bestuurlijk overeengekomen macronorm ozb is het de autonome bevoegdheid van gemeenten om de tarieven voor de ozb en daarmee de nominaal te realiseren ozb-opbrengst in een begrotingsjaar te bepalen, hier moet de lokale democratie zijn werk doen. De verwachte stijging van de gemeentelijk woonlasten in 2013, gebaseerd op de steekproef van de VEH, komt onder de inflatie uit. Inflatie en areaaluitbreiding zijn de meest voorkomende reden voor gemeenten om de tarieven van heffingen en belastingen aan te passen. Daarnaast kunnen dalende inkomsten uit grondexploitatie en overige eigen inkomsten reden zijn.

Ter beheersing van de lastendruk wordt er, zoals uw Kamer bekend, jaarlijks tussen rijk en VNG een bestuurlijke afspraak gemaakt over de maximaal toegestane ozb-opbrengst, de zogenoemde bestuurlijke macronorm ozb. De totale landelijke opbrengst van de ozb mag op basis van deze norm stijgen met een beperkt percentage ten opzichte van het voorgaande begrotingsjaar. Voor 2013 bedraagt deze norm 3%, met een correctie voor de overschrijding van de norm met € 7,7 miljoen in 2012. Effectief komt de macronorm daarmee uit op afgerond 2,7%. Indien de definitieve cijfers over de ontwikkeling van de ozb-opbrengst in 2013 overeenkomen met de door de VEH gepresenteerde cijfers zou dit dus betekenen dat gemeenten binnen de grenzen van de (gecorrigeerde) macronorm voor het jaar 2013 blijven. Overigens zij opgemerkt dat in de jaren dat de WOZ-waarde van woningen enorme stijgingen lieten zien, veel gemeenten hun ozb-tarieven toen hebben verlaagd, ook omdat door de hogere grondslag met een lager tarief dezelfde ozb-opbrengst gerealiseerd kon worden. In deze tijden van daling van de WOZ-waarde is veelal het omgekeerde het geval.

De VEH stelt voor de ozb te vervangen door een ingezetenenbelasting. Op die manier betalen ook huurders mee aan de gemeentelijke voorzieningen. De VEH stelt verder nooit voorstander te zijn geweest van afschaffing van de gebruikersbelasting ozb. De gebruikersbelasting ozb is in 2006 afgeschaft op basis van het hoofdlijnenakkoord van het toenmalige kabinet van CDA, VVD en D66. De reden voor afschaffing was het feit dat men de ozb voor gebruikers van woningen een irritante belasting vond en het feit dat deze belasting het lastendrukbeleid van de Rijksoverheid teveel doorkruiste. (Kamerstukken II 2004/2005, 30 096, nr. 3). Hiervoor is compensatie geboden in het gemeentefonds. De suggestie van VEH voor verandering van de heffingsgrondslag is op zich een interessante gedachte. In het regeerakkoord zijn echter geen beleidsvoornemens opgenomen voor wijzigingen in vormgeving en/of omvang van het huidige lokale belastinggebied. De decentralisatieopgaven waar rijk en medeoverheden de komende jaren gezamenlijk voor staan zijn complex. Dat vergt dan ook nu alle aandacht. Voor de voorgestelde wijziging van de heffingsgrondslag die de VEH suggereert zie ik op dit moment dan ook geen ruimte.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk