De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
In artikel 1.10, eerste lid, aanhef, wordt «tezamen zorg voor» vervangen door: zorg
voor het nemen van de nodige maatregelen voor.
Toelichting
Doel van het wetsvoorstel is de bevordering en instandhouding van de biodiversiteit,
waarvoor de internationale verplichtingen leidend zijn. Gelet op de decentralisatie
van het natuurbeleid is voor het behalen van die doelstelling de inzet van provincies
van doorslaggevend belang. De hiervoor beschikbare provinciale middelen moeten zodanig
door hen kunnen worden ingezet, dat ze maximaal effect realiseren in het bereiken
van de internationale biodiversiteitsdoelen. In het bestuursakkoord natuur en het
Natuurpact hebben rijk en provincies hierover met elkaar afspraken gemaakt.
Een effectief beleid gericht op de bevordering van de biodiversiteit vraagt vooral
om een robuuste gebiedsgerichte aanpak door provincies. Voorkomen moet worden dat
provincies gedwongen worden om zodanig veel van de beschikbare middelen in te zetten
voor actieve bescherming van een beperkt aantal soorten, dat daarmee een dergelijke
effectieve gebiedsgerichte aanpak gericht op vele soorten in het gedrang komt. Dat
vraagt om een heldere omschrijving van de verantwoordelijkheid die provincies hebben
voor deze actieve soortenbescherming. Nu is dat niet duidelijk.
In de toelichting op de nota van wijziging (paragraaf 14.1.1) en de antwoorden hieromtrent
in het Nader Verslag, waaronder de antwoorden op vragen 75, 165 en 183 is aangegeven
dat provincies ten aanzien van actieve soortenbescherming een inspanningsverplichting
hebben en het rijk een resultaatverplichting. Echter, artikel 1.10 eerste lid zelf
bepaalt dat provincies verantwoordelijk zijn voor het zorgdragen voor het behoud of
herstel van een gunstige staat van instandhouding van plant- en diersoorten en habitats,
genoemd in de Vogel- en Habitatrichtlijn, wat duidt op een resultaatverplichting.
In het antwoord op vraag 75 in het Nader Verslag wordt gesteld dat «zorgdragen» slechts
een inspanningsverplichting inhoudt en een resultaatverplichting zou zijn geformuleerd
als «realiseren». Indieners achten echter de begrippen «zorgdragen» en «realiseren»
in dit verband als juridisch inwisselbaar.
Omdat bovendien op andere plaatsen in de toelichting (paragraaf 1 en 6) artikel 1.10
ook als resultaatverplichting wordt geduid, en het tweede lid van artikel 1.10 ook
betrekking lijkt te hebben op een resultaatsverplichting voor de provincies om het
Natuurnetwerk Nederland te realiseren, is duidelijkheid noodzakelijk. Niet alleen
vanuit oogpunt van zorgvuldige wetgeving, maar meer nog om te voorkomen dat provincies
mogelijk alsnog juridisch kunnen worden gedwongen tot buitensporige investeringen
in de actieve bescherming van enkele specifieke soorten waardoor een effectievere
gebiedsgerichte aanpak om de biodiversiteitsdoelen te realiseren, in het gedrang komt.
De tekst in het wetvoorstel gaat ook verder dan het advies van de Raad van State van
22 juni 2012, waarin geconstateerd wordt dat het destijds voorliggende wetsvoorstel
niet in een toereikend instrumentarium voorzag om aan de Europese richtlijnverplichtingen
te voldoen, omdat het geen bepalingen bevatte op grond waarvan (preventief) maatregelen
kunnen worden genomen om de gunstige staat van instandhouding van een soort te behouden
of te herstellen. Het ging de Raad van State hierbij dus om een grondslag om maatregelen
te kunnen nemen. De verplichting in het wetsvoorstel voor de provincies ziet nu echter
op het doel van de Europese Richtlijnen en niet op de mogelijkheid om maatregelen
te nemen om deze doelen te bereiken. Daarmee wordt de resultaatsverplichting, die
op basis van de Europese richtlijnen geldt voor de lidstaat, bij de provincie neergelegd,
wat niet in lijn is met de afspraken in het bestuursakkoord natuur en het Natuurpact.
Dit amendement regelt daarom dat de wettelijke bepalingen inzake de verantwoordelijkheid
van de provincies met betrekking tot de actieve soortenbescherming in overeenstemming
wordt gebracht met de bedoeling daaromtrent als weergegeven in paragraaf 14.1.1 van
de toelichting op de nota van wijziging en de antwoorden hieromtrent in het Nader
Verslag, en de bedoeling van het advies van de Raad van State van 22 juni 2012.
Voorgesteld wordt de term «zorgdragen» te wijzigen in «dragen zorg voor maatregelen
gericht op», hetgeen eenduidig vastlegt dat het hier een verplichting betreft die
betrekking heeft op het nemen van maatregelen, en niet op het resultaat.
De voorgestelde wijziging laat de resultaatverplichting van de lidstaat Nederland
met betrekking tot de internationale verplichtingen inzake de actieve soortenbescherming
ongemoeid. Deze blijft bij het rijk liggen, zoals ook in de toelichting en het Nader
Verslag aangegeven. Zoals in het Nader verslag in antwoord op vraag 165 is aangegeven
vloeit deze resultaatverantwoordelijkheid van het rijk reeds voort uit de internationale
verdragen en behoeft deze daarom geen verdere wettelijke regeling meer in de onderhavige
wet.
Een en ander betekent dat de voorgestelde wijziging geen enkele afbreuk doet aan de
uitvoering van de internationale verplichtingen met betrekking tot de actieve soortenbescherming.
Rudmer Heerema Leenders