I
Artikel 1.8a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van onderdeel a wordt «, en» vervangen door een puntkomma.
2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door «, en» wordt een onderdeel
toegevoegd, luidende:
-
c. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle
landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische
betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
II
In artikel 1.10, derde lid, wordt « «bijzondere provinciale natuurgebieden» » vervangen
door: «bijzondere provinciale natuurgebieden», onderscheidenlijk «bijzondere provinciale
landschappen».
Het huidige voorstel voor de Wet natuurbescherming richt zich blijkens de doelstelling
in artikel 1.8a, eerste lid, uitsluitend op natuur. Het zelfstandige belang van de
bescherming van landschappen3 – komt daarin niet tot uitdrukking. De artikelen 1.5 en 1.6a van het wetsvoorstel
voorzien er wel in dat de rijksnatuurvisie en de provinciale natuurvisie aandacht
besteden aan het landschapsbeleid. Ook moet het Planbureau voor de Leefomgeving ingevolge
artikel 1.8 van het wetsvoorstel rapporteren over de toestand en ontwikkelingen ten
aanzien van landschappen. Artikel 1.10, derde lid, van het wetsvoorstel biedt gedeputeerde
staten bovendien de mogelijkheid gebieden aan te wijzen «vanwege hun natuurwaarden
of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken».
De huidige doelstelling uit artikel 1.8a sluit hier echter niet op aan. De bescherming
van landschappen wordt alleen door de wettelijke doelstelling gedekt voor zover landschapswaarden
samenvallen met natuurwaarden. Dit terwijl landschappen ook andere waarden hebben,
waaraan zelfstandige betekenis toekomt, zoals cultuurhistorie, schoonheid en beleving.
De formulering van artikel 1.8a doet daaraan geen recht. Dat geldt ook voor de aanduiding
«bijzondere provinciale natuurgebieden» in artikel 1.10, derde lid, van het wetsvoorstel.
Er kan immers sprake zijn van waardevolle provinciale landschappen die als zodanig
niet als natuurgebied zijn te kwalificeren.
De indieners van dit amendement willen deze leemten in het wetsvoorstel opheffen.
Zij zijn van mening dat met de voorgestelde aanpassingen van de artikelen 1.8a en
1.10 beter recht wordt gedaan aan de zelfstandige waarde die landschappen hebben en
dat gedeputeerde staten daarmee een stevigere basis krijgen om waardevolle landschappen
aan te wijzen als «bijzonder provinciaal landschap». Hierbij valt te denken aan gebieden
als het Dommeldal in Noord-Brabant, het Geuldal in Limburg, Nieuwkoop in Zuid-Holland,
Midden-Delfland of het veengebied Midden Noord-Holland en Waterland. Wanneer gedeputeerde
staten een bijzonder provinciaal landschap aanwijzen strekt dit volgens de indieners
ertoe dat de kernkwaliteiten van dat landschap door de provincie worden geborgd.
De indieners willen echter benadrukken dat dit amendement gedeputeerde staten niet
verplicht om bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. Het is en blijft aan
de gedeputeerde staten zelf om een dergelijk gebied aan te wijzen, wanneer zij van
mening zijn dat een gebied buiten het natuurnetwerk Nederland bescherming verdient
vanwege de unieke landschappelijke waarden.
Ook willen de indieners benadrukken dat een «bijzonder provinciale landschap» geen
externe werking kan hebben. De afbakening dient zo te geschieden, dat de beoogde effecten
geheel binnen het aangewezen gebied vallen. De omvang van een gebied is daarbij ontwerp
van besluitvorming in de provinciale staten. In lijn met de afspraken over decentralisatie,
kan de status van bijzonder provinciaal landschap op basis van een Provinciaal besluit
ook weer worden ingetrokken.