Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2013
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Vereenvoudiging uitvoering UWV op 11 december
2012 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uw Kamer de toezegging
gedaan, dat hij met de collega’s in het kabinet zal overleggen over de mogelijkheid
van het combineren van indicaties voor AWBZ en sociale zekerheid. Aanleiding hiervoor
is de vraag van mevrouw Sent of de indicaties AWBZ en sociale zekerheid niet te combineren
zijn, zodat indicaties voor personen die zowel een beroep doen op de AWBZ als op een
sociale zekerheidsuitkering vereenvoudigd kunnen worden.
Met deze brief informeer ik u hierover, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport. In mijn reactie betrek ik de ontwikkelingen die de regering heeft
ingezet om op het terrein van de participatie, ondersteuning en begeleiding en (jeugd)zorg
tot meer samenhang te komen.
In de huidige situatie bestaan er voor mensen met een arbeidsbeperking verschillende
regelingen. Een deel van hen zal ook een beroep doen op (jeugd)zorgvoorzieningen.
De regering wil in deze kabinetsperiode decentralisaties op het gebied van de Participatiewet,
Jeugdzorg en AWBZ tot stand brengen met het doel om tot meer samenhang te komen.
Met de Participatiewet wil de regering bereiken dat zoveel mogelijk mensen meedoen
(participeren) in de samenleving. De Participatiewet voegt de Wet werk en bijstand,
de Wet sociale werkvoorziening en een deel van de Wajong samen. De Wajong blijft bestaan
voor diegenen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. De Participatiewet
stelt gemeenten in staat een samenhangende aanpak te ontwikkelen en hun beleid in
hun beleidsprogramma vast te leggen voor mensen die niet zonder ondersteuning op de
arbeidsmarkt kunnen participeren. Hiervoor is breed draagvlak bij gemeenten.
Met de Jeugdwet komt ook de gehele jeugdzorg onder verantwoordelijkheid van gemeenten.
Tevens worden grote delen van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) gedecentraliseerd
naar gemeenten en overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet. Vanuit de Wet maatschappelijke
ondersteuning (WMO) kunnen gemeenten vervolgens in een plan hun beleid voor maatschappelijke
ondersteuning vastleggen. In het plan geven zij onder andere bijzondere aandacht aan
een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning,
publieke gezondheid, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen en werk en inkomen.
Gemeenten zijn hierbij vrij om, binnen algemeen geformuleerde voorwaarden, te beoordelen
welke voorzieningen zij voor cliënten binnen de gemeentegrenzen aanbieden. Het Centraal
Indicatieorgaan Zorg (CIZ) blijft alleen een rol spelen in het kader van de Wet langdurige
zorg.
Voor groepen die nu nog onder UWV en het CIZ vallen gaan straks gemeenten in belangrijke
mate bepalen wie in aanmerking komt voor welke vorm van (re-integratie)ondersteuning.
Gemeenten kunnen het beste bepalen welke ondersteuning het meest effectief is. Zij
staan het dichtst bij de burger en kunnen bij uitstek de dienstverlening aan hun burgers
integraal en «op maat» aanbieden, zonder onnodige bureaucratie. Zij kunnen daarbij
aansluiten bij de lokale leefwereld van hun burgers en gebruikmaken van de eigen kracht
van de burgers en van hun omgeving. Gemeenten zijn dan in staat om de burger in de
diverse levensdomeinen breed te ondersteunen. De wetgeving zal de wettelijke kaders
bevatten om adequate ondersteuning van kwetsbare burgers te borgen.
De overlap in indicatiestelling bij UWV en CIZ zal met de voorgenomen wetswijzigingen
voor een belangrijk deel afnemen. UWV blijft beoordelen wie in aanmerking komt voor
een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA) en voor de nieuwe Wajong voor jonggehandicapten
zonder arbeidsvermogen. Daarnaast zal UWV in verband met de Participatiewet in de
toekomst beoordelen of iemand behoort tot de doegroep voor de baangarantie/quotum
of tot de doelgroep voor beschut werk. CIZ zal in de toekomst in het kader van de
Wet langdurige zorg beoordelen wie behoefte heeft aan langdurig intensieve zorg in
de vorm van permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De verwachting
is dat de groep personen die met beide organen of indicaties te maken heeft, beperkt
is.
Met het ingezette beleid wordt naar mijn mening een belangrijke stap gezet om te komen
tot meer integrale dienstverlening op het terrein van zorg en sociale zekerheid. De
wetgeving die hiermee samenhangt is in voorbereiding en zal na aanvaarding in de Tweede
Kamer aan uw Kamer worden voorgelegd.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma