33 322 Wijziging van de Meststoffenwet (invoering stelsel verantwoorde mestafzet)

Nr. 19 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 5 september 2013

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

In artikel I, onderdeel F, vervalt in het voorgestelde artikel 33a, zevende lid, de zinsnede «, teneinde te voorkomen dat deze de overgedragen dierlijke meststoffen overdraagt met het oog op het aanbrengen van de dierlijke meststoffen op of in landbouwgrond».

Toelichting

In het voorgestelde artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, wordt geregeld dat de Minister van Economische Zaken een bepaalde keten kan uitzonderen van de mestverwerkingsplicht van artikel 33a, tweede lid, onder 1°. Deze mogelijkheid was, blijkens de toelichting bij de (eerste) nota van wijziging (Kamerstuk 33 322, nr. 14, p. 19), noodzakelijk voor gevallen waarin een keten bestaat uit meer dan drie partijen – waardoor de driepartijenovereenkomst in de zin van artikel 33a, derde lid, onderdeel b, geen uitkomst biedt – op voorwaarde dat in voldoende mate is verzekerd dat de mest uiteindelijk wordt verwerkt zodat geen extra druk op het stelsel van gebruiksnormen ontstaat. Voor dergelijke gevallen is een aparte uitzonderingsmogelijkheid op de verwerkingsplicht opgenomen via de aanwijzing van afnemers. Deze houdt in dat geen dierlijke meststoffen naar een verwerker behoeven te worden gebracht, voor zover mest is overgedragen aan een bij ministeriële regeling aangewezen categorie afnemers.

Bij gelegenheid van het nader rapport is deze mogelijkheid uitgebreid (Kamerstuk 33 322, nr. 15, p. 9–10). Ook voor biologische landbouwers moest namelijk een aparte uitzondering gelden. Ingevolge Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PbEU 2008, L 250) bestaat voor een biologische veehouder de verplichting de op zijn bedrijf geproduceerde mest die hij niet op grond in eigen gebruik kan gebruiken, aan andere biologische landbouwers (met name akkerbouwers) over te dragen. Door deze verplichting bestaat voor biologische veehouders geen mogelijkheid een deel van het bedrijfsoverschot te laten verwerken, zoals het wetsvoorstel vereist. In verband hiermee is in artikel 33a, tweede lid, opgenomen dat ook een categorie landbouwers kan worden aangewezen voor wie de verwerkingsplicht niet geldt.

Abusievelijk is deze uitbreiding niet volledig in artikel 33a, zevende lid, doorgevoerd. Hierin wordt geregeld dat op het niveau van een ministeriële regeling eisen kunnen worden gesteld om te voorkomen dat de genoemde ketens alsnog zouden kunnen leiden tot extra druk op de gebruiksnormen, doordat deze als «sluiproute» zouden worden gebruikt. De clausule die hiervoor in de genoemde bepaling was opgenomen – «teneinde te voorkomen dat deze de overgedragen dierlijke meststoffen overdraagt met het oog op het aanbrengen van de dierlijke meststoffen op of in landbouwgrond» – was geformuleerd met het oog op alleen de aanwijzing van afnemers die onderdeel uitmaken van een keten, niet zijnde landbouwers. Nu de bepaling is uitgebreid tot de mogelijkheid eisen te stellen aan (biologische) veehouders en ook het oogmerk heeft aan biologische akkerbouwers eisen te kunnen stellen, is de formulering van de clausule te beperkt geworden. Om die reden wordt de clausule geschrapt. Uiteraard doet dit niet af aan het ratio van de bepaling: er zullen alleen eisen gesteld worden indien deze nodig zijn om te waarborgen dat de aanwijzing van een keten niet leidt tot extra druk op de gebruiksnormen.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Naar boven