Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het nader voorlopig verslag dat de vaste
commissie voor Veiligheid en Justitie heeft uitgebracht. De leden van de SP-fractie
hebben nog een aantal vragen en opmerkingen ten aanzien van het antwoord op de vraag
van de regering waarom niet in de wet wordt opgenomen dat een mediation geacht wordt
te zijn aangevangen op het moment dat de mediationovereenkomst schriftelijk is gesloten.
De leden van de CDA-fractie sluiten zich bij deze vragen en opmerkingen aan.
Graag beantwoord ik de gestelde vragen en ga ik in op de gemaakte opmerkingen.
Het eerste lid van artikel 8 van de richtlijn mediation luidt: De lidstaten zorgen ervoor dat de partijen die voor bemiddeling/mediation kiezen om
te pogen een geschil te schikken, daarna niet wordt belet een gerechtelijke procedure
of arbitrage met betrekking tot hun geschil aanhangig te maken door het verstrijken
van verjaringstermijnen tijdens het bemiddelings-/mediationproces. Overweging 24 meldt hierover: «Teneinde de partijen aan te moedigen van bemiddeling/mediation gebruik te maken,
moeten de lidstaten ervoor zorgen dat hun regels inzake verjaring de partijen niet
beletten naar de rechter of naar een arbitrage-instantie te gaan indien hun bemiddelings-/mediationpoging
geen resultaat heeft. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat dit resultaat wordt bereikt,
ook al worden de nationale regels inzake verjaring bij deze richtlijn niet geharmoniseerd.» Het artikel is geïmplementeerd in artikel 6 van het wetsvoorstel, waarbij het eerste
lid luidt: De verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door de aanvang van mediation.
De leden van de fracties van de SP en het CDA vinden het van essentieel belang om
vast te kunnen stellen wanneer een mediation aanvangt, omdat vanaf dit moment de verjaring
van de rechtsvordering die in geschil is, wordt gestuit. De NMI werkgroep mediation
heeft in dit verband voorgesteld in de wet vast te leggen dat de mediation in elk
geval aanvangt op het moment dat een schriftelijke mediationovereenkomst is gesloten.
Zij vragen mij welwillend naar dit dringende verzoek te kijken.
De aanvang van de mediation vormt in de voorgestelde regeling inderdaad van essentieel
belang. Ons systeem van stuitingsgronden is immers limitatief (vgl. de artikelen 3:316
tot en met 318 BW). Graag ga daarom nader in op wat moet worden verstaan onder het
in artikel 6 voorgestelde begrip aanvang.
-
− Een mediation vangt niet aan door het overeenkomen van een mediationclausule. Door het sluiten van een overeenkomst
waarin een mediationclausule is opgenomen, spreken partijen slechts af bij een toekomstig
geschil mediation in te zetten om het geschil te beslechten.
-
− Een mediation vangt aan door het verrichten van enige concrete handeling ter uitvoering
van de mediation. Dit kan zijn:
-
a. Ondertekening van een afzonderlijke mediationovereenkomst waarin partijen afspreken
op welke wijze zij zich zullen inspannen om het (vaak in die overeenkomst geduide)
geschil door middel van mediation op te lossen. Een voorbeeld van zo’n overeenkomst
is de modelovereenkomst van het NMI;
-
b. Het mondeling overeenkomen van een mediationovereenkomst, of het door een brief- of
emailwisseling afspreken dat mediation wordt beproefd;
-
c. Het feitelijk starten van de mediation, bijvoorbeeld door het voeren van mediationgesprekken.
Dat kan ook zijn ter uitvoering van een in het onderliggende (bijvoorbeeld dienstverlenings-)contract
overeengekomen mediationclausule.
Op grond van artikel 150 Rv dient de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van
door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten te dragen,
tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid
een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Indien een partij derhalve stelt
dat de verjaring van de rechtsvordering is gestuit omdat mediation is aangevangen,
dient hij dit te bewijzen. Het overleggen van een schriftelijke mediationovereenkomst
als beschreven onder a. is daarvoor het eenvoudigst. Daarom, maar ook om duidelijkheid
te scheppen over de werkwijze van de mediator en de verwachtingen over en weer, acht
ik het zeker wenselijk dat een mediationovereenkomst schriftelijk wordt aangegaan.
Ik hoop met deze nadere uitleg ook de praktijk voldoende handvatten te hebben gegeven
en het misverstand dat wellicht kan zijn gerezen naar aanleiding van de laatste paragraaf
in de memorie van antwoord te hebben weggenomen. In de wet vastleggen dat de mediation
in ieder geval aanvangt door het sluiten van een schriftelijke mediationoverenkomst
is dan niet nodig.
De minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten