Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233262 nr. 4

33 262 Wijziging van de Invorderingswet 1990 (Wet uitstel van betaling exitheffingen)

Nr. 4 VERSLAG

Vastgesteld 29 juni 2012

De vaste commissie voor Financiën belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

   

Blz.

     

Algemeen

1

Doel en strekking van de voorgestelde regeling

2

Budgettaire aspecten, uitvoeringskosten Belastingdienst en gevolgen voor bedrijfsleven en burger

3

Artikelsgewijze toelichting

3

Artikel 25a

3

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de PVV hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Daarbij hebben deze leden echter wel de volgende vragen, aan- of opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zijn positief over het feit dat de regering de huidige strijd met de vrijheid van verkeer van werknemers en van kapitaal wil wegnemen. Deze leden vragen echter wel of de regering met dit wetsvoorstel afdoende maatregelen genomen heeft. Daarom hebben deze leden enkele vragen over het wetsvoorstel. De leden van de CDA-fractie vragen de regering om tevens in te gaan op de vragen en opmerkingen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs.

Doel en strekking van de voorgestelde regeling

Kan de regering aangeven wat de verschillen zijn tussen de arresten National Grid Indus en de N-zaak, zo vragen zowel de leden van de PVV-fractie als de leden van de CDA-fractie. Hoe beoordeelt de regering deze verschillen? Wat betekent dit voor het onderhavige wetsvoorstel?

In de bestaande bijzondere uitstelregelingen bij emigratie eindigt het uitstel van betaling uiterlijk na ten hoogste 10 jaren, eventueel gevolgd door kwijtschelding, en is geen invorderingsrente verschuldigd gedurende het uitstel van betaling. De leden van de PVV-fractie vragen hoe de regering aankijkt tegen de verschillen tussen deze regelingen.

In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is geregeld dat zekerheidstelling en een schriftelijk verzoek achterwege kunnen blijven bij emigratie naar een andere lidstaat. Ziet de regering naar aanleiding van het arrest National Grid Indus reden om deze regeling aan te passen?

Voorts vragen de leden van de PVV-fractie of de regering de mogelijkheid ziet om alle bijzondere uitstelregelingen op dezelfde leest (verplichte zekerheidstelling, uitstel van betaling, geen tienjaarstermijn gevolgd door kwijtschelding) te schoeien als het voorgestelde artikel 25a?

De leden van de CDA-fractie lezen dat in het wetsvoorstel wordt geregeld dat bij verplaatsing van de feitelijke leiding uitstel van betaling wordt gegeven over de belasting, de zogenoemde exitheffing. De belastingschuldige is dan wel rente verschuldigd over het bedrag van de belastingaanslag.

De leden van de CDA-fractie betwijfelen of de regering hiermee de huidige situatie van strijd met het Europese recht afdoende oplost. Er is immers nog steeds geen sprake van het gelijk behandelen van binnenlandse belastingplichtigen en belastingplichtigen die naar een andere lidstaat emigreren. De eerste categorie belastingplichtigen betaalt pas belasting op het moment van realisatie van de stille reserves, waarbij tot dat moment geen belastingaanslag wordt opgelegd en dus zijn zij ook geen rente verschuldigd, terwijl de tweede categorie belastingplichtigen direct een belastingschuld heeft waarover zij bovendien ook nog rente moeten betalen. Kan de regering uiteenzetten waarom met dit wetsvoorstel het verschil in behandeling tussen binnenlandse belastingplichtigen en belastingplichtigen die naar een andere lidstaat emigreren wordt weggenomen?

Wat is de reactie van de regering op de stelling van de leden van de CDA-fractie dat uitstel van betaling tegen betaling van rente geen materiële verandering aanbrengt aan de huidige situatie, omdat belastingplichtigen nu ook een lening kunnen afsluiten om de exitheffing te betalen waarbij de rente op de lening de vergoeding is voor de prestatie. Waarom is de regering van mening dat het op grond van het arrest National Grid Indus is toegestaan om invorderingsrente te berekenen over het bedrag van de exitheffing waarvoor uitstel van betaling wordt gegeven? Hoe verhoudt zich dit tot de formulering van het Europese Hof van Justitie dat bij «uitgestelde betaling van het bedrag van genoemde heffing, in voorkomend geval inclusief rente overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling»? In de Nederlandse belastingsystematiek wordt onderscheid gemaakt tussen heffingsrente en invorderingsrente. Heffingsrente is de vergoeding voor gemiste rente, omdat belastingen na afloop van het desbetreffende jaar betaald worden. Invorderingsrente is de rente die de belastingplichtige moet betalen als de belastingaanslag te laat betaald wordt. In de toepasselijke Nederlandse regeling betaalt een belastingplichtige met stille reserves wel heffingsrente, maar geen invorderingsrente. Waarom is de regering dan toch van mening dat op grond van deze overweging in het arrest National Grid Indus het is toegestaan om in geval van emigratie invorderingsrente te berekenen? De leden van de CDA-fractie vragen hoe dit zich verhoudt met de gevolgen voor natuurlijke personen die naar een andere lidstaat emigreren. Voor particulieren die emigreren geldt immers dat zij geen rente verschuldigd zijn en bovendien wordt na tien jaar het bedrag van de «exitheffing» kwijtgescholden. Waarom heeft de regering niet gekozen om de gevolgen van emigratie door natuurlijke personen en ondernemingen gelijk te trekken? Kan de regering aangeven welke verschillen er precies bestaan tussen de belastingheffing bij emigratie van natuurlijke personen en van ondernemingen en waarom de regering deze verschillen rechtvaardig acht?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de uitspraak van Hof Amsterdam d.d. 31 mei 2005 (BW7939), waarin het Hof geoordeeld heeft dat het in rekening brengen van invorderingsrente niet in strijd is met de vrijheid van vestiging. Wat is volgens de regering de reikwijdte van deze uitspraak?

Budgettaire aspecten, uitvoeringskosten Belastingdienst en gevolgen voor bedrijfsleven en burger

Kan de regering nader toelichten waarom verwacht wordt dat er slechts enkele malen per jaar gebruik gemaakt zal worden van de uitstelregeling, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Hoeveel bedrijven emigreren er per jaar van Nederland naar een andere lidstaat? Is de verwachting dat zij zoveel mogelijk gebruik zullen maken van het uitstel van betaling?

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 25a

Klopt het dat, zo vragen de leden van de PVV-fractie, tenzij zich een situatie voordoet zoals beschreven in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, onbeperkt uitstel van betaling mogelijk is. Of wordt dit «oneindige uitstel» in wezen beperkt door het berekenen van invorderingsrente? Geldt voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, ook de mogelijkheid van een beroep op een doorschuifregeling bijvoorbeeld bij de juridische fusie en splitsing?

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Aptroot

De adjunct-griffier van de commissie, Giezen