Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201933258 nr. 42

33 258 Voorstel van wet van de leden Van Raak, Fokke, Koser Kaya, Voortman, Segers, Thieme en Klein houdende de oprichting van een Huis voor klokkenluiders (Wet Huis voor klokkenluiders)

Nr. 42 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 juni 2019

Tijdens het Algemeen Overleg van 25 april jl. met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heb ik toegezegd de heer Van Zutphen vanwege zijn expertise in zijn hoedanigheid van Nationale ombudsman te vragen of hij bereid is mee te denken en advies uit te brengen over de problematische situatie bij het Huis voor klokkenluiders (Kamerstuk 33 258, nr. 41).

Op 9 mei jl. heb ik met de heer Van Zutphen gesproken. Tijdens het Algemeen Overleg heb ik ook toegezegd de Tweede Kamer te zullen informeren over de aan hem voor te leggen vraagstelling. In deze brief ga ik op deze punten in.

Tijdens het Algemeen Overleg heb ik aangegeven dat voor mij de huidige Wet Huis voor Klokkenluiders en het rapport van de heer Ruys het uitgangspunt zijn voor de huidige situatie. Ik heb direct na het verschijnen van dat rapport, maar ook in het Algemeen overleg, gemeld te hechten aan de voortvarende implementatie van alle aanbevelingen van het rapport. U hebt aangegeven dat wij deze opvatting met elkaar delen.

Ik heb u eerder al geïnformeerd over het feit dat alle aanbevelingen in het rapport van de heer Ruys die aan mij zijn gericht uitgevoerd zijn. Het bestuur van het Huis heeft mij na het Algemeen Overleg laten weten dat zij uw Kamer zelf op de hoogte zullen stellen over de aanbevelingen die aan hen gericht zijn.

Ik heb de heer Van Zutphen geïnformeerd over de huidige problematiek bij het Huis voor klokkenluiders. Ik heb hem daarbij ook op de hoogte gebracht van de vaststelling tijdens het Algemeen Overleg dat het tot nu toe nog niet gelukt is om op een zodanige wijze uitvoering te geven aan de taakopdracht uit de wet Huis voor klokkenluiders en de aanbevelingen van het rapport Ruys, dat er sprake is van een naar volle tevredenheid functionerend Huis voor klokkenluiders.

De vraag aan de heer Van Zutphen heb ik als volgt geformuleerd: «Kunt u op basis van een nadere analyse en eventueel een vergelijking met het werkproces van de Nationale ombudsman of ervaringen in het buitenland, een advies geven over de wijze van organiseren van de functies preventie, onderzoek en advies rond klokkenluiders opdat het Huis zijn belangrijke taak zoals beoogd met de wet kan waarmaken?»

De heer Van Zutphen heeft zich bereid verklaard een dergelijk advies te geven. Hij denkt ongeveer zes weken nodig te hebben om deze vraag te beantwoorden. Hij zal daartoe in elk geval met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken in gesprek gaan.

Ik vertrouw erop hiermee voldaan te hebben aan mijn toezegging aan uw commissie. Indien u nog aandachtspunten mee wilt geven bij deze adviesopdracht verzoek ik u die op korte termijn aan mij kenbaar te maken dan wel deze in het gesprek met de Nationale ombudsman aan de orde te stellen.

Ik streef er naar het advies van de heer Van Zutphen mogelijk nog voor het zomerreces aan uw Kamer toe te zenden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren