Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233250 nr. 6

33 250 Wijziging van een aantal wetten, houdende regels betreffende zelfstandige bestuursorganen die onder de Minister van Infrastructuur en Milieu ressorteren en enige wijzigingen ter actualisatie, vereenvoudiging en verduidelijking (Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 29 juni 2012

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu met betrekking tot het voorstel tot wijziging van een aantal wetten, houdende regels betreffende zelfstandige bestuursorganen die onder de Minister van Infrastructuur en Milieu ressorteren en enige wijzigingen ter actualisatie, vereenvoudiging en verduidelijking (Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s). Tot mijn genoegen kan ik uit de reacties van de fracties opmaken dat zij zich positief opstellen ten aanzien van het onderhavige wetsvoorstel. Graag zal ik in deze nota de in het verslag gestelde vragen beantwoorden en op de gemaakte opmerkingen inhoudelijk reageren. Daarbij zal ik zoveel mogelijk de in het verslag gehanteerde volgorde aanhouden. Waar mogelijk zijn vragen van dezelfde aard en inhoud gezamenlijk beantwoord.

1. Algemeen

Allereerst geven de leden van de VVD-fractie aan te beseffen dat sommige zbo’s zoals de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en de Stichting Airport Coordination Netherlands (SACN) een internationaal karakter hebben. Hier kan het gaan om samenwerkingsverbanden, en er is ook een relatie met initiatieven als een gemeenschappelijk Europees luchtruim. De leden van de VVD-fractie vragen of het onder de Kaderwet brengen van de zbo’s nog invloed op deze samenwerkingsverbanden en initiatieven heeft.

Het feit dat de Kaderwet van toepassing wordt op de LVNL en de SACN heeft geen directe invloed op de mogelijkheden voor deze zbo’s om internationaal te opereren of samenwerkingsverbanden aan te gaan. Het sluiten van samenwerkingsverbanden blijft mogelijk. Bij de vormgeving van dergelijke verbanden wordt rekening gehouden met de wijze waarop de instellingswetten van de LVNL en de SACN nu worden aangepast.

Naar aanleiding van de vragen van de leden van de VVD-fractie of het onder de Kaderwet brengen van de zbo’s administratieve consequenties heeft voor de overheid zelf alsmede of en in hoeverre dit tot meer bureaucratie leidt meld ik u het volgende.

Ik heb de implementatie van de Kaderwet aangegrepen om voor de onder mij ressorterende zbo’s een uniforme governance te bewerkstelligen. Daarmee wordt een uniforme aansturing van en toezicht op de zbo’s mogelijk. De toezichtvisies voor de individuele zbo’s zullen dan ook zo veel mogelijk gelijkluidend worden ingericht. Dit zal juist tot meer slagvaardigheid voor de ambtelijke organisatie leiden en daarmee tot minder beheerslasten.

De leden van de VVD-fractie willen weten of de overheveling van enkele bevoegdheden van de raad van toezicht naar de minister consequenties heeft voor de bezetting van de raden van toezicht. De leden van de CDA-fractie verzoeken om toelichting welke toezichthoudende taken de verschillende Raden houden.

De raden van toezicht bij de onder mij ressorterende zbo’s zijn interne controleorganen die toezicht houden op het bestuur van het zbo en het bestuur adviseren. De raden van toezicht zien toe op de wijze waarop het bestuur uitvoering geeft aan de taken van het zbo en op de opzet en werking van de interne risicobeheersings- en controlemechanismen. Een aantal belangrijke beslissingen van het bestuur van de zbo’s behoeven de goedkeuring of instemming van de raad van toezicht. Het gaat bijvoorbeeld om besluiten over investeringen die een door de raden van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan. De raden van toezicht leggen verantwoording af aan mij en rapporteren jaarlijks over hun werkzaamheden. Ten minste eens per jaar bespreek ik met de raden – in afwezigheid van het bestuur – hun eigen functioneren, dat van het bestuur en de daaraan te verbinden conclusies. De raden informeren, evenals de besturen, mij tijdig over zaken die de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van IenM raken en ze verstrekken mij daarnaast (gevraagd of ongevraagd) de nodige informatie. De leden van de raden van toezicht worden reeds nu op hun specifieke deskundigheid op verschillende vakgebieden geselecteerd. Hierin brengt het van toepassing worden van de Kaderwet geen verandering.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering ook een verbeterslag verwacht in het functioneren van de zbo’s na het onder de Kaderwet brengen.

Uniforme governance en uniforme aansturing van en toezicht op de zbo’s is ook voor de zbo’s van belang. Het schept helderheid in de verhoudingen. In de tezamen met de zbo’s te actualiseren toezichtvisies zullen de kaders bondig en duidelijk worden beschreven. Ik verwacht dat dit het functioneren van de zbo’s ten goede komt.

De leden van de CDA-fractie willen weten op welke manier het behouden van de eigen cao van de zbo’s bijdraagt aan uniformiteit.

De onder mijn ministerie ressorterende publiekrechtelijke zbo’s behouden de bevoegdheid een eigen cao af te sluiten. Uit het oogpunt van kostenefficiëntie is dit noodzakelijk. Indien voor de medewerkers van deze zbo’s, anders dan in het wetsvoorstel nu voorzien, de rechtspositieregels van het Rijk van toepassing zouden worden, moeten de arbeidsvoorwaardenpakketten worden heronderhandeld. Dit leidt tot ongewenste consequenties aangezien de aanpassing van de cao’s overgangsregelingen vereist, waarbij verworven rechten voor lange tijd gerespecteerd dienen te worden. De baten daarvan zouden nauwelijks opwegen tegen de kosten. Een verhoging van de personele lasten zou zijn weerslag hebben op de in rekening te brengen tarieven.

2. CBR

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de klachtenprocedure bij het CBR de laatste tijd verbeterd is. Ze vragen de regering aan te geven op welke manier de instelling van een gebruikersraad de klachtenafhandeling kan verbeteren.

Met de leden van de CDA-fractie ben ik van mening dat het CBR veel acties heeft ondernomen om de klachtenprocedure te verbeteren. Zo is de toegankelijkheid van de klachtenprocedure vergroot, de kwaliteit en snelheid van de klachtafhandeling verbeterd en de onafhankelijkheid van de klachtafhandeling geborgd. Voorts heeft het CBR allerlei procesverbeteringen doorgevoerd, mede naar aanleiding van recente inzichten in klachtpatronen. Ook wordt er eenmaal per kwartaal een klanttevredenheidsonderzoek verricht om verbeterpunten te identificeren. Daarnaast zal de gebruikersraad de klanten van het CBR in de gelegenheid stellen periodiek hun oordeel te geven over de kwaliteit van de taakuitvoering dan wel verbetervoorstellen te doen. Met de gebruikersraad zal het CBR bevindingen vanuit klantonderzoeken en klachten periodiek bespreken, zodat deze inzichten kunnen bijdragen aan het verbeteren van de dienstverlening.

De leden van de SP-fractie vinden het verheugend om te zien dat de regering het CBR van een privaatrechtelijk zbo omvormt tot een publiekrechtelijk zbo. Volgens de leden van de SP-fractie heeft het CBR een natuurlijk monopolie aangezien er bij de rijexamens geen sprake is van een concurrerende markt. Voor de lange termijn is het volgens de leden van de SP-fractie noodzakelijk dat het CBR weer onder directe democratische controle valt. Een dergelijke organisatie die als enige een wettelijke taak uitvoert, hoort niet zelfstandig te opereren, maar direct aangestuurd te worden door de minister. Meer democratische controle is goed en gewenst.

Ik zie de opmerking van de leden van de SP-fractie als ondersteuning van mijn beleid. Met het publiekrechtelijk regime worden mijn ministeriële bevoegdheden geborgd. Het CBR heeft mij te kennen gegeven zich meer in de maatschappij te willen plaatsen en meer open te staan voor prikkels uit de maatschappij. Zo verkrijgt het CBR meer inzicht in de klantenwensen waardoor het CBR klantvriendelijker kan werken. Ik blijf de komende periode de vinger aan de pols houden ten aanzien van de verdere voortgang en uitvoering van het CBR-Verbeterprogramma op dit punt.

3. SACN

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering toe te lichten waarom, juist vanwege de onafhankelijke status die de SACN heeft, de minister geen toezicht houdt op de begroting.

De Afdeling advisering van de Raad van State stelt in haar advies dat indien de luchthavencoördinator wordt gefinancierd door belanghebbende partijen, zoals in Nederland thans het geval is, toezicht van de Minister van IenM op de begroting, als onderdeel van het financieringssysteem, niet kan worden gemist. De minister heeft daarmee een instrument om in te grijpen wanneer de beoogde financiering van activiteiten de onafhankelijke positie van de luchthavencoördinator in gevaar brengt. Goedkeuring van de begroting door de raad van toezicht van de SACN kan daarvoor niet in de plaats worden gesteld. Gegeven de verantwoordelijkheid van de Minister van IenM voor het waarborgen van de onafhankelijke status van de luchthavencoördinator, heeft de Afdeling geadviseerd het voorgestelde artikel 7.3, tweede lid, van de Wet luchtvaart aan te passen, in die zin dat daarin de van toepassing uitgezonderde artikelen 26 en 29 van de Kaderwet worden geschrapt. Zoals uit het nader rapport blijkt is dit advies in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting overgenomen. De goedkeuring van de begroting vindt plaats door de Staatssecretaris van IenM. De raad van toezicht van de SACN wordt daarbij geraadpleegd.

De leden van de SP-fractie willen weten of de minister de mogelijkheid krijgt om te sturen op het toewijzingsbeleid van de slots voor start en landingen. Indien dat niet het geval is, willen ze weten of de regering de voordelen ziet van het hebben van die bevoegdheid.

De grondslag voor de regelgeving over slotallocatie wordt gevormd door verordening (EG) nr. 95/93 van de Raad van de Europese Unie van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels van slots op communautaire luchthavens (PbEG L 014). Deze verordening is gewijzigd door verordening (EG) nr. 793/2004 van het Europees Parlement van 21 april 2004 (PbEU L 138). Ingevolge de genoemde Europese verordeningen wijst de lidstaat, in dit geval de Staatssecretaris van IenM, een luchthavencoördinator aan. De taak van de luchthavencoördinator is het verdelen van de slots in overeenstemming met de beginselen en verdelingscriteria die in de verordeningen worden genoemd: transparantie, onpartijdigheid en non-discriminatie. De verordeningen vereisen een onafhankelijke positie van de luchthavencoördinator. Dit betekent dat de luchthavencoördinator zijn taken in volledige functionele onafhankelijkheid uitvoert. Van politieke beïnvloeding kan geen sprake zijn. Het is onwenselijk dat de Staatssecretaris van IenM betrokken raakt bij de daadwerkelijke verdeling van slots. De Europese verordeningen over slotallocatie bieden geen ruimte voor deze bevoegdheid van de minister.

De minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus