Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-201233241 nr. B

33 241 Wijziging van de Ziektewet en enige andere wetten om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van vangnetters te beperken (Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 14 september 2012

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben er begrip voor dat de regering paal en perk wil stellen aan de instroom in de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van zogenaamde vangnetters. Zij vragen zich echter ten zeerste af of dit doel met dit wetsvoorstel gehaald zal worden en maken van de gelegenheid gebruik de regering enkele vragen te stellen.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met zorg kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Het wetsvoorstel beoogt het langdurig ziekteverzuim onder vangnetters terug te dringen en de instroom van vangnetters in de WIA te voorkomen. Graag maken de leden van deze fractie van de gelegenheid gebruik de regering enkele vragen te stellen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en van de uitgebreide behandeling in de Tweede Kamer. Zij stellen graag nog twee meer algemene vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben een aantal vragen over de effectiviteit en houdbaarheid van het voorstel en ten aanzien van het draagvlak voor het wetsvoorstel.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel beoogt – kort gezegd – niet alleen de werkhervatting van de zieke werknemers zonder werkgever (verder de vangnetters) te stimuleren maar ook het langdurig ziekteverzuim terug te dringen en de instroom van ZW-gerechtigden in de Wet WIA te voorkomen. Spoedige herintreding in het arbeidsproces dient zoveel mogelijk te worden bevorderd. De leden van deze fractie onderschrijven de doelstelling van het wetsvoorstel, maar hebben desniettemin nog enige vragen.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij delen weliswaar de intentie van de regering om zoveel mogelijk te voorkomen dat zieke werkloze werknemers en zzp-ers/freelancers, de zogenaamde vangnetters, doorstromen naar de WIA en daar het risico lopen er duurzaam te verblijven, maar maken zich tevens grote zorgen. Zij hebben naar aanleiding van het wetsvoorstel dan ook nog verschillende vragen.

VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vernemen graag wat activerend arbeidsmarktbeleid, uitgedrukt in structurele werkgelegenheid, sinds de Melkertbanen in het algemeen heeft opgeleverd.

Onder de verzamelnaam «vangnetters» is in dit wetsvoorstel een grote diversiteit aan werknemers samengebracht. Zouden de maatregelen niet meer toegesneden moeten zijn? Een werknemer die altijd een vast dienstverband heeft gehad en die bijvoorbeeld ten gevolge van faillissement van zijn werkgever in de WW terecht komt en dan ziek wordt, vraagt een andere begeleiding dan iemand met een sociaal-psychologische problematiek. De leden van de VVD-fractie vinden het onlogisch dat de voorgestelde maatregelen voor vangnetters scherper zijn dan voor werknemers met een vast dienstverband (bijvoorbeeld eerder intreden WIA-criterium) terwijl de groep vangnetters voor een groot deel een grotere kwetsbaarheid heeft. Kan de regering de ratio hiervan uitleggen? Waarom is er niet voor gekozen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de kwetsbare groepen vangnetters intensiever te laten begeleiden?

De regering streeft ernaar zoveel mogelijke werknemers, inclusief ouderen, aan het werk te krijgen, te hebben en te houden. De vraag rijst welke werkgever (zelfs zonder dit wetsvoorstel) nog een 57-jarige die ten gevolge van een bepaalde problematiek regelmatig ziek is, wil aannemen. Welke werkgever neemt een herstelde, kansarme werknemer (ongeacht zijn leeftijd) uit de ZW dan wel Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) aan (tijdelijk of vast), wanneer hij weet dat als deze werknemer weer uitvalt, zijn individuele dan wel sectorale premielasten aanzienlijk zullen stijgen? Dan wel indien hij eigen risicodrager is, zijn risico wel erg groot wordt? Een, met name kleine, werkgever heeft ook ten opzichte van zijn andere werknemers de plicht zijn financiële risico’s goed af te wegen.

Vanuit de werknemer bezien betekent dit dat hij, als hij hersteld is vanuit de ZW of WGA, moet concurreren met «gewone» (niet ex-zieke) werklozen. Hoe reëel vindt de regering dit?

Voor wat betreft het bepalen van de premie vragen de leden van de VVD-fractie tot welke sector de werknemer behoort die uit de ZW komt en inmiddels niet meer zijn eigen arbeid, maar gangbare arbeid moet verrichten.

Ten aanzien van de indeling in grote, kleine en middelgrote werkgevers2 vragen de leden van de VVD-fractie wat de gemiddelde loonsom is en hoe deze wordt berekend. Welke bedrijven worden bijvoorbeeld aangemerkt als groot? En hoe wordt omgegaan met bedrijven die net rondom de grens zitten, het ene jaar groot en het volgend jaar middelgroot? Ook willen deze leden graag weten waarom de loonsomgrens voor kleine werkgevers bij lagere regelgeving wordt vastgelegd.

De wet valt op door een veelheid aan details en vervolgens door uitzonderingen op de details, hetgeen de uitvoering zeer complex maakt en de inverdieneffecten moeilijk realiseerbaar maakt. Zonder de uitvoeringskosten precies te kennen3, vragen de leden van de VVD-fractie of dit de ultieme vorm van administratieve lastenverlaging is die de diverse kabinetten de afgelopen jaren in de sociale zekerheidswetgeving hebben nagestreefd. Hoe moet de opmerking dat de kennisneming van de wet de burger gemiddeld 10 minuten per ZW-gerechtigde kost4, worden verstaan?

Het eerdere systeem van premiedifferentiatie in de sociale verzekeringen (Pemba) was geen succes. Voor het goed en wel werd ingevoerd, werd het afgeschaft. Wat is het verschil met Pemba voor wat betreft het beoogde effect van de premiedifferentiatie?

PvdA-fractie

Aanleiding

In de memorie van toelichting wordt gesteld5 dat het gevoerde beleid tot op heden geen effect heeft gehad op de instroom van vangnetters. Echter, de Raad van State merkt op dat de groep flexwerkers en uitzendkrachten op de arbeidsmarkt in de afgelopen periode groter is geworden, terwijl de instroom van vangnetters in de Wet WIA gelijk is gebleven. Ten opzichte van deze stijging van het aantal flexwerkers is derhalve sprake van een dalende trend van ziekteverzuim en WIA-instroom. Is de regering bereid om op grond hiervan het onderhavige wetsvoorstel in heroverweging te nemen? Zo nee, waarom wordt een dergelijke stellingname dan in de memorie van toelichting betrokken?

Bestaand beleid en draagvlak

De leden van de PvdA-fractie constateren dat het verbeterplan «Verbetering ZW-arbo» van het UWV nog niet in alle facetten is doorgevoerd en dat de effecten c.q. resultaten van het verbeterplan nog niet helemaal in beeld zijn. De gewijzigde dienstverlening van het UWV inzake de zieke vangnetters is nog niet geëvalueerd, waardoor de gevolgen en de effectiviteit niet inzichtelijk zijn. De leden van deze fractie achten het wenselijk om de resultaten van de evaluatie af te wachten en vervolgens gepaste maatregelen te treffen. Deelt de regering deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan?

De leden van de PvdA-fractie vragen graag aandacht voor de brief van de Stichting van de Arbeid d.d. 6 september 2012.6 Zoals de Stichting van de Arbeid in haar brief aangeeft, lopen er momenteel twee onderzoeken, te weten het Onderzoek WGA 80–100 en het Onderzoek naar de stabiliteit van het hybride stelsel van de WGA, die in het vierde kwartaal van 2012 gereed zijn. Waarom heeft de regering er niet voor gekozen de uitkomsten van deze onderzoeken af te wachten? De Stichting van de Arbeid acht het voorts noodzakelijk een Projectgroep Reductie ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangetters in te stellen om op praktische wijze tot oplossingen te komen om het ziekteverzuim van vangnetters te beperken en hun re-integratie te verhogen. Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie een reactie van de regering op dit voorstel.

De Stichting van de Arbeid schrijft dat het voorliggende wetsvoorstel geen draagvlak heeft bij de sociale partners. Het baart de leden van de PvdA-fractie grote zorgen dat het voorliggende wetsvoorstel niet door de sociale partners wordt gedragen. Deelt de regering deze zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan? Graag citeren de leden van de PvdA-fractie uit bovengenoemde brief: «De Stichting van de Arbeid is van mening dat op basis van de in het wetsvoorstel aangedragen feiten en cijfers niet aangegeven kan worden dat de voorgenomen maatregelen gericht op werkgevers en werknemers noodzakelijk dan wel effectief zijn. Bovendien is volgens de Stichting onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de effecten van de voorgestelde maatregelen zijn op de werkgelegenheid, de kans op werkhervatting voor vangnetters en het terugdringen van de instroom in de Ziektewet en de Wet WIA.» Graag ontvangen de leden van deze fractie een onderbouwde reactie op elk van deze punten.

Rechtsongelijkheid en rechtmatigheid

De leden van de PvdA-fractie constateren dat met dit wetsvoorstel een tweedeling wordt gecreëerd in de sociale zekerheid tussen werknemers met een vast contract die ziek zijn en zieke flexwerkers. Naar de mening van deze leden dienen aanspraken bij ziekte voor flexwerkers en werknemers met een vast contract gelijk te zijn. Er dient geen tweedeling te ontstaan tussen twee soorten werknemers, naar gelang de aard van het dienstverband. Deelt de regering deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan?

Naar de mening van de leden van deze fractie is er sprake van rechtsongelijkheid vanwege het verschil in het ziektecriterium tussen de zieke werknemer met en zonder werkgever. Deelt de regering deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan? Ook de Raad van State betwijfelt de aanvaardbaarheid van het aanscherpen van het verschil in positie tussen vangnetters en werknemers waartoe het voorliggende wetsvoorstel leidt. Deelt de regering deze twijfel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan?

De Raad van State meent tevens dat het aanscherpen van de verschillen ongewenst is, gelet op de eisen die de arbeidsmarkt de komende jaren stelt. Deelt de regering de zorg van de leden van de PvdA-fractie dat het voorliggende wetsvoorstel een negatieve impact zal hebben op de vrijwillige arbeidsmobiliteit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan?

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel 1 januari 2013 is. Wegens uitvoeringstechnische redenen is de beoogde inwerkingtreding van het onderdeel van het wetsvoorstel dat de premiedifferentiatie regelt 1 januari 2014. Mogen deze leden hieruit concluderen dat een deel van het voorliggende wetsvoorstel pas in 2014 in werking zal treden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de (voorgenomen) handelwijze in overeenstemming met de geldende regels en besluiten? Zo nee, welke consequenties verbindt de regering hieraan?

Effectiviteit

Daarnaast vragen deze leden aandacht voor de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen. Zij wijzen er op dat de Raad van State betwijfelt of de maatregelen effectief zullen zijn, gelet op de bijzondere kenmerken van de groep vangnetters. Deze twijfel wordt gedeeld door mr. Annita Bronneberg in haar masterthesis «Ziek en werkloos: Pech of nieuwe kans?»7 Zij concludeert hierin dat het voorliggende wetsvoorstel het probleem niet zal oplossen maar verschuiven. Deelt de regering deze twijfel betreffende de effectiviteit van het voorliggende wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan?

De Raad van State verwacht dat intensieve begeleiding van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) effectiever zal zijn. Ook deze verwachting wordt gedeeld door het bovengenoemde onderzoek van Mr. Bronneberg. Naar haar mening draagt de zieke vangnetter een onevenredig groot deel van de verantwoording voor zijn re-integratie ten opzichte van de werkgever en het UWV. Voorts meent zij dat intensieve begeleiding door het UWV bij de re-integratie van zieke vangnetters kansen biedt om het langdurig ziekteverzuim terug te dringen en de instroom in de Wet WIA door vangnetters te beperken. Deelt de regering deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan?

De Raad van State benadrukt dat de term «vangnetters» onderscheiden groepen omvat, waartussen grote verschillen bestaan. Deze zijn naar de mening van de Raad van State rechtstreeks van betekenis voor de keuze van effectieve instrumenten voor het terugdringen van het ziekteverzuim onder vangnetters. Deelt de regering deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan?

Het voorliggende wetvoorstel gaat uit van het principe dat als iemand financieel onder druk wordt gezet, hij vanzelf weer gaat werken. In dit kader wijzen de leden van de fractie van de PvdA graag op het op 21 augustus 2012 gepresenteerde rapport «Belemmerd aan het werk» van het Sociaal Cultureel Planbureau.8 Dit onderzoek toont aan dat een zekere arbeidsrelatie veel meer bijdraagt aan het sneller terugkeren in het arbeidsproces. Onderschrijft de regering deze bevindingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan?

In haar masterthesis doet Mr. Bronneberg ook enkele aanbevelingen die naar haar mening effectiever zullen zijn dan de maatregelen in het voorliggende wetsvoorstel. Het gaat om de volgende aanbevelingen: laat werkzoekenden in de eerste dertien weken na de ziekmelding intensief begeleiden door het UWV; voer een arbeidsverledeneis in als referentie-eis in plaats van het koppelen van de arbeidsverledeneis aan de hoogte van de ZW-uitkering; verleng het re-integratie instrument proefplaatsing tot zes maanden en scherp de re-integratie verplichtingen aan; stel een re-integratie begeleider van het UWV aan als casemanager van alle zieke vangnetters en laat hem door middel van het toepassen van risicoselectie en demedicalisatie met de zieke vangnetter aan de slag gaan. Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie een reactie van de regering op elk van deze aanbevelingen alsmede een vergelijking met de maatregelen uit het voorliggende wetsvoorstel.

Werkgevers

De leden van de PvdA-fractie wijzen op de brief van het Verbond van Verzekeraars d.d. 10 september 2012.9 Hierin wordt aandacht gevraagd voor het feit dat het kabinet ervoor kiest de affinancieringsregeling niet van toepassing te laten zijn voor de werkgevers die vóór 2014 eigenrisicodrager zijn geworden (ongeacht de grootte van de werkgever). Het Verbond van Verzekeraars is van mening dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden en schrijft: «Als per 2014 de staartlasten van kleine en middelgrote uittredende werkgevers geheel of gedeeltelijk worden afgefinancierd, zou dat ook moeten gebeuren voor kleine en middelgrote werkgevers die voor 2014 zijn uitgetreden, voor zover de staartlasten betrekking hebben op WGA-uitkeringen in 2014 en later.» Graag krijgen deze leden een reactie van de regering op dit punt.

Verder regelt het wetvoorstel dat werkgevers die eigenrisicodrager WGA zijn (voor hun vaste personeel) vanaf 2016 ook eigenrisicodrager moeten worden voor hun flexibele personeel. Anders keren zij voor al hun personeel verplicht terug naar het UWV. Het Verbond van Verzekeraars schrijft hierover: «In het wetsvoorstel maakt het kabinet niet duidelijk hoe werkgevers die eigenrisicodrager willen blijven of worden, de op 1 januari 2016 bekend zijnde lasten van flexibel personeel (dat ziek is of al een WGA-uitkering heeft) moeten financieren. Op dit punt mag van het kabinet duidelijkheid worden verwacht.» Graag vernemen deze leden de reactie van de regering hierop.

Arbeidsverledeneis en ziektebegrip

Ten slotte vragen de leden van de PvdA-fractie specifiek aandacht voor twee werknemersingrepen, te weten de arbeidsverledeneis en de wijziging van het ziektebegrip met de nieuwe 35 procent ondergrens.

De arbeidsverledeneis treft ook vangnetters die volledig arbeidsondergeschikt zijn. Dat is vanuit de door het kabinet voorgestane prikkelwerking onbegrijpelijk. Er valt immers niets te prikkelen. Graag ontvangen deze leden een reactie op dit punt. Voorts vragen zij aandacht voor het feit dat bij de WIA van volledig arbeidsondergeschikten geen arbeidsdeelname of pogingen daartoe worden verwacht, maar onder de ZW dit straks wel van hen verwacht wordt. In de WIA wordt de groep volledig arbeidsongeschikten daarom een reddingsboei toegeworpen; voor duurzaam en volledig arbeidsongeschikten middels de IVA (inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten), voor tijdelijk volledig arbeidsongeschikten middels de loonaanvulling, zonder inkomenseis. Deelt de regering de mening van de leden van de PvdA-fractie dat deze verschillen onverdedigbaar zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan?

Het kabinet introduceert na één jaar ziekte een nieuwe 35 procent ondergrens op basis van het ziektewetbegrip passende arbeid. Vangnetters met een loonverlies van minder dan 35 procent hebben geen recht op het tweede Ziektewetjaar. Het ILO Comité van Deskundigen stelt dat de ondergrens van 35 procent in de Wet WIA in strijd is met ILO-verdrag 121. Acht de regering de ondergrens van 35 procent in het voorliggende wetsvoorstel niet in strijd met dit verdrag? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt zij hieraan?

CDA-fractie

Voor het goed functioneren van de arbeidsmarkt vinden de leden van de fractie van het CDA het noodzakelijk de verschillen tussen vaste krachten en flexwerkers te verkleinen.

Hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich tot de algemene gedachte flexwerk aantrekkelijker te maken ten opzichte van vaste arbeidskrachten?

Uit brieven blijkt dat de Stichting van de Arbeid dit wetsvoorstel niet steunt. Hoe denkt de regering haar beleid op dit punt tot een succes te kunnen maken zonder medewerking van de sociale partners?

SP-fractie

Met dit wetsvoorstel wil de regering uitzendkrachten en mensen met een tijdelijk dienstverband die ziek zijn, sneller aan het werk krijgen. Volgens werkgevers en werknemers verenigd in de Stichting van de Arbeid staat echter allerminst vast dat dit voorstel zal leiden tot de beoogde gedragseffecten bij werkgevers, noch dat het voorstel activerend zal werken op vangnetters, aangezien de verkenning voor het voorstel onvoldoende inzicht geeft in de problematiek, samenstelling en achtergrond van de doelgroep. Daarmee twijfelen werkgevers en werknemers aan de effectiviteit van het voorstel en ontbeert het voorstel draagvlak onder de sociale partners. De leden van de SP-fractie vragen de regering te reageren op dit commentaar van de Stichting en een kwalitatieve beoordeling te geven van het geconstateerde gebrek aan draagvlak onder werkgevers en werknemers voor dit voorstel.

De leden van de SP-fractie vragen de regering tevens te reageren op het gebrek aan onderbouwing van het voorstel met betrekking tot de effectiviteit in het licht van het recent verschenen SCP-onderzoek «Belemmerd aan het werk». Erkent de regering dat mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn en geen werkgever (meer) hebben, moeilijk weer aan het werk komen?

De leden van deze fractie vragen de regering aan te geven hoe zij het uitgangspunt in de huidige Ziektewet «er dient bij ziekte gelijke aanspraken op inkomen te bestaan: er dient geen tweedeling tussen «soorten» werknemers, te ontstaan, naar gelang van de aard van het dienstverband» 10 beoordeelt? Ziet de regering ook dat momenteel zieke (ex)werknemers c.q. vangnetters, die geen werkgever meer hebben, dezelfde inkomensbescherming genieten als werknemers mét een dienstverband in de wachttijd naar de WIA toe? Erkent de regering dat door het voorliggende wetsontwerp vangnetters niet langer dezelfde inkomensbescherming genieten als zieke werknemers met een vast dienstverband? Hoe rechtvaardigt de regering het op deze wijze aanscherpen van het verschil in positie tussen werknemers met een tijdelijk contract (de potentiële vangnetter van morgen) en werknemers met een vast contract?

De leden van de SP-fractie vragen de regering opnieuw aan te geven hoe de gecreëerde nieuwe 35% ondergrens in de ZW zich tot de forse kritiek van het Comité van Deskundigen van de ILO over een soortgelijke ondergrens in de WIA verhoudt. In de nota naar aanleiding van het verslag herhaalt de regering het eerder aangegeven standpunt dat zij van mening is dat ook de WIA niet strijdig is met ILO-verdrag 121. Erkent de regering dat zij het Comité van Deskundigen bij de ILO daarvan nog niet heeft kunnen overtuigen? Mocht de ILO bij het standpunt blijven dat de WIA wel strijdig is met Verdrag 121, wat betekent dat dan volgens de regering voor de voorgestelde aanpassing van de Ziektewet?

D66-fractie

Met de in het wetsvoorstel neergelegde instrumenten beoogt de regering de doelstelling dichterbij te brengen. De leden van de fractie van D66 vragen waarop de regering deze optimistische verwachting stoelt. Diverse in de wetsvoorbereiding genoemde stukken en onlangs nog het recente rapport Belemmerd aan het Werk van de SCP (augustus 2012) geven voor de doelgroep een veel somberder beeld dan voor de arbeidsongeschikte werknemer die zich kan verheugen in een vast dienstverband en voor wie meer wettelijke instrumenten ten dienste staan. Dat laatste is voor de vangnetters niet het geval en wordt in de rapporten nu juist als een van de moeilijkst te nemen horde gezien. Graag krijgen deze leden hierop een reactie.

Voor het UWV is de belangrijke taak weggelegd om de re-integratie van deze vangnetters te begeleiden. Om van het wetsvoorstel een succes te maken dient het UWV zich dan ook grote inspanningen te getroosten. De vraag is of het UWV in de huidige situatie daartoe is toegerust. In de studie van mevrouw mr. A. Bronneberg wordt met name de rol van het UWV breed uitgemeten. Haar conclusie is – kort gezegd – dat de re-integratietaken die voor de vangnetter bij het UWV zijn belegd voorshands nog onvoldoende zijn ontwikkeld en de gewijzigde dienstverlening bij het UWV op grond van het verbeterplan «Verbetering ZW-arbo» nog niet is geëvalueerd. Daarmee uit zij impliciet de vrees dat met het wetsvoorstel de zieke vangnetters – alle re-integratieactiviteiten van de UWV ten spijt – feitelijk aan hun lot worden overgelaten. Zij betoogt dat deze evaluatie in ieder geval voorafgaand aan de invoering van het wetsvoorstel dient plaats te vinden. Graag vernemen deze leden de visie van de regering hierop.

Het wetsvoorstel leidt tevens tot besparingen op de uitkeringen, die in de memorie van toelichting met verrekening van uitvoeringskosten worden begroot op € 75 mln. De uitkering wordt immers mede door invoering van de arbeidsverledeneis bekort en ook stromen de vangnetters in het wetsvoorstel na 1 jaar tegenover 2 jaar in het huidige systeem de uitkering uit. Een bezuinigingsvoorstel is gelet op de inhoud van de staatskas op zichzelf te rechtvaardigen maar het moet wel in redelijke verhouding tot de doelstelling staan en voorts moet het om reële besparingen gaan. Het is de vraag of en zo ja in welke mate dat zal worden gerealiseerd. Voor de uitgestroomde en niet gere-integreerde vangnetter rest een beroep op de WWB. De gemeente wordt hiervoor gecompenseerd, aldus de regering, maar de memorie van toelichting vermeldt niet de extra lasten die hiermee gepaard gaan. De leden van de fractie van D66 vragen of de regering die compensatiebedragen alsnog kan begroten.

GroenLinks-fractie

Dienstverlening en verantwoordelijkheid

De leden van de fractie van GroenLinks zijn voor een activerende werking van de Ziektewet. Mensen in hun kracht laten komen, hen daarin goed ondersteunen en hen daartoe in staat te stellen, bevordert het perspectief voor mensen, het eigen zelfvertrouwen en de emancipatie van (zieke) mensen. Daarin ligt echter ook de zorg van deze leden: wie kan de verantwoordelijkheid voor de re-integratie van deze groep mensen, 100 000 mensen waarvan er jaarlijks 20 000 de WIA instromen, waarmaken, nu het UWV/UWV-werkbedrijf als gevolg van immense bezuinigingen zijn dienstverlening vooral digitaal aanbiedt, terwijl de ervaring leert dat deze groep voor re-integratie/werkhervatting het meest gebaat is bij face-to-face contacten? Deelt de regering deze zorg en zo ja, hoe is zij van plan tegemoet te komen aan de wens van deze leden de dienstverlening aan en de verantwoordelijkheid voor deze groep mensen te verbeteren?

Daar waar de instroom van zieke werknemers in de WIA spectaculair gedaald is omdat werkgevers verantwoordelijkheid zijn voor hun zieke werknemers, blijft de instroom van flexwerkers, freelancers, werkloze zieken in de WIA te hoog. Kan het UWV/UWV-Werkbedrijf de rol die werkgevers hebben voor hun zieke medewerkers waarmaken en wat is daar voor nodig?

Opnieuw hanteert de regering de stelling dat als je mensen maar negatief financieel prikkelt, ze eerder aan de slag zullen gaan. De regering verslechtert de positie van vangnetters, kan bovendien niet garanderen dat ze betere (face-tot-face) dienstverlening zullen krijgen en gaat er vanuit dat er toch minder vangnetters zullen doorstromen naar de WIA. De leden van de fractie van GroenLinks zijn benieuwd of er meer aan deze stellingname ten grondslag ligt dan het principe «eigen schuld, dikke bult».

De leden van deze fractie sluiten zich helemaal aan bij de vragen die de Landelijke Cliëntenraad (LCR) bij brief van 12 juni 2012 aan de Tweede Kamer heeft gesteld. Zij krijgen hierop graag een reactie. Het gaat daarbij om de volgende vragen ten aanzien van de positie van vangnetters, de instrumenten voor werkhervatting en herstel, en de prikkel voor werkgevers.

Vragen LCR: positie vangnetter

  • 1. Waarom krijgen de vangnetters geen enkele mogelijkheid om zelf aan hun herstel te werken of hun arbeidsmarktpositie te versterken? Dit kan door de positie van vangnetters in de begeleiding te versterken, hen mogelijkheden te geven om onafhankelijk advies in te winnen over de vormgeving van hun traject en herleving van IRO met daarin ook de mogelijkheid om herstel en re-integratie te combineren. Nu zijn vangnetters die initiatief willen nemen te zeer afhankelijk van UWV of werkgever. Een activerend stelsel geeft mensen een heft in handen. Mensen die zelf het heft in handen nemen, zijn succesvoller bij re-integratie

  • 2. Waarom is gekozen voor een WIA-gelijke beoordeling na een jaar? Leidt dit niet juist tot meer medicalisering en is een gericht deskundigenoordeel niet veel effectiever?

  • 3. Waarom krijgt de vangnetter (met een korter werkverleden) een andere inkomensbescherming dan een werknemer met een vast dienstverband met een even kort of zelfs korter arbeidsverleden?

  • 4. Waarom worden bepaalde groepen vangnetters (uitgevallen Wajongers of bijvoorbeeld mensen die wegens zwangerschap of orgaantransplantatie in de ZW terecht komen) ook onder het aangescherpte regiem van vangnetters gebracht? Wat zijn hier de mogelijke negatieve gedragseffecten van?

  • 5. Is de voorgestelde wetgeving voor vangnetters niet onevenredig ingewikkeld en onlogisch? In feite krijgt vangnetter twee maal te maken met een afbouw van uitkering, eerst in het tweede jaar ZW en vervolgens wederom bij WGA. (Zie ook nader rapport, bladzijde 20).

Vragen LCR: (Arbeidsmarkt)Instrumenten gericht op werkhervatting en herstel

Er wordt in feite maar een instrument verruimd, namelijk proefplaatsing. De LCR vindt dit zeer mager. In het vorige blok zijn al een aantal suggesties gedaan om het instrumentarium van cliënten te vergroten. Over proefplaatsing en het gebrek aan ander instrumentarium, zou de LCR een aantal vragen aan de orde willen stellen.

  • 1. De LCR vraagt zich af op basis van welk onderzoek blijkt dat een langere periode van proefplaatsing de instroom op de arbeidsmarkt vergroot?

  • 2. Waarom wordt de proefplaatsing alleen vergroot voor UWV-clienten en niet voor de groep met een WWB-uitkering?

  • 3. Leidt verlenging van de periode voor proefplaatsing met drie jaar niet tot verdringing van bestaande arbeidsplaatsen?

  • 4. Hoe zit het met de positie van mensen die tijdens het eerste jaar zijn gestart op een proefplaatsing in werk dat in beginsel passend is en die in het tweede jaar geacht worden naar passend werk te solliciteren?

  • 5. Hoe zit het met de (inkomens)positie van mensen die in een proefplaatsing zijn gestart in het tweede jaar en na de WIA-beoordeling moeten terugvallen op WWB? Hier zijn meerdere posities denkbaar: bv geen inkomen in verband met partner, gemeente voert eigen beleid en zeker geen werken met behoud van uitkering.

  • 6. Leidt een no-riskpolis na een jaar tot een versterking van de positie van vangnetters? Zeker wanneer het Kabinet vasthoudt aan het invoeren van aanscherpingen na een jaar ziekte (criterium WIA en weging arbeidsverleden), is het dan juist helemaal logisch ook de inzet van de no-riskpolis al na een jaar mogelijk te maken?

  • 7. Is onderzocht of andere instrumenten behulpzaam kunnen zijn, bijvoorbeeld loonkostensubsidie om (structureel) lager verdienvermogen te compenseren?

  • 8. Is verwijzing door UWV (naar gemeente of zorg, zie bladzijde 22) wel afdoende om re-integratiebelemmerende problemen te elimineren. Immers, naast medische beperkingen hebben vangnetters relatief vaak andere re-integratiebelemmerende problematiek. Kan UWV ook zelf initiatief nemen, bijvoorbeeld via schuldhulpverleners, als gemeenten geen adequate ondersteuning bieden?

  • 9. Hoe verhoudt de gemeentelijke regie op de arbeidsmarkt (SUWI) zich nu tot de rol die UWV krijgt om vangnetters bij werkgevers onder de aandacht te brengen? Kiest het kabinet voor samenwerking of concurrentie om re-integratieresultaten te behalen?

Vragen LCR: De prikkel voor de werkgever

De LCR verwacht weinig van de financiële prikkels voor werkgevers en vreest een aantal ongewenste neveneffecten. Vragen die dit bij de LCR oproept zijn:

  • 1. In hoeverre is het aannemelijk dat werkgevers die geen binding hebben met vangnetters, zich zullen inspannen voor die vangnetter? Zal de schade niet (nog vaker) worden afgekocht? Als dit gebeurt, wat schieten vangnetters dan op met deze prikkel?

  • 2. Is het denkbaar dat werkgevers in beroep gaan tegen beslissingen rond de premieheffing omdat zij te weinig invloed kunnen uitoefenen op de arbeidsongeschiktheid/werkloosheid? Bestaat de kans dat uiteindelijk deze maatregel niet houdbaar blijkt? Wij verwijzen in dit verband naar de bonus-maluswetgeving die door een rechterlijke uitspraak werd ontkracht.

  • 3. Zijn de prikkels van een verhoogde premie voor vangnetters, leidend tot meer risicoselectie, toch niet groter dan verwacht? Wat betekent deze nieuwe wetgeving voor werkgevers die bijvoorbeeld een Wajonger in dienst nemen? Het gaat niet alleen om de feitelijke wettelijke bescherming van werkgevers. Nu hebben zij 100% no-risk , ook als het dienstverband van die Wajonger tijdelijk is. Het gaat de LCR niet alleen om de materiële bescherming, de vraag is of werkgevers dat onderscheid nog zullen maken.

Tot slot vernemen de leden van de GroenLinks-fractie graag het antwoord van de regering op de brief van het Verbond van Verzekeraars, d.d. 10 september 2012. 11

De leden de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien de beantwoording – bij voorkeur uiterlijk 18 september 2012 – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Sylvester

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Kneppers-Heijnert (VVD), Terpstra (CDA), Noten (PvdA), Sylvester (PvdA) (voorzitter), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Elzinga (SP), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Flierman (CDA), Hoekstra (CDA), Scholten (D66), Backer (D66), De Lange (OSF), Sent (PvdA), Postema (PvdA), Klever (PVV) (vice-voorzitter), Van Dijk (PVV). Reynaers (PVV), Ester (CU), De Grave (VVD), Van Rey (VVD), Beckers (VVD)

X Noot
2

Kamerstukken II, 2011/12, 33 241, nr. 3, p. 25.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2011/12, 33 241, nr. 3, p. 36.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2011/12, 33 241, nr. 3, p. 37.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2011/12, 33 241, nr. 3, p. 4.

X Noot
6

Ter inzage gelegd onder griffienummer 151155.01

X Noot
7

Ter inzage gelegd onder griffienummer 151 179

X Noot
8

Ter inzage gelegd onder griffienummer 151 152

X Noot
9

Ter inzage gelegd onder griffienummer 151155.03

X Noot
10

Memorie van toelichting, Wet uitbreiding loondoorbetalingsverplichting bij ziekte (Wulbz) 2003 (Kamerstukken II 2003/2004, 29 231, nr. 3, p. 13).

X Noot
11

Ter inzage gelegd onder nummer 151155.03