Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233240-VI nr. 6

33 240 VI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011

Nr. 6 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 8 juni 2012

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Justitie over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het Jaarverslag van het Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011 (Kamerstuk 33 240 VI, nr. 2).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 7 juni 2012. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, De Roon

De griffier van de commissie, Nava

1

Waarom zijn precies de uitgaven van het ministerie van Veiligheid en Justitie van bijna € 6,1 mld. in 2010 naar ruim € 11,4 mld. Gegaan, ondanks dat er bezuinigd is op het personeel?

De stijging van de uitgaven heeft te maken met de herindeling van de ministeries.

Vanaf 2011 is de politie onderdeel van het ministerie van Veiligheid en Justitie en niet meer van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, terwijl het vreemdelingenbeleid inclusief de uitvoeringsorganisaties in de omgekeerde richting is gegaan – van VenJ naar BZK.

Doordat de omvang van de politie echter veel groter is (dan het vreemdelingenbeleid) is de omvang van het ministerie van Veiligheid en Justitie bijna verdubbeld. Vandaar de forse stijging van de uitgaven.

De stijging betekent dus zeker niet dat er niet bezuinigd is, het geeft alleen de gevolgen aan van de herindeling van de ministeries op de omvang van de uitgaven.

2

Kan een verklaring worden gegeven voor de daling van het aantal fte van 37 166 naar 33 487?

De daling met enige duizenden fte’s heeft voor een belangrijk deel te maken met de herindeling van de ministeries en voor een kleiner deel met de in- en uitstroom van medewerkers.

De onderdelen voor beleid en uitvoering van het vreemdelingenbeleid zijn naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overgegaan, terwijl de politie naar het Ministerie van VenJ is overgegaan. Omdat van de politie alleen de beleidsdirecties in deze tellingen meedoen is het totaal aantal fte’s met enkele duizenden gedaald.

Naast de herindeling is er ook een effect van in- en uitstroom van medewerkers. Dit effect levert gesaldeerd een daling van circa 500 fte op.

4

Hoe komt het dat het jaarverslag weinig informatie bevat over wat er is bereikt op het gebied van de prioriteit veiligheid?

Ik deel de mening van de Algemene Rekenkamer niet dat het jaarverslag weinig informatie bevat over wat er is bereikt op het gebied van de prioriteit veiligheid; het jaarverslag bevat een goed overzicht gegeven van de behaalde resultaten.

5

Hoe komt het dat het jaarverslag de mate waarin de maatregelen ook doelmatig en effectief zijn weinig (recente) informatie bevat?

Ten aanzien van de effectiviteit en doelmatigheid berekent het WODC jaarlijks de strafrechtelijke recidive van Nederlandse justitiabelen. De cyclus van de recidiveberichten van het WODC sluiten niet aan bij die van het jaarverslag. Uw Kamer wordt hierover daarom jaarlijks afzonderlijk geïnformeerd. Op 26 maart 2012 is het meest recente recidivebericht van het WODC naar de Kamer verzonden (TK 29 270, nr. 66). Dit jaar nog start een onderzoek naar de oorzaken en achtergronden van de ontwikkelingen in de recidivecijfers om te bekijken in hoeverre de daling van de recidive het gevolg is van de genomen maatregelen op het terrein van de sanctietoepassing.

6

Kan een nader oordeel van de regering worden gegeven over de doelmatigheid en effectiviteit van de rechtspleging met betrekking tot de gerealiseerde in- en uitstroom bij de Hoge Raad?

Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 8, is rechtspleging een zeer complex terrein, waarbij vele factoren spelen. De doelmatigheid en effectiviteit van de rechtspleging laten zich daarom niet in eenduidige indicatoren vatten. Strikt genomen is een oordeel over de effectiviteit van de rechtspleging van de Hoge Raad niet aan de regering. Het is wel aan de regering om hierover in overleg te treden als er signalen zijn dat de effectiviteit in het geding is. Dergelijke signalen zijn er niet.

Voor wat betreft de doelmatigheid van de gerealiseerde in- en uitstroom bij de Hoge Raad heeft de Hoge Raad zich in de afgelopen jaren veel inspanning getroost om de werkvoorraden te laten afnemen en daarvoor extra middelen ontvangen. Deze werkvoorraden waren ontstaan als gevolg van een soms sterk stijgende instroom. Als gevolg daarvan zijn de doorlooptijden volgens de norm die de Hoge Raad zich stelt nog te lang, maar tekent zich een dalende trend af. De regering spreekt zijn waardering uit voor de inspanningen die de Hoge Raad heeft geleverd om de voorraden terug te dringen en de doorlooptijden te verkorten.

7

Waarom ontbreekt de beleidsinformatie over de effectiviteit van de rechtshandhaving?

Ook ten aanzien van de rechtshandhaving zijn recidivepercentages van meerderjarige en minderjarige justitiabelen de belangrijkste maatstaf. Het WODC berekent jaarlijks de strafrechtelijke recidive van Nederlandse justitiabelen. De cyclus van de recidiveberichten van het WODC sluit echter niet aan bij die van het jaarverslag.

De Tweede Kamer wordt hierover daarom jaarlijks afzonderlijk geïnformeerd. Het meest recente WODC-recidivebericht heeft uw Kamer ontvangen op 26 maart 2012 (TK 29 270, nr. 66).

Daarnaast zijn in het kader van het programma Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen inmiddels kritieke prestatie-indicatoren opgesteld om beter inzicht te krijgen in het presteren van de gehele keten. Dit ziet ook toe op de effectiviteit van de rechtshandhaving als het gaat over een snelle tenuitvoerlegging van sancties, het voorkomen van uitval en het goed informeren van slachtoffers, nabestaanden en maatschappelijke instanties. De verwachting is dat er begin 2013 een betrouwbaar beeld bestaat van de prestaties in de keten.

8

Hoe zal worden onderzocht of de rechtspleging doelmatig en effectief is?

Rechtspleging is een zeer complex terrein, waarbij vele factoren een rol spelen. De doelmatigheid en effectiviteit laten zich daarom niet in eenduidige indicatoren vatten. Met behulp van trendrapportages, beleidsdoorlichtingen en beleidsevaluaties wordt op kwantitatieve en kwalitatieve wijze inzicht verkregen in het functioneren van samenhangende onderdelen. Deze onderzoeken geven tezamen een beeld van de doelmatigheid en effectiviteit van de rechtspleging.

9

Is de regering bereid verschil te maken tussen ontsnappingen/ontvluchtingen en onttrekkingen in de zin van te laat terugkomen?

Het is belangrijk over zoveel mogelijk juiste informatie te kunnen beschikken. Ik maak daarom reeds onderscheid tussen ontvluchtingen (I) en ongeoorloofde afwezigheid (OA) (II). Op deze manier houd ik zicht op de dagelijkse uitvoeringspraktijk van de Tbs-maatregel.

  • (I) De categorie ontvluchtingen heeft betrekking op ontsnapping uit een beveiligde inrichting of vanaf beveiligd FPC-terrein, te weten het terrein binnen de ringmuur en/of het (penitentiaire) hekwerk.

  • (II) De definitie van OA is ruimer geformuleerd en betreft alleen situaties tijdens verlof.

In het Departementaal Jaarverslag zijn geen afzonderlijke aantallen opgenomen over OA’s en ontvluchtingen, omdat dergelijke informatie om een verdiepende analyse vraagt.

Uw Kamer is hierover separaat geïnformeerd. Afgelopen jaar is de Tweede Kamer bij brief van 29 juni 2011 ingelicht over de OA’s van Tbs-gestelden in 2010.

10

Wordt de pakkans ook meegenomen in het onderzoek naar de mate waarin de ontwikkeling van recidivecijfers een gevolg is van het door het ministerie gevoerde beleid? Zo nee, waarom niet?

Het WODC berekent jaarlijks de strafrechtelijke recidive van Nederlandse justitiabelen. Verschuivingen in de pakkans en het bestaan van mogelijke registratie-effecten kunnen het zicht op de ontwikkeling van de recidive vertroebelen. Deze recidivecijfers worden daarom inderdaad gecorrigeerd voor verschuivingen in de samenstelling van de onderzoeksgroepen en op het bestaan van registratie-effecten als gevolg van schommelingen in de aangiftebereidheid en het ophelderingspercentage.

11

Op welke punten verloopt het proces van vervroegde invrijheidsstelling niet doelmatig?

De regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI) is recent geëvalueerd. De onderzoekers stellen vast dat de vigerende werk- en procesafspraken in de praktijk op hoofdlijnen goed worden nageleefd. Het proces van de VI verloopt volgens het onderzoek op twee punten niet doelmatig. Allereerst wordt advies uitgebracht in zaken waarbij de justitiabelen na de einddatum detentie (nog) niet in Nederland in vrijheid worden gesteld, waardoor de vraag of bijzondere voorwaarden aangewezen zijn niet opportuun is. Ten tweede wordt de (drie)dubbeladvisering als niet doelmatig genoemd.

Ik heb uw Kamer dit onderzoek met mijn beleidsreactie en de voorgestelde maatregelen op 1 maart 2012 toegezonden (TK 29 279, nr. 140).

12

Wat is het toetsingkader in hoeverre de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en maatregelen effectief zijn?

De mate waarin de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en maatregelen effectief is, wordt gemeten aan de recidive van justitiabelen. Het WODC berekent jaarlijks de strafrechtelijke recidive van Nederlandse justitiabelen. Daarnaast krijgt het toetsingskader verder vorm in het kader van het programma Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen. Het verkrijgen van inzicht in en greep op het presteren van de keten is een meerjarig traject. Om beter inzicht te krijgen in het presteren van de gehele keten zijn inmiddels kritieke prestatie-indicatoren opgesteld. Deze geven informatie over de mate waarin de doelen van de uitvoeringsketen worden gerealiseerd: een snelle tenuitvoerlegging van sancties, het voorkomen van uitval en het goed informeren van slachtoffers, nabestaanden en maatschappelijke instanties. De verwachting is dat er begin 2013 een betrouwbaar beeld bestaat van de prestaties in de uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen.

13

Is de benodigde informatie nu wel beschikbaar?

Eind 2010 is geconstateerd dat in de uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen sprake is van een gebrek aan inzicht in en grip op het presteren van de keten. Dit was aanleiding voor de start van een programma Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen. Onderdeel van het programma is een meerjarig traject dat is gericht op het verkrijgen van inzicht in en greep. De eerste stappen richting het verkrijgen van structureel inzicht in het presteren zijn inmiddels gezet; kritieke prestatie-indicatoren zijn vastgesteld.

Overigens worden in het kader van de Wet Versterking Positie Slachtoffers per verbetertraject ook keten-prestatie-indicatoren benoemd, waarmee ketenbreed de prestaties kunnen worden beoordeeld. Het streven is om binnen twee jaar toe te werken naar heringerichte werkprocessen inclusief de bijbehorende monitorinformatie.

14

Is de minister bereid zorg te dragen voor een betere informatievoorziening als het gaat om de resultaten van het door hem gevoerde beleid? Hoe gaat hij dit doen?

Zoals bij vraag 13 is aangegeven, zijn er mede in het kader van het project «Verantwoord Begroten» indicatoren opgesteld, die in kaart brengen hoe de uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen presteert op de ketendoelen. De verwachting is dat er vanaf begin 2013 een betrouwbaar beeld bestaat van het presteren van de keten. Hiermee wordt informatievoorziening over bereikte resultaten verbeterd. De resultaten worden uiteraard gedeeld met de uw Kamer.

15

Wat zijn de consequenties van het ten onrechte niet Europees aanbesteden?

Consequenties van het ten onrechte niet-Europees aanbesteden is dat de eventuele uitgaven op de genoemde terreinen door de Algemene Rekenkamer als onrechtmatig worden gekwalificeerd. Het bedrag aan onrechtmatige inkoopuitgaven bij het ministerie van VenJ is overigens sinds 2009 met meer dan 50% gereduceerd. Verdere verbeteringen worden ook de komende jaren verwacht.

16

Wat gaat de minister doen ten aanzien van de geconstateerde risico's die onder meer de personeelskosten en de huisvestingskosten betreffen?

Mede aan de hand van de balansen van de huidige korpsen is geïnventariseerd welke posten op de openingsbalans van de nationale politie moeten worden opgenomen. De door de Algemene Rekenkamer genoemde posten (pensioenafspraken en huisvesting) behoren daartoe. Per onderscheiden post wordt, in overleg met de kwartiermaker, bezien welke (waarderings)voorschriften daarbij gelden. Over de gehele set aan voorschriften zal vooraf het advies van een accountantskantoor worden gevraagd. Uiteraard wordt de concept openingsbalans zodra die beschikbaar is voorzien van een controleverklaring van een accountant. Via deze aanpak ontstaat een goed beeld in de financiële startpositie (in balanstermen) van de nationale politie.

17

Hoe gaat de minister zijn verantwoordelijkheid invullen voor wat betreft de door de Rekenkamer genoemde «hybride situatie», die met de invoering van de nationale politie onstaat? Kan de minister aangeven hoe hij zijn verantwoordelijkheid in de nieuwe politieorganisatie gaat invullen?

De bevoegdheden op het terrein van beheer, die ik op basis van het voorgestane politiebestel krijg, zal ik ten volle benutten. Door het vaststellen van de begroting, de meerjarenraming, het beheersplan, het jaarverslag en de jaarrekening, aangevuld met de algemene en bijzondere aanwijsbevoegdheid, kan ik in het voorgestane bestel de korpschef op alle punten van het beheer aansturen. Daarenboven zal ik regels stellen over het beheer en het financieel beheer. Deze regels zullen onder meer betrekking hebben op de inrichting van de organisatie, de inhoud van het ontwerpbeheersplan en de ontwerpen van de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening.

De hybride situatie waar de Algemene Rekenkamer naar verwijst is het gevolg van de gekozen rechtspersoon. De consequenties daarvan weeg ik echter anders. Doordat ik aan het parlement begrotingsinformatie verschaf over de door mij vastgestelde politiebegroting, kan het parlement, via moties, invloed op de politiebegroting uitoefenen. De verantwoording vindt de facto op dezelfde wijze plaats als in de huidige situatie. Ook nu kan de Algemene Rekenkamer doel- en rechtmatigheidonderzoeken doen bij de korpsen, net als zij dat in de voorgestane situatie kan bij het ene landelijke korps. Doordat ik aan het parlement verantwoordingsinformatie verschaf over de politie zal het parlement mij, als de politiek verantwoordelijke voor het beheer van de politie, aan kunnen spreken.

18

Wat gaat de minister doen ten aanzien van het ontbreken van formele voorschriften als politieregio's de Wet politiegevens uitvoeren?

In 2011 is er een audit op de Wet politiegegevens uitgevoerd. De politie en ik hebben zich naar aanleiding van deze audit gecommiteerd aan een verbeterplan waarin de achterstand landelijk en waar nodig regionaal wordt aangepakt. De verbeteringen worden met spoed geïmplementeerd. In de volgende auditronde die afgerond wordt in 2013 zullen de resultaten voor de hele politieorganisatie zichtbaar zijn. De toezichthouder op de Wet politiegegevens, het CBP is verantwoordelijk voor de handhaving van de Wet politiegegeven en voert daartoe onderzoeken uit. Wanneer de politieorganisatie niet voldoet aan de wet kan het CBP de politieregio´s ten alle tijde boetes en dwangsommen opleggen.

20 en 21

Kan de minister toelichten hoe hij het beheer gaat regelen?

Kan de minister toelichten hoe het toezicht vorm gaat krijgen?

Zie antwoord op vraag 17.

22

Herkent de minister de financiële risico’s die de rekenkamer ziet bij de openingsbalans van de nationale politieorganisatie? Hoe gaat hij deze aanpakken?

Zie mijn antwoord op vraag 16.

23

Waarom heeft de minister niet vermeld of er geen gebruik wordt gemaakt van open standaarden en opensoftware bij de aanschaf van ICT-zaken? Mag geconcludeerd worden dat het ministerie van VenJ altijd gebruik heeft gemaakt van openstandaarden en open source-software, gezien het feit dat er geen meldingen zijn gedaan van afwijkingen van de afspraken hieromtrent?

In de Rijksbegrotingsvoorschriften, die de inrichting van onder andere de departementale jaarverslagen voorschrijven, is het volgende vermeld: «In dit onderdeel wordt het niet toepassen (het «comply» or «explain-beginsel» ) van artikel 3, eerste lid van de Instructie rijksdienst bij aanschaf ICT-diensten of ICT-producten gerapporteerd.»

Aangezien VenJ de standaarden wel toepast is er niets over opgenomen.

Ja, het Ministerie van VenJ heeft altijd gebruik gemaakt van openstandaarden en opensource-software.

25

Waarom zijn de indicatoren over het wapengerelateerd geweld in en rond scholen en horecagelegenheden niet eenduidig?

In het Jaarverslag valign="top"11 zijn als indicator voor de aanpak van wapengerelateerd geweld op scholen en in de horeca de percentages wapengerelateerde incidenten op scholen, rond scholen, in de horeca en rondom de horeca opgenomen.

Aangezien een toelichting op deze indicator in het jaarverslag ontbreekt, kan deze volgens de Algemene Rekenkamer op tweeërlei wijze geïnterpreteerd worden.

In het eerste geval zou gemeten worden dat van het totale aantal wapengerelateerde geweldsincidenten er x% op of rond scholen en x% op of rond de horeca plaatsvindt.

In het tweede geval, wat feitelijk bedoeld is tot uitdrukking te brengen, gaat het om het percentage scholen en horecagelegenheden dat aangeeft een wapengerelateerd incident in of rondom het eigen pand te hebben ervaren.

In de Begroting 2011 is wel een toelichting opgenomen waaruit dit blijkt.

26

Waarom zijn de indicatoren over de bevordering van de internationale rechtsorde niet eenduidig? Waarom voldoen ze niet aan de verslagleggevingsvoorschriften?

Zoals aangegeven zijn de maatschappelijke effecten van de bijdrage van Nederland aan de ontwikkeling van de Europese en internationale rechtsorde moeilijk uit te drukken in prestatie-indicatoren. Er worden doelen en voorwaarden geformuleerd, maar het proces van beïnvloeden en onderhandelen wat zo kenmerkend is voor een internationale omgeving, maakt het moeilijk de gedane inspanning te kwantificeren. Daarnaast zijn er vaak meerdere partijen betrokken die ieder een deel van de inspanning leveren, wat in het totaal effect niet uit te splitsen valt.

27

Waarom is er zo weinig duidelijkheid over het inkoopbeheer van de Europese aanbestedingsregels bij het Openbaar Ministerie?

Op grond van de rapportage van de Rekenkamer kan niet geconcludeerd worden dat er bij het Openbaar Ministerie zo weinig duidelijkheid over het inkoopbeheer is. Het kritische oordeel van de Rekenkamer over het Openbaar Ministerie heeft mij verrast, omdat er in 2011 minder fouten zijn gemaakt. Daarnaast zijn maatregelen getroffen om de interne controle te versterken. Het oordeel dat de Rekenkamer het inkoopbeheer bij het Openbaar Ministerie als een onvolkomenheid kwalificeert, deel ik dan ook niet. Bij het Openbaar Ministerie zijn in de loop der jaren tal van maatregelen genomen om op dit terrein te voldoen aan de eisen. Dat is al in belangrijke mate gelukt. Dat neemt niet weg dat ik streef naar verdere verbetering, hetgeen ik in mijn afspraken met het Openbaar Ministerie heb opgenomen.

Zonder volledig te willen zijn, treft u hieronder een aantal van de beheersmaatregelen die het College reeds heeft ingeregeld binnen het Openbaar Ministerie (OM) en die bijdragen aan de naleving van de Europese Aanbestedingsregels:

  • 1. Centralisatie van de inkoopfunctie

  • 2. Oprichting Inhuurdesk OM (borgen kwaliteit inhuurproces OM).

  • 3. Oprichting Tenderboard OM (borging kwaliteit inkoopproces/EAR).

  • 4. Uitvoeren maandelijkse Spendanalyse OM op crediteur- en categorieniveau.

  • 5. Voeren van een Contractenregister

  • 6. Onafhankelijke Audit Groep OM, waarbij een jaarlijkse integrale Financial Audit OM wordt uitgevoerd.

28

Waarom ontbreekt informatie over de doelmatigheid van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en maatregelen?

Ten aanzien van de effectiviteit en doelmatigheid van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en maatregelen zijn recidivepercentages van meerderjarige en minderjarige justitiabelen de belangrijkste maatstaf. Er worden daarom nu alleen nog maar instrumenten ingezet, waarvan wetenschappelijk aannemelijk is dat deze gericht bijdragen aan het verminderen van recidive. Het WODC berekent vervolgens jaarlijks de strafrechtelijke recidive van Nederlandse justitiabelen. De cyclus van de recidiveberichten van het WODC sluiten echter niet aan bij die van het jaarverslag.

Uw Kamer wordt hierover daarom jaarlijks afzonderlijk geïnformeerd.

30

Is het jaarverslag niet het moment om integraal verslag te doen over wat op het terrein van veiligheid is bereikt?

Ja.

31

Volgt de minister het advies op om afspraken te maken over opnemen van informatie?

Aangezien met de informatie in het jaarverslag (tabellen, toelichtingen en verwijzingen naar (externe) rapportages) naar mijn mening een goed en volledig beeld wordt gegeven van wat er op het gebied van veiligheid en justitie in het verslagjaar is bereikt (zie ook mijn antwoorden op de vragen 4 en 30), acht ik het niet nodig om hierover nadere afspraken te maken.

32

Wat zijn de instrumenten van de gemeente om beleid te voeren op bestrijding georganiseerde misdaad?

Gemeenten hebben een breed arsenaal aan middelen ter beschikking dat kan worden ingezet. Te denken valt aan de toepassing van de wet BIBOB, het toepassen van bestuursdwang, het opnemen van voorwaarden in de Algemeen Plaatselijke Verordening en het sluiten van panden van waaruit drugs worden verkocht.

De beschikbare middelen alsmede voorbeelden van toepassing zijn door het Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid (het CCV) beschreven in een handboek bestuurlijke aanpak van georganiseerde misdaad. Voor een volledig overzicht van alle mogelijkheden alsmede voorbeelden van de toepassing hiervan wordt verwezen naar deze publicatie (www.hetccv.nl/binaries/content/assets/ccv/webwinkel/handboek_bestuurlijke_aanpak.pdf).

33

Hoe gaat de minister bevorderen dat gemeenten wel beleid gaan voeren ten aanzien van bestrijding van georganiseerde misdaad?

Redenen waarom gemeenten geen beleid voeren zijn volgens de nulmeting:

  • aanwezigheid georganiseerde criminaliteit onbekend,

  • gebrek aan kennis, kunde en mankracht alsmede

  • het beeld dat de bestrijding ervan wordt gezien als taak van politie.

Er zijn 10 Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC’s) opgericht die de taak hebben gemeenten bewust te maken van de aanwezigheid van georganiseerde misdaad en hen bij de aanpak ervan te ondersteunen. Inmiddels participeert ruim 80% van alle gemeenten in de RIEC’s. Binnen de RIEC’s werken verschillende diensten ook samen aan de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit (geïntegreerde aanpak). Deze samenwerking krijgt de komende tijd een stevige impuls waarbij de rol van het bestuur onmisbaar is. De samenwerkende partners (onder andere Belastingdienst, politie en Openbaar Ministerie) verwachten van het bestuur een actieve participatie in de geïntegreerde aanpak.

36

Wat houdt het aanpakken van problematische jeugdgroepen precies in?

Aanpakken betekent dat er onder gezag van de hoofdofficier van justitie en de burgemeester zowel strafrechtelijke als bestuursrechtelijke interventies zijn gepleegd zodat de jeugdgroep zich niet meer als zodanig op straat manifesteert. Interventies zijn gericht op het individu (bijvoorbeeld detentie), op de groep (bijvoorbeeld gebieds- en samenscholingsverbod) en op de omgeving van het individu (bijvoorbeeld opvoedondersteuning ouders).

37

Hoe wordt de daling van de waardering van de rechtspraak onder rechtzoekenden verklaard (van 80% in 2008 naar 73% in 2011)?

De waardering van de rechtspraak onder rechtszoekenden is niet gedaald, maar licht gestegen van 79% in 2008 naar 81% in 2011 (bronnen: Jaarverslag rechtspraak 2008 en Jaarverslag Rechtspraak 2011. De waardering van de rechtspraak onder professionals is wel gedaald van 80% in 2008 naar 73% in 2011 (bronnen: idem). In het rapport van de Rekenkamer zijn de waarderingscijfers van justitiabelen en professionals verwisseld.

De daling in tevredenheid kan veroorzaakt zijn door een andere opzet van de meting. Bij vorige metingen is meestal gemeten bij professionals uit de directe omgeving van het betreffende gerecht. Ditmaal is het onderzoek landelijk uitgezet bij een groot aantal verschillende organisaties. De mate van tevredenheid hangt samen met de lagere waardering bij advocaten voor de motivering van de beslissing. Omdat 73% van de respondenten advocaat is, weegt hun oordeel zwaar mee. Op landelijk en lokaal niveau wordt aanvullend onderzoek gedaan en worden maatregelen ter verbetering getroffen.

38

Waarom zijn er geen gegevens beschikbaar over het jaar 2011 van het aantal gehonoreerde wrakingen, ingediende klachten bij gerechten, gegronde klachten bij gerechten en over de ingediende klachten bij de Hoge Raad?

In (het rapport van de Algemene Rekenkamer bij) het jaarverslag van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is de bron voor de weergave van de waarderingscijfers over de rechtspraak de publicatie «Rechtspleging Civiel en Bestuur 2010, WODC et al. 2011».

Bij verschijning van deze publicatie waren de gegevens over wrakingen en klachten in 2011 nog niet bekend. Deze gegevens worden standaard weergegeven in het jaarverslag Rechtspraak. Onderstaand vindt u alsnog de gegevens over het jaar 2011 over het aantal gehonoreerde wrakingen, ingediende klachten en gegronde klachten bij gerechten.

 

2009

2010

2011

Wrakingsverzoeken

Aantal ingediende wrakingsverzoeken

418

529

587

Rechtbanken

283

388

450

Gerechtshoven

85

107

107

CRvB

50

34

30

CBB

0

0

0

       

Aantal gehonoreerde wrakingsverzoeken

15

21

36

Rechtbanken

15

16

33

Gerechtshoven

0

5

3

CRvB en CBB

0

0

0

In 2011 ingediende klachten naar onderwerp:

onderwerp

aantal

%

bejegening

188

13%

rechterlijke beslissingen

461

33%

tijdsduur procedures

153

11%

administratieve fouten

243

17%

overige

367

26%

totaal

1 412

100%

In 2011 afgehandelde klachten naar soort afdoening:

 

aantal

%

Deel-%

Niet inhoudelijk behandeld

660

48

100

– niet bevoegd (ex art 2 klachtenregeling)

91

6

14

niet-ontvankelijk (ex art 2 klachtenregeling)

274

20

41

– niet-ontvankelijk (overig)

189

14

29

– buiten behandeling gelaten (ex art 7 klachtenregeling)

36

3

5

– schikking of intrekking

70

5

11

       

Inhoudelijk behandeld

724

52

100

– ongegrond

400

29

55

– gegrond

264

19

37

– geen oordeel

60

4

8

Bron: Jaarverslag Rechtspraak 2011

Bij de Hoge Raad zijn in 2011 acht wrakingverzoeken ingediend. Geen van deze verzoeken is gehonoreerd.

Het per 1 juli 2011 ingevoerde artikel 13g RO schrijft voor dat de procureur-generaal bij- en de president van de Hoge Raad jaarlijks een verslag opmaken van de in het kader van de klachtbehandeling verrichte werkzaamheden. In de periode vanaf 1 juli 2011 zijn 13 klachten ingediend bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad. In de verslagperiode heeft de procureur-generaal geen vordering ingediend bij de Hoge Raad tot het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 13a RO.

Voor een uitgebreide toelichting op de afdoening van deze klachten verwijs ik u naar het jaarverslag van de Hoge Raad over 2011.

39

Hoe komt de minister aan het percentage dat naar 30% van de criminele samenwerkingsverbanden een strafrechtelijk onderzoek is gestart?

In 2009 hebben politie en OM op basis van een globale inventarisatie in beeld gebracht hoeveel criminele samenwerkingsverbanden zij jaarlijks aanpakken, en een inschatting gemaakt van het aantal (signalen over) actieve criminele samenwerkingsverbanden dat (nog) niet aangepakt kon worden. Uit die inventarisatie bleek dat 20% van de criminele samenwerkingsverbanden waarover signalen beschikbaar waren, daadwerkelijk werd aangepakt. In de afgelopen jaren is niet geconstateerd dat het totale aantal signalen over criminele samenwerkingsverbanden is toegenomen. Op basis van de intensivering die is gerealiseerd bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit, kan daarom worden geconcludeerd dat inmiddels 30% wordt aangepakt.

40

Is bekend hoeveel criminele samenwerkingsverbanden er zijn in Nederland?

De heimelijke aard van georganiseerde criminaliteit en het fluïde karakter van criminele samenwerking maakt het onmogelijk om een volledig cijfermatig beeld te hebben van het aantal criminele samenwerkingsverbanden in Nederland. Politie en OM hebben wel zicht op een aanzienlijk deel van de georganiseerde criminaliteit, op basis van informatie uit eigen onderzoeken en informatie van partners bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Een indicatieve graadmeter voor het aantal criminele samenwerkingsverbanden is het aantal onderzoeken dat jaarlijks wordt uitgevoerd naar deze vormen van criminaliteit; dit zijn er vele honderden op jaarbasis.

41

Waarom ontbreekt de informatie over budgettaire ontwikkelingen per beleidsprioriteit?

De inrichting van de financiële systemen is gekoppeld aan de indeling van het jaarverslag (beleidsartikelen). De bedragen besteed aan de beleidsprioriteiten, grotendeels regulier budget dat mede wordt ingezet voor beleidsprioriteiten, zijn niet één op één uit de departementale administratie te herleiden. Dit wel doen vraagt extra inspanningen en kosten, die telkens bij wijziging van beleidsprioriteiten weer gemaakt moeten worden.

42

Hoeveel fte dierenpolitie is er daadwerkelijk fulltime aan de slag, aangezien het jaarverslag spreekt over 139 fte en het rapport van de rekenkamer over 131 fulltime dierenagenten?

Op 31 december 2011 waren 131 medewerkers dierenpolitie gecertificeerd. Zij hebben met goed gevolg de opleiding dierenhandhaving en dierenwelzijn van de Politieacademie afgelegd.

Op dit moment – eind mei 2012 – zijn er 156 medewerkers dierenpolitie gecertificeerd.

43

Wat wordt bij detentie, behandeling en nazorg criminele jeugdigen bedoeld met «betere effecten» die in 2017 pas bekend zijn?

De Algemene Rekenkamer doelt waarschijnlijk op het feit dat met het reguliere recidiveonderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) pas na verloop van jaren het effect op recidivegedrag kan worden gemeten van de doorgevoerde verbetermaatregelen in de justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s).

In mijn bestuurlijke reactie op het betreffende onderzoek van de Algemene Rekenkamer heb ik gewezen op verschillende onderzoeken en maatregelen die zijn gericht op het beter (en eerder) zichtbaar maken van de resultaten en effecten. Ik heb daarbij onder meer gewezen op de ontwikkeling van een systeem voor Routine Outcome Monitoring (ROM). ROM is het gestructureerd en herhaald meten van relevante kenmerken van jongeren (bijvoorbeeld gedrag en psychische problematiek). De gegevens die via ROM worden verzameld, kunnen zowel worden gebruikt voor het bijsturen tijdens een behandeltraject als voor onderzoek naar de resultaten en effecten van de behandeling in de JJI’s. Een systeem voor ROM wordt vanaf 2013 gefaseerd geïmplementeerd in de JJI’s, waarmee reeds eerder dan in 2017 beter zicht ontstaat op de resultaten van verblijf en behandeling in de JJI’s.

44

Hoe komt het dat de uitgavenstijging van 120% gevolg is van hogere prijzen en/of productie? Waar bestaan de hogere prijzen en/of productie uit?

Het SCP legt in het rapport «Waar voor ons Belastinggeld?» van januari 2012 een relatie tussen de ontwikkeling van uitgaven en (kwaliteit van) prestaties van onder andere de rechtspraak. Daarbij concludeert het SCP dat de uitgaven bij de rechtspraak zijn gestegen doordat prijzen en productie zijn gestegen.

In het SCP-rapport staat zeer uitgebreid beschreven welke verklarende factoren achter de stijgingen van zowel prijzen als productie schuil gaan. Deze verklarende factoren zijn zeer divers van aard en verschillen van jaar tot jaar: het SCP-rapport gaat immers over de periode 1995–2010.

46

Waaruit bestaan de problemen in sturing en informatievoorziening bij prestaties in de strafrechtketen?

De Algemene Rekenkamer (AR) heeft op 29 februari 2012 haar onderzoek «Prestaties in de Strafrechtketen» openbaar gemaakt. De AR constateert in haar onderzoek dat de sturing van en binnen de strafrechtketen niet voldoende is gericht op het optimaliseren van de gewenste prestaties en dat de informatievoorziening geen of onvoldoende inzicht geeft in de omvang van de in-, door- en uitstroom van zaken in de keten. De door de AR geconstateerde tekortkomingen zouden (deels) terug zijn te voeren op een gebrek aan coördinatie en invulling van de ketenverantwoordelijkheid. Daarbij zou het gaan om onvoldoende afstemming over definities, registratiewijzen, taken en over de functionaliteit van systemen.

Door mij zijn en worden verschillende initiatieven ondernomen om het functioneren van de keten te versterken, maar de Algemene Rekenkamer achtte deze niet voldoende.

In mijn reactie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 29 februari jl. op het AR onderzoek heb ik aangegeven welke aanvullende maatregelen inmiddels zijn getroffen. Zoals in mijn reactie is gemeld zal ik u nog voor de zomer nader berichten over de voortgang van de verschillende trajecten ter versterking van de informatiepositie over en de regie op de keten.

47

Is het mogelijk de jaarverslagen van de genoemde organisaties naar voren te halen, zodat deze informatie ook meegenomen kan worden in het jaarverslag? Zo nee, wat zijn de bezwaren daartegen?

Voor het Openbaar Ministerie gelden ter zake geen wettelijke bepalingen. Het is dus technisch mogelijk dat de informatie wordt meegenomen in het departementaal jaarslag.

De definitieve informatie van de (Raad voor de) rechtspraak, productie- en doorlooptijdgegevens, komt tot stand op basis van een interne planningscyclus waarin weinig ruimte is om de termijnen te bekorten, aangezien de informatie van de gerechten geüniformeerd aangeleverd moeten worden en voordien door de lokale externe accountant van een verklaring moeten worden voorzien voordat deze naar buiten kunnen worden gebracht.

Het jaarverslag van de Rechtspraak wordt echter onverwijld aan de Kamers der Staten-Generaal aangeboden.

Wat betreft de jaarverslagen van de politie.

In de huidige situatie is in art. 5 lid 1 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen het volgende bepaald: de korpsbeheerder dient jaarlijks uiterlijk 31 maart het vastgestelde jaarverslag en de jaarrekening aan de minister aan te bieden. Indiening van het departementale jaarverslag bij het ministerie van Financiën vindt plaats uiterlijk op 15 maart.

Omdat de Regionale Colleges voldoende gelegenheid moeten hebben om hun jaarverslag te behandelen is het in het huidige politiebestel niet wenselijk om genoemde indieningtermijn aanzienlijk naar voren te halen. De Minister is niet verplicht om, zoals overigens wél sinds 2003 op eigen initiatief gebeurt, een jaarverslag Nederlandse Politie naar uw Kamer te sturen.

Er wordt naar gestreefd om u dit jaarverslag zo spoedig mogelijk na 31 maart aan te bieden.

Bij de voorgenomen vorming van de nationale politie zal dit anders worden. Op basis van het wetsvoorstel nationale politie stelt de korpschef een jaarverslag politie op en de minister stelt dit jaarverslag politie vast. In nadere regelgeving wordt vastgelegd op welke wijze en uitgaande van de rijksbegrotingcyclus, de verantwoordingsinformatie kan worden meegenomen in het jaarverslag van VenJ.