Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233240-IXB nr. 7

33 240 IXB Jaarverslag en slotwet Ministerie van Financiën 2011

Nr. 7 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 13 juni 2012

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Financiën over het Jaarverslag van het Ministerie van Financiën 2011 (Kamerstuk 33 240 IXB, nr. 1).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 8 juni 2012. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Aptroot

De griffier van de commissie, Berck

1

Waardoor is het beoogde aantal bereikte belastingplichtigen na verzuim IH niet winst niet gerealiseerd?

De Belastingdienst stuurt naar alle belastingplichtigen die bij het indienen van de aangifte IH-niet winst in verzuim zijn een herinnering of een aanmaning.

De inschatting vooraf was dat 90% tot 95% van de belastingplichtigen met een aangifte zou reageren. Dit is uiteindelijk met 87% net daaronder uitgekomen.

Voor aangiften die niet tijdig zijn binnengekomen heeft de Belastingdienst zoals ook toegelicht in het Jaarverslag IXB Financiën ambtshalve aanslagen opgelegd.

Ook zijn de boetebedragen verhoogd voor belastingplichtigen die niet tijdig aangifte doen.

2

Waarom heeft ASR over het boekjaar 2010 geen dividend uitgekeerd?

Het ministerie van Financiën is met ASR Nederland N.V. een dividendbeleid overeengekomen waarin is vastgelegd onder welke voorwaarden dividend wordt uitgekeerd. Het dividend is een percentage van de nettowinst. Daarbij zijn enkele voorwaarden en uitgangspunten opgenomen die rekening houden met de solvabiliteit van de onderneming ook in het licht van de verwachte ontwikkelingen in financiële- en reële markten en de geplande investeringen en groei van de onderneming. Op basis hiervan heeft de raad van bestuur van ASR Nederland N.V. aan de algemene vergadering van aandeelhouders voorgesteld om geen dividend uit te keren over het boekjaar 2010. De algemene vergadering van aandeelhouders is akkoord gegaan met dit voorstel.

3

Waarom heeft ABN AMRO over het boekjaar 2010 geen dividend uitgekeerd?

Het ministerie van Financiën is met ABN AMRO Group N.V. een dividendbeleid overeengekomen waarin is vastgelegd onder welke voorwaarden dividend wordt uitgekeerd. Het dividend is een percentage van de nettowinst. Daarbij zijn enkele voorwaarden en uitgangspunten opgenomen die rekening houden met onder andere de kapitaalpositie van de onderneming.

ABN AMRO Group N.V. heeft over boekjaar 2010 geen winst gemaakt, rekening houdend met separatie- en integratiekosten. Op basis hiervan heeft de raad van bestuur van ABN AMRO Group N.V. aan de algemene vergadering van aandeelhouders voorgesteld om geen dividend uit te keren over het boekjaar 2010. De algemene vergadering van aandeelhouders is akkoord gegaan met dit voorstel

4

U geeft in reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer aan dat de beleidsdoelstelling zich voortaan zal richten op «de inzet van de minister» en niet op de «uitkomst van het beleid».

Hoe wordt «de inzet van de minister gemeten»? Welke prestatie-indicatoren worden hierbij gebruikt? In hoeverre kan in het volgende jaarverslag worden gesteld of deze beleidsdoelstelling is behaald?

Momenteel wordt de Kamer kwalitatief geïnformeerd over de inzet van de minister in internationale fora middels de geannoteerde agenda’s in aanloop naar bijvoorbeeld de Ecofin vergaderingen als ook IMF-Wereldbank vergaderingen. Na dergelijke internationale vergaderingen wordt aan de Kamer bovendien ook verslag uitgebracht, waarin de Kamer over de resultaten van de vergaderingen worden geïnformeerd.

In de begroting 2012 worden een aantal instrumenten genoemd waarvan gebruik wordt gemaakt. In het jaarverslag over 2012 zullen we van deze instrumenten kwalitatief aangeven wat er is gerealiseerd.

5

Wat is de invloed van de gerealiseerde bezuinigingen op de reële groei van het BBP van de Europese Unie?

Het Nederlandse BBP was in 2011 ongeveer 4,8% van het BBP van de 27 EU-lidstaten. Doordat de Nederlandse economie in Europees perspectief relatief klein is, hebben veranderingen in de Nederlandse economie slechts een zeer beperkte invloed de groei van het reële bbp van de Europese Unie. De exacte effecten van de gerealiseerde maatregelen op de reële groei van het bbp in Nederland moeten nog worden berekend door het CPB.

6

Is er een inschatting gemaakt van de effecten van de BTW-verhoging op de reële groei van het BBP in landen waaruit Nederland importeert?

Nee. Het effect is waarschijnlijk echter nihil. In de eerste plaats worden geïmporteerde goederen hetzelfde behandeld als producten die van Nederlandse makelij zijn. Relatief gezien wordt import dus niet duurder. Dat is dus geen reden om minder te importeren. In de tweede plaats vormt de export naar Nederland voor de meeste exporterende landen slechts een klein deel van het BBP. Het BBP van deze landen is van vele andere factoren afhankelijk: de private en publieke consumptie, de private en publieke investeringen, de export naar overige landen en de import. Daarnaast is de Nederlandse economie relatief klein (4,8% van het EU-27 bbp en nog veel kleiner op wereldschaal).

7

Kunt u een integraal overzicht geven van de inzet in de afzonderlijke Ecofin Raden en Eurogroepen in 2011 en in hoeverre deze inzet is behaald?

Voorafgaand aan een Eurogroep en Ecofin Raad wordt de Nederlandse inzet via de Geannoteerde Agenda gedeeld met de Eerste en Tweede Kamer. Hierna vindt over deze Geannoteerde Agenda een Algemeen Overleg plaats met de Tweede Kamer ter voorbereiding op de Eurogroep en Ecofin Raad. Van deze discussies en besluiten in de Eurogroep en de Europese Raad hebben de Eerste en Tweede Kamer telkens een verslag ontvangen. Voor een uitgebreid overzicht van de inzet tijdens de bijeenkomsten in 2011 verwijs ik naar bovengenoemde documenten.

8

Wat is het maximale risico dat de Nederlandse Staat loopt in het geval dat Griekenland niet meer aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen?

  • Het totale risico voor de Nederlandse staat is aanzienlijk hoger dan alleen garanties en geleende bedragen. Immers als het mis gaat in Griekenland heeft dit indirect ook gevolgen voor belastinginkomsten als gevolg van vertrouwenseffecten en economische effecten.

  • De maximale exposures die de Nederlandse staat heeft op Griekenland als gevolg van de verstrekte leningen zijn als volgt:

    • 1. Bilaterale leningen; 3,2 miljard euro (zie ook voorjaarsnota, BZ/2012/283M).

    • 2. Het Nederlandse aandeel in het nieuwe leningenprogramma aan Griekenland vanuit het EFSF ligt, zoals eerder gemeld in de Kamerbrief over het nieuwe leningenprogramma Griekenland (BFB2012-7398M), binnen de bandbreedte van 6,1% tot 6,2%. Het Nederlandse aandeel in de hoofdsom van de reeds goedgekeurde leningen bedraagt circa 4,5 miljard euro. Daarnaast is er sprake van een overgarantie van circa 2,9 miljard euro. Dit is het risico dat Nederland loopt op de overige medegaranderende lidstaten. Het Nederlandse aandeel in de hoofdsom van de totale toegezegde leningen vanuit het EFSF aan Griekenland bedraagt circa 8,9 miljard euro. De overgarantie bedraagt circa 5,8 miljard euro. In deze bedragen zijn de rentegaranties niet meegenomen, hiervoor verwijs ik u naar de Kamerbrief nieuw leningenprogramma Griekenland (BFB2012-7398m).

  • Tevens heeft de ECB door haar steunaankopen onder het Securities Markets Programme (SMP) een positie in Griekse staatsobligaties opgebouwd. Wanneer Griekenland deze obligaties niet afbetaalt zal er mogelijk op deze portefeuille afgeschreven moeten worden. Eventuele verliezen kunnen via DNB ten laste van de Nederlandse schatkist komen. De ECB maakt alleen het totaalbedrag van de SMP portefeuille bekend; er is dan ook geen openbare informatie over de positie van de ECB in Griekse staatsobligaties

  • Daarnaast heeft de ECB risico op de nationale Centrale Bank van Griekenland via het Eurosysteem. Naast de munten en eurobankbiljetten betreft het hierbij met name de verplichtingen die tot stand komen via het zogenaamde «Target-2 systeem» dat directe overboekingen tussen banken binnen de eurozone mogelijk maakt. De Target-2 saldi zijn feitelijk administratieve saldi, worden niet verrekend – wat in principe ook niet nodig is in een muntunie. Echter indien een lidstaat met een negatief Target-2 saldo besluit zijn nationale munteenheid opnieuw in te voeren en uit het Eurosysteem te treden dan houdt de nationale Centrale Bank van dat land een schuld ten opzichte van DNB. Ik heb de Tweede Kamer hier eerder over geïnformeerd in een Kamerbrief (FM2012-230M).

9

De Algemene Rekenkamer concludeert dat informatie betreffende het beoogde effect van de exportkredietverzekeringen (€ 14,7 miljard) ontbreekt. Wat is de reden dat het beleid van exportkredietverzekeringen wordt gecontinueerd, wanneer niet bekend is of het totaal aan gerantstellingen effectief is? Als u het beleid wel effectief acht, waarop is deze conclusie dan gebaseerd? Welke indicatoren worden gebruikt ter onderbouwing van het voorgaande?

In haar rapport stelt de AR dat het jaarverslag geen informatie geeft over het beoogde effect van het beleid ten aanzien van de operationele doelstelling: «Het creëren en handhaven van een gelijk speelveld voor bedrijven». Hierbij gaat de AR er vanuit dat deze op zichzelf en buiten de beperkte werkingssfeer van artikel 5 moet worden beoordeeld en suggereert dat voor de effecten van het vermelde beleid verwezen zou kunnen worden naar de positie van het Nederlandse bedrijfsleven in de Global Competitiveness Index (GCI) 2011–2012.

De EKV is echter geen instrument dat tot doel heeft om de gehele export van Nederland te stimuleren of op alle terreinen van de export een gelijk speelveld te creëren. De EKV is expliciet aanvullend op de markt en houdt zich alleen bezig met de verzekering van exportkredieten. De operationele doelstelling is dan ook opgesteld met als uitgangspunt het instrumentarium dat binnen de exportkredietverzekeringen kan worden ingezet en de beperkte groep gebruikers van dit instrumentarium. Het instrument is wel degelijk effectief. Voor het totale volume van 14,7 miljard euro geldt dat deze transacties zonder EKV niet verzekerbaar zouden zijn geweest (en dus naar alle waarschijnlijkheid niet zouden hebben plaatsgevonden).

10

U geeft in reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer aan de beleidsdoelstelling van de exportkredietverzekeringen «opnieuw te beoordelen». Welke conclusie verbindt u aan het bijstellen van beleidsdoelstellingen? Kunt u het nieuwe beleidsdoel in deze beantwoording met de Tweede Kamer inmiddels delen? In hoeverre wordt de totale gerantstelling van € 14,7 miljard in relatie tot het nieuwe beleidsdoel bijgesteld? Indien deze garantstelling niet wordt aangepast, kunt u dan aangeven waarom dan wel het beleidsdoel wordt bijgesteld?

Aangezien de AR tot een andere interpretatie van de operationele doelstelling komt dan is beoogd, wordt de doelstelling opnieuw beoordeeld zodat deze waar mogelijk kan worden aangescherpt om misverstanden in de toekomst te voorkomen. Eventuele aanpassingen zullen uitsluitend bestaan uit een verheldering van de doelstelling en zullen niet leiden tot wijzigingen in het beleid. De garantstelling van € 14,7 miljard vloeit voort uit de verplichtingen (polissen inclusief dekkingstoezeggingen) die de Staat al is aangegaan binnen het bestaande beleid. In de begroting van 2013 zullen eventuele wijzigingen in de operationele doelstelling worden verwerkt.

11

Wat is het voordeel voor de Nederlandse economie geweest in de afgelopen jaren als gevolg van de exportkredietverzekeringen? Hoe verhouden de private baten en publieke lasten van het extra risico voor de rijksbegroting zich?

De exportkredietverzekeringsfaciliteit verzekert exporttransacties waarvan het betalingsrisico dusdanig hoog is dat deze niet kostendekkend in verzekering kunnen worden genomen door private verzekeraars. De Staat beschikt over enkele voordelen waardoor zij deze risico’s wel kostendekkend kunnen verzekeren. Ten eerste kan de Staat grotere schades incasseren zonder failliet te gaan. Daarnaast kan de Staat ook langer wachten op geld zonder failliet te gaan. En vervolgens kan de Staat door samen te werken met andere overheden ook meer druk uitoefenen op debiteuren om tot uitbetaling te komen. Al deze factoren verhogen de kans dat de uitgekeerde schade wordt terugbetaald. In het jaarverslag wordt het cumulatieve resultaat van de exportkredietverzekeringen weergegeven. Het gaat hierbij niet alleen om de inkomsten die de verzekerde bedrijven genereren maar ook om de hoogwaardige arbeidsplaatsen en de kennis en innovatie die op deze wijze voor de Nederlandse economie beschikbaar blijven. Conform de internationale afspraken is het resultaat kostendekkend gebleken over de periode 1999–2011.

12

De realisatie van het EMU-saldo in 2011 is met –4.7% bbp hoger dan de streefwaarden van –4.0% bbp. Kunt u deze stijging nader toelichten, mede in relatie tot het gevoerde begrotingsbeleid? Wat zijn de voornaamste oorzaken van het hogere saldotekort in 2011?

Onderstaande tabel geeft een toelichting op de verslechtering van het EMU-saldo ten opzichte van de raming uit de startnota. De verslechtering van het EMU-saldo ten opzichte van de raming bij Startnota 2011 komt vooral doordat de inkomsten zich minder positief hebben ontwikkeld dan destijds is voorzien. De ontwikkeling in de inkomsten wordt veroorzaakt door een lagere economische groei in 2011 dan waar in de Startnota van werd uitgegaan. In lijn met de begrotingsregels zijn geen maatregelen genomen om de inkomstentegenvaller op te vangen: inkomstentegenvallers mogen rechtstreeks het EMU-saldo belasten, zolang de signaalmarge niet is overschreden.

Ontwikkeling EMU-saldo (in procenten bpp)
 

2011

EMU-saldo Startnota

– 4,0%

Belasting- en premie-inkomsten

– 1,1%

Uitgaven

 

Rijksbegroting in enge zin

0,5%

Sociale zekerheid (incl werkloosheidsuitkeringen)

0,0%

Zorguitgaven

– 0,4%

Gasbaten (kasbasis)

0,2%

Kas-transverschillen

0,1%

Agentschapsrekening en rest centrale overheid

0,1%

EMU-saldo lokale overheden

0,1%

Overige uitgaven

– 0,1%

Noemereffect

– 0,1%

EMU-saldo Financieel Jaarverslag Rijk 2011

– 4,7%

Zie eveneens het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2011: http://www.rijksbegroting.nl/2011/verantwoording/financieel_jaarverslag

13

De realisatie van de EMU-schuld in 2011 is met 65,2% bbp lager dan de streefwaarden van 66,1% bbp. Kunt u deze daling nader toelichten, mede in relatie tot het gevoerde begrotingsbeleid? Wat zijn de voornaamste oorzaken van het lagere schuldniveau in 2011?

Onderstaande tabel geeft een toelichting op de verslechtering van de EMU-schuld ten opzichte van de raming uit de startnota. De realisatie van de EMU-schuld 2010 is lager uitgekomen dan waar in de startnota rekening mee werd gehouden, waardoor de uitgangspositie circa 2 procentpunt gunstiger is dan voorzien. Dit heeft onder andere te maken met de financiële verkopen van de medeoverheden. Het hoger dan verwachte tekort had in 2011 een verhogend effect op de EMU-schuld: ten tijde van de Startnota werd immers rekening gehouden met een EMU-tekort van 4,0 procent bbp terwijl het EMU-tekort 2011 is uitgekomen op 4,7 procent bbp. Ook de lager dan verwachte groei heeft een opwaarts effect op de schuldquote, aangezien deze is uitgedrukt in percentage bbp. Echter, met name de terugbetalingen van (delen van) de kapitaalinjecties door ING en Aegon hebben in 2011 bijgedragen aan een verlaging van de EMU-schuld. Al deze effecten leveren gecombineerd een lagere EMU-schuld op dan voorzien was ten tijde van de Startnota.

Tabel 2.x Ontwikkeling EMU-schuld (in procenten bpp)
 

2011

EMU-schuld Startnota

66,1%

Aanpassing schuld ultimo 2010

– 2,0%

Mutatie EMU-saldo

0,6%

Noemereffect

1,4%

Financiële transacties en overig

 

wv. kapitaalverstrekking Aegon

– 0,4%

wv. kapitaalverstrekking ING

– 0,5%

wv. ING back-up faciliteit

– 0,3%

wv. EFSF (Portugal en Ierland)

0,1%

wv. overig

0,2%

EMU-schuld Financieel jaarverslag van het Rijk 2011

65,2%

Zie eveneens het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2011: http://www.rijksbegroting.nl/2011/verantwoording/financieel_jaarverslag

14

Kan er een lijst worden gegeven conform bijlage topinkomens met personen die meer dan 100% van het ministersalaris verdienen (€ 150 000)?

In het antwoord gaan we in op de situatie zoals deze wordt voorgesteld in het Wetsvoorstel «Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013». In dit wetsvoorstel zit een voorstel aangaande een tijdelijke werkgeversheffing voor looninkomens boven € 150 000.

De gegevens die zijn geleverd in de bijlage topinkomens zijn van alle medewerkers beschikbaar. Analyse van deze gegevens voor de grens van 150 000 euro heeft opgeleverd dat er nu geen personen werkzaam zijn binnen het ministerie van Financiën die meer verdienen dan een ministersalaris. Dat sluit niet uit dat er personen kunnen zijn die incidenteel (voor één jaar) meer zullen verdienen indien rekening wordt gehouden met sociaal flankerend beleid maar dat is nu nog niet bekend.

15

Hoeveel personen verdienen meer dan 100% van het ministersalaris?

0 (zie toelichting bij vraag 14)

16

Wat is het totaalbedrag aan uitgaven die boven de 100% van het ministersalaris wordt uitgegeven?

0 (zie toelichting vraag 14 en antwoord vraag 15)

17

Kan een nadere uitleg worden gegeven over de motivering «ontslag met stimuleringspremie uitstroom o.g.v. SFB»?

Bij de realisatie van de personele taalstelling JPB’4, is gebruik gemaakt van de faciliteiten uit het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012. Artikel 20 van dit besluit maakt het mogelijk om aan een aangewezen ambtenaar of herplaatsingskandidaat bij vrijwillig ontslag uit de Rijksdienst een stimuleringspremie toe te kennen van ten hoogste twaalf maandsalarissen.

18

Hoeveel bedragen de ambtelijke personeelsuitgaven in het totaal?

Voor het Ministerie van Financiën bedragen de ambtelijke personeelsuitgaven 2075 mln.

19

Wat is het precieze percentage externe inhuur inclusief berekening hoe daartoe is gekomen?

Het exacte percentage voor de externe inhuur voor 2011 bedraagt 7,49%. Het percentage komt tot stand door het totaal van de uitgaven inhuur externen te delen door het totaal aan personele uitgaven inclusief de uitgaven van de inhuur van externen.

20 en 21

Kan er een nadere onderbouwing worden gegeven van de twaalf dossiers waarbij een tarief van € 225 per uur of hoger geven?

Wat waren de tarieven van de twaalf dossiers en welk totaalbedrag van de € 168 067 000 betreft deze twaalf dossiers? Kan een totaalbedrag worden gegeven van de afzonderlijke twaalf dossiers?

Zie het antwoord op vraag 8 van de vragenlijst bij het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2010 van het ministerie van Financiën (IXB) (Kamerstuk 33 240 IXB, nr. 8).