Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233240-IXA nr. 7

33 240 IXA Jaarverslag en slotwet Nationale Schuld 2011

Nr. 7 VERSLAG HOUDENDE EEN VRAAG EN EEN ANTWOORD

Vastgesteld 13 juni 2012

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen.

Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vraag voldoende zal zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Aptroot

De griffier van de commissie, Berck

1

De slotwetmutaties laten een uitgavenniveau zien dat 7 954 114 euro hoger is dan geraamd. In hoeverre was deze overschrijding voorzien bij de tweede suppletoire begroting 2011?

Deze slotwetmutatie is een puur technische kwestie en heeft te maken met de definitie van de vlottende schuld. Een daling van de vlottende schuld telt mee als uitgave bij IXA, aangezien een aflossing de kas belast. In de ramingen gedurende het lopende jaar wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende vormen van vlottende schuld. Een onderdeel van de vlottende schuld zijn daarom de ontvangen middelen als gevolg van onderpandstortingen door tegenpartijen, het zogenaamde cash collateral. Deze onderpandstortingen vinden plaats in het kader van swapcontracten. Bij een voor de Staat positieve marktwaarde van swaps zijn tegenpartijen verplicht om onderpand te storten. Dit is een eenzijdige verplichting; als er sprake is van positieve marktwaarde voor de tegenpartij hoeft de Staat geen onderpand te plaatsen. De omvang van het onderpand is afhankelijk van de marktwaarde van de swaps. Door de toegenomen marktwaarde van de swaps is het gestorte onderpand aanzienlijk toegenomen (+ € 8,3 mld) en hiermee dus ook de vlottende schuld. Echter in het jaarverslag wordt het onderpand niet meegeteld bij de vlottende schuld, maar geboekt buiten begrotingsverband. Hierdoor komt de vlottende schuld in het jaarverslag lager uit dan geraamd. Het gevolg hiervan is een grotere daling dan geraamd. Dit leidt tot de relatief grote uitgavenmutatie. Als het onderpand wel zou meetellen (en niet buiten begrotingsverband zou worden geboekt) zou het verschil met de tweede suppletoire begroting geen + € 7,9 mld maar – € 0,3 mld zijn.