33 236 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten (Wijzigingswet financiële markten 2013)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 15 juni 2012

De vaste commissie voor Financiën belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

   

– Algemeen

1

– Kaderwet zelfstandige bestuursorganen

2

– Wijziging van de provisieregels

2

– Wijziging van de biedingsregels

6

– Verankering van de moreel-ethische verklaring (bankierseed)

7

– Overig

7

– Artikelsgewijs

8

– Artikel 4:9

8

– Artikel 4:25a

8

– Artikel 4:25b

8

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vragen een nadere toelichting op een aantal onderdelen van het wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Hoewel deze leden positief gestemd zijn over het voorliggende wetsvoorstel willen de leden van de PvdA-fractie wel nog enkele opmerkingen plaatsen op de volgende punten: de wijziging van de provisieregels, de wijziging van de biedingsregels en de bankierseed.

De leden van de fractie van de PVV hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Daarbij hebben deze leden enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Het voorstel bevat een viertal inhoudelijke wijzigingen. DNB en de AFM worden onder de werkingssfeer van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen gebracht, er zijn wijzigingen van de provisieregels, de biedingsregels worden gewijzigd en de bankierseed wordt verankerd. De leden van de CDA-fractie hebben over deze wijzigingen enkele vragen.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben hierover een aantal vragen.

De leden van de D66 hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het positief dat er opnieuw maatregelen worden genomen om de financiële sector te versterken. Deze leden hebben op een aantal onderdelen vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel. Deze leden willen de regering nog enkele vragen voorleggen.

Kaderwet zelfstandige bestuursorganen

De leden van de CDA-fractie lezen over het voornemen om DNB en de AFM onder de kaderwet te brengen en dat dit een gevolg van de Wet bekostiging financieel toezicht is. Wat is nu precies de toegevoegde waarde van deze keuze? Wat zijn de gevolgen voor de bevoegdheden van de toezichthouders?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een nadere onderbouwing van de keuze om de bepaling waarin de Kaderwet op de AFM en DNB van toepassing wordt verklaard, op te nemen in de Wft. Zoals gesteld zijn er verschillende wetten mogelijk waarin de Kaderwet van toepassing wordt verklaard. Genoemde leden vragen waarom de regering er niet voor heeft gekozen om de vantoepassingverklaring in meerdere wetten op te nemen, zoals de Pensioenwet en de Wet financiële markten BES. Met betrekking tot de monetaire taak die DNB heeft in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe deze taak zich verhoudt tot de taken in het kader van het ESCB. Wat zijn de verschillen, bijvoorbeeld met betrekking tot (afwezigheid van) ministeriële verantwoordelijkheid? Genoemde leden vragen of het ook mogelijk is om de Kaderwet van toepassing te laten zijn op de monetaire taak van DNB in relatie tot BES, zodat alle taken van DNB in relatie tot BES onder de Kaderwet vallen.

Wijziging van de provisieregels

Kennis- en ervaringstoets

De leden van de VVD-fractie lezen dat uit het SEO onderzoek blijkt dat onder de huidige transparantieregels de aard, kosten en kwaliteit van de dienstverlening met het huidige dienstverleningsdocument onvoldoende zichtbaar worden wanneer de klant aan de poort staat. Daarom dient door middel van transparantieregels voor financiële dienstverleners een herkenbaar dienstverleningsdocument verplicht te worden gesteld, om de klant in staat te stellen een goede keuze te maken uit een gedifferentieerd aanbod van dienstverlening. Welke verbeteringen heeft de regering concreet doorgevoerd ten opzichte van het huidige dienstverleningsdocument?

De AFM krijgt sinds de invoering van het dienstverleningsdocument per 1 juli 2009 veel vragen hierover van financieel dienstverleners. Waarom heeft de regering niet besloten om een wettelijk model vast te stellen voor het dienstverleningsdocument? De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat een vast model duidelijkheid en helderheid zou kunnen scheppen voor financiële dienstverleners. Graag een reactie op dit punt.

De leden van de VVD-fractie lezen dat consumenten die een financieel product willen aanschaffen, verplicht worden om een kennis- en ervaringstoets af te leggen. De consument wordt dan gewaarschuwd of het verstandig is advies in te winnen. Waarom heeft de regering zich alleen beperkt tot complexe financiële producten? Waarom vindt de regering het niet nodig om de kennis- en ervaringstoets ook voor consumptief krediet in te voeren of vindt de regering dat het consumentenbelang bij consumptief kredietverstrekking al voldoende is gewaarborgd door de verplichte toetsing aan de verstrekkingsnormen?

Wat is de mening van de regering over het breder inzetten van de kennis- en ervaringstoets bij de verkoop van financiële producten? De leden van de PvdA-fractie willen zich sterk maken voor een openbaar register van financieel adviseurs, dat als kwaliteitskeurmerk kan dienen voor consumenten. De regering heeft bij monde van de minister van Financiën eerder aangegeven het marktinitiatief af te wachten. Wat is het oordeel van de regering over de huidige stand van zaken over dit marktinitiatief mede gelet op het waarborgen van de betrouwbaarheid en de kunde van de adviseur?

De leden van de CDA-fractie lezen dat er in dit wetsvoorstel verdere stappen worden gezet voor de cultuuromslag bij financiële dienstverleners. Klanten kunnen nu nog zonder enige vorm van advies een complex financieel product aanschaffen. Op welke wijze wordt de klant in de nieuwe situatie nu bewust gemaakt van de keuzes? Kan een klant nu ook tegen zijn wil in advies krijgen? Wat zijn de criteria die daarbij gehanteerd worden?

De leden van de SP-fractie vragen wat volgens de regering de reden is van het feit dat de huidige provisieregels onvoldoende effectief zijn om een cultuuromslag bij financiële dienstverleners op gang te brengen. Waarom beperkt de regering het verbod op provisies tot de complexe producten? Zijn er volgens de regering nog steeds perverse prikkels aanwezig bij financiële dienstverleners? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, wat is dan de reden van het feit dat de gewenste cultuuromslag niet is bereikt? Is de regering van mening dat deze perverse prikkels geheel uit de financiële dienstverlening dienen te verdwijnen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat de regering doen om deze perverse prikkels te bestrijden?

De leden van de SP-fractie vragen of de regering van mening is dat het een gunstige ontwikkeling zou zijn wanneer klanten gemakkelijker kunnen overstappen naar een andere financiële dienstverlener. Zo ja, welke stappen gaat hij ondernemen om dat te bewerkstelligen? Gaat de regering met regelgeving komen om het makkelijker te maken over te stappen naar een andere financiële dienstverlener?

Met dit voorstel van wet wordt het mogelijk gemaakt om de kennis- en ervaringstoets die een financiële dienstverlener ten aanzien van bepaalde producten dient af te nemen, nader in te kleden. Hoe gaat deze toets in zijn werk? Wat is de toegevoegde waarde van deze toets?

De leden van de D66-fractie constateren dat de consument terecht wordt gewaarschuwd bij het aanschaffen van complexe financiële producten waar de consument te weinig kennis over heeft. Deze leden zijn dan ook positief gestemd over het voornemen van de regering om ruimte te bieden aan het opzetten van een kennis- en ervaringstoets voor consumenten bij het aanschaffen van complexe financiële producten zonder advies. De leden van de D66-fractie vragen wat de gevolgen van een dergelijke toets zullen zijn in de praktijk. Zo wordt aangegeven dat er een waarschuwing zal volgen richting consumenten die de toets niet succesvol doorstaan. De leden van de D66-fractie vragen hoe een dergelijke waarschuwing eruit zal zien. Graag willen deze leden van de regering weten in hoeverre de verschillen tussen de distributiekanalen hierbij worden aangegeven. Wordt er een duidelijk onderscheid gemaakt tussen directe aanbieders en onafhankelijke adviseurs? Wordt er in de waarschuwing verwezen naar een specifieke plaats waar dienstverleningsdocumenten kunnen worden opgevraagd en eventueel vergeleken? Hoe zorgt de regering ervoor dat consumenten die naar aanleiding van de waarschuwing kiezen voor advies ook daadwerkelijk uitkomen bij onafhankelijke adviseurs, en niet het benodigde advies inwinnen door middel van een extra telefoontje richting de aanbieder van complexe financiële producten?

De leden van de D66-fractie staan positief tegenover herkenbare dienstverleningsdocumenten. Deze leden benadrukken hierbij het belang van uniformiteit en overzichtelijkheid van deze documenten. Het verplicht opnemen van gesloten vragen in de documenten leidt ertoe dat de consument in staat wordt gesteld de verschillende dienstverleningsdocumenten met elkaar te vergelijken. Kan de regering aangeven of het voornemen er is om verdere eisen te stellen aan de uniformiteit van de dienstverleningsdocumenten, zoals het opnemen van verplichte hoofdstukken en bepaalde gesloten vragen? Indien dit het geval is, zou de regering dan ook toe kunnen lichten hoe en op welke termijn zij dit van plan is en hoe dit wordt vormgegeven?

De leden van de ChristenUnie-fractie verwelkomen de beweging richting een meer klantgerichte advisering. Met betrekking tot de kennis- en ervaringstoets vragen genoemde leden zich af wie de klant moet waarschuwen dat het verstandig is om advies in te winnen? Financiële dienstverleners hebben in dezen natuurlijk een dubbele pet op. Genoemde leden vragen zich af of en welke stappen een financiële dienstverlener vanuit zijn verantwoordelijkheid moet nemen indien blijkt dat een klant over onvoldoende kennis en ervaring beschikt en toch het product wil afnemen zonder advies in te winnen? Hoe verhoudt zich dit tot de bankierseed?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering heeft overwogen om voor zeer complexe en impactvolle producten toch een adviesplicht in te stellen, tenzij heel duidelijk blijkt dat de klant over voldoende kennis en ervaring beschikt?

Provisieverbod

De leden van de PvdA-fractie hebben zich reeds in een eerder stadium uitgesproken voor een provisieverbod. Deze leden zagen in het provisiesysteem een perverse prikkel die leidde tot omzetgedreven advisering in plaats van klantgerichte advisering. Het provisieverbod samen met een door regelgeving afgedwongen transparante facturering zal de klantgerichte concurrentie tussen financieel intermediairs bevorderen. De leden van de PvdA-fractie spreken tevens hun steun uit voor het voorstel voor de kennis- en ervaringstoets die een financiële dienstverlener ten aanzien van bepaalde producten moet afnemen bij zijn klanten. De leden van de PvdA-fractie spreken wel de wens uit deze kennis- en ervaringstoets voor een breder scala aan producten in te zetten waaraan bovengemiddelde risico’s zijn verbonden of voor producten die complex van aard zijn.

De leden van de PVV-fractie gaan graag in op de wijziging van de provisieregels. De Nederlandse markt voor financieel advies wordt voor 95% beheerst door banken. Een bank is een commerciële onderneming, winst maken om te overleven staat daarbij voorop. Dit winststreven staat op de eerste plaats, pas op de tweede plaats komt het op correcte wijze informeren van consumenten over hun opties. De verstrekte informatie was vaak gekleurd, bij advisering werden louter de positieve kante benadrukt en werden de minder positieve kanten en het risico maar gemakshalve vergeten. Dit werd door de provisies alleen maar nog versterkt. Financiële producten werden verkocht louter vanwege de hoogte van de provisie of de financiële producten wel pasten bij de klant de er niet zo veel toe. Na de financiële crises beloofde de financiële wereld dat het klantenbelang weer centraal moest staan. Toch verkopen banken nog steeds willens en wetens beleggingsproducten die onnodig duur zijn en waarvan niet gezegd kan worden dat het klantenbelang daarbij centaal staat. De klant wordt willens en wetens nog steeds niet goed geïnformeerd. De financiële sector heeft een gouden kans om schoon schip te maken laten liggen en het beladen verleden overboord te zetten. Er werd slechts een lippendienst bewezen, het eigenbelang bleef prevaleren en het verdienmodel bleef staan. De klant van een financiële instelling legt het door zijn kennisachterstand (informatieasymmetrie) en gebrek aan wettelijke bescherming per definitie af tegen die financiële instelling.

Met het huidige wetsontwerp wordt er een provisieverbod ingevoerd er komt een extra wettelijke bescherming. Met dit provisieverbod wordt echter slechts een perverse prikkel weggenomen. De informatieasymmetrie wordt hiermee niet opgelost. De financiële producten zelf mogen straks niet meer worden verkocht tegen een provisie aan een klant. Het is maar de vraag in hoeverre dit het probleem oplost. Op de achtergrond spelen namelijk de retourprovisies, provisies die een financiële instelling aan een andere financiële instelling worden betaald als die haar producten verkoopt. Volgens de leden van de PVV-fractie staat er niets aan in de weg om het financiële product te adviseren waarop de hoogste retourprovisie wordt betaald. De leden van de PVV-fractie vragen of een zogenoemd transparantiedocument dit wel oplost. Wat de leden van de PVV-fractie missen is de onafhankelijkheid van het financiële advies. Er blijft een koppeling tussen het maken en het verkopen van het financiële product. De informatieasymmetrie wordt hier mee niet opgelost. De oplossing ligt in het loskoppelen van het maken en het verkopen van het financiële product. Zolang dit niet is gebeurd, zullen de perversies in het systeem blijven zitten en is het transparantiedocument gewoon een extra checklist en een bewijsmiddel dat de financiële instelling zijn zorgplicht is nagekomen, uiteraard ten nadele van de klant.

Echter, nu zijn de financiële instellingen alweer bezig met het opzetten van brookersafdelingen, waarvoor het provisieverbod weer niet geldt. Transparantie is het woord. Maar voor de leden van de PVV-fractie is het nog niet helder, dus niet transparant. Wat de leden van de PVV-fractie nog steeds missen is de onafhankelijkheid van het financiële advies, het doorsnijden van de koppeling tussen het maken en het verkopen van het financiële product. De leden van de PVV-fractie vragen wat de consequenties zijn van een overtreding van het provisverbod. Deze leden achten het gepast om bij overtreding over te gaan tot (tijdelijke) intrekking van de vergunning. Daarbij moet wel gelden «three strikes and you are out», bij drie overtredingen wordt de vergunning onvoorwaardelijk in getrokken en is het klaar.

Toch denken de leden van de PVV-fractie dat daarmee het probleem niet definitief wordt opgelost. Slechts onafhankelijkheid van het financiële advies gepaard gaande met het afwezig zijn van een koppeling tussen het maken en het verkopen van het financiële product zal dit oplossen. Welke stappen worden er in die richting gezet? De leden van de PVV-fractie zijn er nieuwsgierig naar.

Om welke reden wordt de reikwijdte van het provisieverbod in lagere en niet in hogere regelgeving bepaald, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Met betrekking tot het provisieverbod vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de regering al iets meer kan aangeven over de reikwijdte van het provisieverbod. Deze leden vragen of de regering het onderscheid in transparantieverplichtingen tussen producten die wel of niet onder het provisieverbod vallen, verder kan onderbouwen. Wat is de achterliggende gedachte bij dit onderscheid?

Eisen aan vakbekwaamheid

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze de regering wil borgen dat werknemers van een financiële dienstverlener voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid. Aan welke minimumeisen moeten werknemers voldoen?

Wijziging van de biedingsregels

In het wetsvoorstel worden enkele wijzigingen op het terrein van biedingsregels voorgesteld, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Een persoon die overwegende zeggenschap verkrijgt in een beursvennootschap met statutaire zetel in Nederland is straks gehouden een openbaar bod uit te brengen op alle aandelen van de betreffende vennootschap. Er gelden een aantal uitzonderingen op deze biedplicht. De regering heeft een additionele waarborg in het wetsvoorstel opgenomen om te voorkomen dat deze biedplicht kan worden omzeild. Waarom voert de regering deze wijzigingen door? Bevatten de huidige spelregels onvoldoende waarborgen om (machts)misbruik tegen te gaan of zijn deze wijzigingen het gevolg van aanpassingen in de Europese richtlijn betreffende het openbaar overnamebod?

Cash settled instrumenten worden onder de reikwijdte van de transparantiebepalingen uit hoofdstuk 5.3. van de Wft en het Besluit openbare biedingen Wft gebracht. De leden van de VVD-fractie vragen of er nog andere instrumenten onder de reikwijdte van de transparantiebepalingen worden gebracht.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wijziging van de biedingsregels voor beursvennootschappen. Deze leden zien het verplichte bod op alle aandelen, bij het verkrijgen van een overwegend belang van 30% van de aandelen, als dienend ter bescherming van minderheidsaandeelhouders alsmede als een drempel voor vijandige overnames. De leden van de PvdA-fractie ondersteunen de voorgestelde wijziging in de biedingsregels, daar deze wijziging een extra waarborg biedt op het omzeilen van de regels omtrent het verplichte bod. Wel willen de leden van de PvdA-fractie benadrukken, ook in het licht van de op 15 mei 2012 gestelde schriftelijke vragen door de leden Plasterk en Groot over het bod op KPN, dat altijd bekeken moet worden of de grens van 30% voor een verplicht bod nog afdoende met het oog op het versplinterde aandelenbezit en de beperkte opkomst op aandeelhoudersvergaderingen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat minderheidsaandeelhouders beter worden beschermd in geval van een openbaar bod. Een persoon die een meerderheid krijgt in een beursgenoteerde onderneming is verplicht een bod uit te brengen op alle aandelen. Nu bestaan er nog uitzonderingen op deze biedplicht. Deze uitzonderingen worden teruggebracht. In welke gevallen zijn er nu nog uitzonderingen mogelijk? Hoe vaak en op welke wijze wordt daar in de praktijk op deze uitzonderingen een beroep gedaan?

Verankering van de moreel-ethische verklaring (bankierseed)

De leden van de VVD-fractie constateren dat de moreel-ethische verklaring die beleidsbepalers in het kader van de Code Banken dienen af te leggen wettelijk worden verankerd naar aanleiding van de motie Huizing/Blanksma1. De eed of belofte wordt verplicht voor alle financiële ondernemingen. In het wetsvoorstel is een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om de verankering nader uit te werken voor beleidsbepalers. Waarom wordt de reikwijdte van deze norm geregeld in een ministeriële regeling en niet in het wetsvoorstel? Kan de regering al een indicatie geven wat de reikwijdte van de norm zal zijn?

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel voor een bankierseed voor alle medewerkers van financiële ondernemingen zoals bepaald in de Wft. De brede opzet van de bankierseed heeft de instemming van deze leden. Wel hebben de leden van de PvdA-fractie vraagtekens bij de juridische consequenties van de bankierseed. De eed moet niet louter verworden tot een symbool, maar moet juridische consequenties krijgen voor de bankier of de financiële onderneming waar deze werkt. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering daarom om nader toe te lichten wat de praktische implicaties van de bankierseed zijn voor de aansprakelijkheid van bankiers en financiële ondernemingen indien zij de eed overtreden.

De leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen op dit punt. Gaat de bankierseed zowel gelden voor bestuurders van verzekeraars als bankiers? Wat gebeurt er als een bestuurder de eed niet wil afleggen? Op welke wijze wordt de eed precies verankerd in de geschiktheidtoets? Hoe gaat dit in de praktijk vorm krijgen? Op welk moment vindt de eed plaats? Gaat de eed gelden ook gelden voor bestaande bestuurders of alleen voor nieuwe gevallen? Onder welke voorwaarden kan deze eed worden uitgebreid naar alle beleidsbepalers? Wie bepaalt of dit ook echt gebeurt? Welke functionarissen behoren er tot de categorie beleidsbepalers? De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere specificatie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen voor welke vormen van financiële dienstverlening en welke personen de bankierseed nu precies gaat gelden. Gaat de bankierseed ook gelden voor medewerkers, of slechts voor beleidsbepalers? Zo ja, wordt er dan een onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de bestaande open norm (Beleidsregel deskundigheid 2011) nog voldoende tegemoet komt aan de eisen die mogen worden gesteld aan financiële dienstverleners. Genoemde leden vragen of er andere mogelijkheden zijn om beleidsbepalers en medewerkers te toetsen op hun geschiktheid?

Overig

Op 14 april 2012 is uw brief over het concept-wijzigingsbesluit ontvangen2. De leden van de CDA-fractie vragen hoe zich dit verhoudt tot het voorliggende wetsvoorstel. Wat zijn volgens de regering de belangrijkste gevolgen hiervan? Wat zijn de gevolgen van het eensporig rentebeleid hypotheken?

Het wetsvoorstel bevat een groot aantal (sub)delegatiebepalingen, waardoor op veel punten de precieze invulling van de regelgeving nog onduidelijk is. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om aan te geven welke richtlijnen gehanteerd worden bij de keuze voor hetzij een delegatie naar een algemene maatregel van bestuur hetzij een subdelegatie, zodat onderwerpen ook bij ministeriële regeling kunnen worden geregeld.

Artikelsgewijs

Artikel 4:9

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze een financiële dienstverlener zorg dient te dragen voor de vakbekwaamheid van zijn werknemers. Welke voorwaarden worden hieraan gesteld? Hoe wordt de naleving hiervan verzekerd? Staan er sancties op het niet naleven van dit artikel? Zo ja, welke zijn deze?

Artikel 4:25a

De leden van de D66-fractie delen de opvatting dat financiële dienstverleners en aanbieders transparant moeten zijn over de kosten van activiteiten die zij uitvoeren, net als adviseurs en bemiddelaars dat moeten zijn. Deze leden zijn dan ook van mening dat de consument inzicht moet krijgen in de kosten die specifiek gemaakt worden voor advies. De leden van de D66-fractie zijn van mening dat apart factureren de meest effectieve methode is om het onderscheid tussen advies-kosten en overige kosten duidelijk te maken richting de consument. Alleen op deze manier wordt de consument in staat gesteld om de kosten van verschillende distributiekanalen goed met elkaar te vergelijken. Deelt de regering deze opvatting? Zo ja, geeft de hier besproken wetgeving voldoende ruimte om in verdere bepalingen te voorkomen dat aanbieders hun advieskosten wel kunnen versleutelen met de premie terwijl onafhankelijk adviseurs dit niet kunnen doen?

De leden van de D66-fractie constateren dat zonder het apart te laten factureren van advieskosten door aanbieders van complexe financiële producten er een ongelijk speelveld ontstaat ten nadele van onafhankelijke adviseurs. Aanbieders van complexe financiële producten blijven de mogelijkheid houden om de betaling van advieskosten te versleutelen met de periodieke betalingen van de consument. Deze leden willen dan ook graag van de regering weten hoe het gelijke speelveld tussen onafhankelijke adviseurs en aanbieders wordt gerealiseerd, zolang de aanbieders hun advieskosten niet apart in rekening hoeven te brengen. Daarnaast vragen deze leden aan de regering om toe te lichten waarom verdere specifieke maatregelen omtrent het in de praktijk brengen van kostentransparantie niet in de wet zijn opgenomen. Ook willen de leden van de D66-fractie graag weten welke concrete plannen er zijn ontwikkeld teneinde het «level playing field» tussen onafhankelijk adviseurs en aanbieders op korte termijn te realiseren.

Artikel 4:25b

In het nieuwe artikel 4:25b lezen de leden van de CDA-fractie dat de informatieverplichtingen worden aangescherpt. Het gaat om het transparant maken van de advies- en distributiekosten. De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre deze informatiebepaling tot gevolg heeft dat het product als consumptief krediet kan worden beschouwd. In het bijzonder als er gespreid betalen plaatsvindt. Wat zijn de mogelijke gevolgen voor het gespreid betalen? In hoeverre leidt het transparant maken van distributiekosten tot onnodig hoge kosten?

Op welke wijze kunnen financiële dienstverleners voldoen aan de eis om transparant te zijn over hun beloning, zo vragen de leden van de SP-fractie. Zijn hieraan voorwaarden gesteld? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet? De regels met betrekking tot de beloning van alle financiële dienstverleners worden in één bepaling opgenomen. Zijn er inhoudelijke verschillen met betrekking tot de beloningsregels, in vergelijking met de huidige situatie? De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze de eisen aan de inhoud en vormgeving van het dienstverleningsdocument worden aangescherpt. Hoe verwacht de regering dat deze aanscherping zal leiden tot de gewenste cultuuromslag? Zou het spoedig overhandigen van dit dienstverleningsdocument kunnen bijdragen aan het makkelijker kunnen overstappen van een financiële dienstverlener naar een andere financiële dienstverlener? Zijn er bepalingen opgenomen betreffende het tijdstip van overhandigen van het dienstverleningsdocument? Zo ja, welk moment is dat? Zo nee, waarom niet?

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Aptroot

De adjunct-griffier van de commissie, Giezen


X Noot
1

Kamerstukken II 2010/11, 31 980, nr. 43.

X Noot
2

Kamerstukken II 2011/12, 31 980, nr. 63.

Naar boven