Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333187 nr. 15

33 187 Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs

Nr. 15 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 januari 2013

Het wetsvoorstel «doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs» (Kamerstuk 33 187, nr. 2) is door mijn ambtsvoorganger ingediend als uitwerking van een deel van het Actieplan mbo «Focus op vakmanschap». Sedert de indiening is bijna een jaar verlopen. Inmiddels is er in de sector veel gebeurd en is er een nieuwe Kamer en een nieuw kabinet aangetreden, met soms andere opvattingen, ook over de vraag wat goed beroepsonderwijs is.

Goed beroepsonderwijs moet in de visie van dit kabinet voldoen aan scherpe kwaliteitseisen, aansluiten bij behoeften van studenten en afgestemd zijn op de vragen van de regionale arbeidsmarkt. Het gaat om beroepsonderwijs dat onze studenten uitdaagt en opleidt tot hoogwaardig vakmanschap en maatschappelijke participatie, dat gevarieerd is, met een goede balans tussen school en praktijk en waarin een opleidingsroute wordt geboden, die goede perspectieven biedt op de arbeidsmarkt en doorstroommogelijkheden biedt naar vervolgonderwijs.

Dat vraagt om heldere normen die genoeg ruimte laten voor nieuwe ontwikkelingen en nieuwe inzichten, om professionele onderwijsteams die garant staan voor goed onderwijs, om intensieve onderwijsprogramma’s en stevige begeleiding, om herkenbare scholen en een herkenbaar opleidingenaanbod dat aansluit bij de regio, en om sterk bestuur van instellingen, dat verantwoordelijkheid kan nemen voor een overzichtelijke en uitvoerbare opdracht.

Mede naar aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer over de administratieve lastendruk in het kader van het toezicht op de onderwijstijd heb ik opnieuw gekeken naar de voornemens in het wetsvoorstel. Ik heb ook geconstateerd dat er bij de mbo-instellingen, de werkgevers en bij Uw Kamer nog veel vragen leven over de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel. Voor een deel komt dat, omdat dit wetsvoorstel voornemens bevat die nog in lagere regelgeving moeten worden uitgewerkt. Dat kan het lastig maken voor belanghebbenden om goed in te schatten wat de gevolgen van het wetsvoorstel zullen zijn.

Gelet op deze vragen leek het mij opportuun om Uw Kamer voor het debat over het wetsvoorstel te informeren over hoe ik aankijk tegen de kernpunten van het wetsvoorstel en welke invulling ik daaraan, tegen de achtergrond van de kabinetsvisie op het beroepsonderwijs, zou willen geven. In deze brief wil ik aangeven wat aanvaarding van dit wetsvoorstel precies betekent, wat er dan vast ligt, wat er nog open ligt voor uitwerking in lagere regelgeving en welke invulling ik daaraan op hoofdlijnen wil geven. Die kernpunten betreffen achtereenvolgens:

  • 1. Onderwijstijd

  • 2. Bekostiging: prijsfactoren

  • 3. Bekostiging: cascade en 4e jaar

  • 4. Duur van opleidingen van niet-bekostigde instellingen.

Ad 1 Onderwijstijd

Goed beroepsonderwijs laat mbo-studenten hun talenten optimaal ontwikkelen en beroepscompetenties verwerven, zodat zij met het behaalde diploma op zak goede aansluiting vinden op de arbeidsmarkt en/of het hoger beroepsonderwijs. Om te bereiken dat het beroepsonderwijs deze opdracht vervult hebben we een degelijk, uitdagend en inspirerend onderwijsprogramma nodig, verzorgd door betrokken en bekwaam onderwijspersoneel en bekwame leermeesters in erkende leerbedrijven.

Voldoende onderwijsuren én begeleiding door bekwaam onderwijspersoneel vormen essentiële elementen om de gewenste onderwijskwaliteit te bereiken. Jongeren hebben tijd nodig om leerstof te verwerken, vaardigheden in de praktijk te oefenen en samen te werken in projecten. Ook is essentieel dat jonge studenten «nuttig bezig zijn» en een goed gevuld programma op school en leerbedrijf hebben, met voldoende structuur en begeleiding.

Bij een flink aantal mbo-instellingen en opleidingen was hier met name in de periode 2000–2007 te weinig aandacht voor. Dit heeft tot problemen geleid, zoals lage diplomarendementen, inefficiënte leerwegen én veel klachten van studenten en ouders over te dunne lesroosters, te weinig structuur en begeleiding. Eén op de vier á vijf opleidingen bood afgelopen jaren een te mager onderwijsprogramma.

Uw Kamer heeft samen met mijn ambtsvoorganger geconcludeerd dat er wat betreft de benutting van onderwijstijd nog een flinke slag te maken viel. In het Actieplan mbo «focus op vakmanschap» is daarom ingezet op intensivering van het onderwijs, vooral in het eerste leerjaar, waar de student het meest kwetsbaar is.

Het aanpakken van deze problematiek neem ik uitermate serieus. Tegelijkertijd hecht ik eraan te benadrukken dat onderwijstijd geen doel op zich is, maar een onderdeel van de inspanningen die een onderwijsinstelling moet leveren om kwalitatief hoogwaardig onderwijs te realiseren. De beoordeling van de vraag of het onderwijs inderdaad aan de maat is zou in mijn visie in de eerste plaats moeten plaatsvinden op grond van de eindresultaten en de opbrengsten van de opleidingen. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de kwaliteit van de examens, de rendementen van de opleiding en de tevredenheid van studenten, ouders en werkgevers. Daarnaast is het relevant om, zoals nu ook de praktijk is in het toezicht van de Inspectie, te kijken naar de gezamenlijke kwaliteit van het onderwijsproces dat tot die eindresultaten leidt. Daarvan is benutting van onderwijs een belangrijk onderdeel, vooral waar het gaat om jonge studenten die doorstromen vanuit het VMBO en nog een grote behoefte hebben aan structuur en begeleiding.

Het is aan de school om een volwaardig, evenwichtig en uitdagend onderwijsprogramma aan te bieden met voldoende uren, een goede mix aan werkvormen én adequate begeleiding, zoals de heer Beertema in zijn motie van 28 juni 2012 voorstelt (Kamerstukken II 2011–2012, 31 524, nr. 146). De omschrijving in artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid van het wetsvoorstel van begeleide onderwijsuren biedt naar mijn mening de gewenste ruimte om een eigentijds, gevarieerd onderwijsprogramma aan te bieden door een multidisciplinair onderwijsteam met bevoegde docenten, maar ook met de voor het mbo zo belangrijke instructeurs, gastdocenten en studiebegeleiders. Met begeleide onderwijsuren wordt bedoeld klokuren waarin onderwijs wordt gegeven onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijspersoneel. In de praktijk kan dit betekenen dat de student onderwijs krijgt van een instructeur (denk bijvoorbeeld aan simulaties met technologie). Zolang dit plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van een bevoegd docent en hierover binnen het onderwijsteam afspraken zijn gemaakt, valt dergelijk onderwijs onder «begeleide onderwijsuren.»

Voor de intensivering hebben de onderwijsinstellingen begrip, maar zij maken zich wel zorgen over de uitvoerbaarheid. Er is veel onduidelijkheid en onzekerheid bij managers en docenten over onderwijstijd, welke uren nu wel/niet meetellen als begeleide uren: hoe mag een school deze uren invullen en hoe zal de inspectie daarnaar kijken?

Mijn visie is dat het primair aan de school is (het bevoegd gezag en het onderwijspersoneel) om te bepalen wat goed onderwijs is, wat goede begeleiding en ondersteuning is. Mijn inzet is dat de kwaliteit van de opleiding gewaarborgd is. De urennorm staat in functie van deze kwaliteit en het bevoegd gezag is primair verantwoordelijk voor de kwaliteit.

Het wetsvoorstel sluit thans niet goed aan bij deze uitgangspunten. Ik bereid daarom een nota van wijziging voor, waarin voorop wordt gesteld dat de instelling moet zorgen voor een voldoende intensief programma. Dat zijn de leerlingen die uit het vmbo doorstromen ook gewend. Aan die zorgplicht wordt in ieder geval voldaan als het onderwijsprogramma voldoet aan de minimum urennormen zoals nu neergelegd in het wetsvoorstel. Ik sluit niet uit dat ook met een andere invulling van het onderwijsprogramma aan die zorgplicht kan worden voldaan. Dan moet de instelling wel kunnen aantonen dat hier een onderwijsinhoudelijke visie over kwaliteit aan ten grondslag ligt, mede in relatie tot de doelgroep die het betreft en dat die kwaliteit ook wordt gerealiseerd. Er moet dus op grond van de behaalde resultaten en de tevredenheid daarover van studenten en hun toekomstige werkgevers kunnen worden vastgesteld dat de kwaliteit van de opleiding op orde is. Een en ander moet verifieerbaar zijn en geborgd in het kwaliteitszorgsysteem van de instelling.

Het hart van goed onderwijs wordt gevormd door de interactie tussen leraar en leerling. Ik vind daarom dat een onderwijsprogrammering die in negatieve zin afwijkt van de wettelijke minimum urennormen slechts aan de orde kan zijn als daarover een positief oordeel is gegeven door de deelnemersraad.

Dit heeft uiteraard consequenties voor het inspectietoezicht. Uitgangspunt daarvoor is vertrouwen geven waar het kan en controleren waar het moet. De inspectie zal het toezicht op onderwijstijd na inwerkingtreding van de wet meer integreren met het toezicht op de onderwijskwaliteit. Daarmee wordt de toezichtlast beperkt, o.a. omdat er geen themaonderzoeken naar onderwijstijd meer nodig zijn. De inspectie beoordeelt de naleving van de urennorm dan in relatie tot de geboden onderwijskwaliteit.

De resultaten van de onderwijsinspectie over de naleving van de urennorm in het studiejaar 2011–2012 zijn bemoedigend. De extra aandacht voor handhaving van de urennorm lijkt dus vruchten af te werpen. De keerzijde van de handhaving die de Algemene Rekenkamer terecht opmerkt is dat er een controletoren is ontstaan. Ook de hoge terugvorderingen van bekostiging hebben tot veel onzekerheid binnen instellingen geleid. Instellingen investeren veel tijd en moeite in administratieve processen om aan de urennorm te voldoen en de administratieve belasting wordt als onnodig hoog ervaren.

Ook de Algemene Rekenkamer (ARK) stelt dat het doel «goed onderwijs» moet zijn en de overheid dient te sturen op de eindresultaten, het «wat» en de verantwoordingseisen daarop dient in te richten. Ik neem deze aanbeveling ter harte in de uitwerking van het proportionele toezicht en in de nog te maken prestatieafspraken met de onderwijsinstellingen.

Daarnaast is het positief dat in het wetsvoorstel is geanticipeerd op een belangrijke andere aanbeveling van de ARK. Vermindering van administratieve lastendruk is een belangrijk speerpunt van dit kabinet. Het wetsvoorstel bevat een maatregel die tot een aanzienlijke lastenvermindering zal leiden bij de onderwijsinstellingen. De urennorm zal niet meer bepalend zijn voor de hoogte van de bekostiging. De urennorm blijft dan alleen een inrichtingsvoorschrift (kwaliteitseis) en is geen bekostigingsparameter meer. Daarmee kan de dubbele controle op de naleving vervallen: alleen het toezicht in het licht van de kwaliteit, door de onderwijsinspectie, en niet meer de controle door de instellingsaccountant in verband met de rechtmatigheid van de bekostiging. Als dit voorstel wordt aanvaard, wordt een belangrijke aanbeveling van de ARK uitgevoerd.

De urennormen zoals neergelegd in het wetsvoorstel

De hierboven aangekondigde nota van wijziging – die ik hoop eind van deze week bij Uw Kamer te kunnen indienen – brengt geen verandering in de urennormen zelf, zoals neergelegd in het wetsvoorstel. Voor de «schoolzware» variant van het mbo (de beroepsopleidende leerweg) betekent het wetsvoorstel dat de urennorm niet meer per jaar geldt, maar voor de hele duur van de opleiding. Voor een 2-jarige opleiding moet het programma in totaal 2000 klokuren tellen; daarvan moeten ten minste 1250 klokuren worden ingevuld door de school (met theorie- en praktijklessen, praktijkopdrachten, excursies, projecten) en moeten ten minste 450 klokuren worden besteed aan beroepspraktijkvorming (stage). Voor een 3-jarige opleiding moet het programma in totaal 3000 klokuren tellen, ten minste 1800 klokuren begeleide onderwijstijd en 900 klokuren beroepspraktijkvorming. En voor 4-jarige opleidingen worden de uren naar evenredigheid verhoogd.

In het eerste jaar van alle 2-, 3- en 4-jarige opleidingen moet ten minste 700 uur aan begeleide onderwijstijd worden verzorgd, verder mag de school de uren zo over de jaren verdelen als gewenst wordt geacht. Als elk van de totalen maar wordt gehaald. De genoemde aantallen zijn minima; meer mag. Voor de entree-opleiding is een lager aantal uren begeleide onderwijstijd opgenomen (600 uur) om meer recht te doen aan de eigenheid van deze studenten.

Voor de werkzware variant van het mbo (de beroepsbegeleidende leerweg) gaat gelden: ten minste 850 klokuren per leerjaar, waarvan ten minste 200 uren begeleide onderwijstijd en 610 uren beroepspraktijkvorming. Als de ene component op het minimum zit, moet de andere component hoger zijn dan het minimum, tot totaal 850 uur. In de praktijk betekent dat vaak: vier dagen werken, één dag naar school. Voor de bbl is minder behoefte aan variatie over de jaren heen. Ook voor de bbl geldt de zorgplicht zoals ik die hiervoor heb beschreven. Overigens wil ik uw aandacht vestigen op mijn streven de nieuwe urennorm voor de bbl per 1 augustus 2013 in te laten gaan.

Ad 2 Bekostiging: prijsfactoren

Het wetsvoorstel beoogt ook de bekostiging te moderniseren en te vereenvoudigen. Daartoe worden in het wetsvoorstel enkele wijzigingen aangebracht in artikel 2.2.2; voor het merendeel gaat het om een grondslag voor nadere regeling bij algemene maatregel van bestuur (amvb). Die amvb – een wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB – is in voorbereiding.

In de huidige bekostiging worden per opleiding prijsfactoren gehanteerd. Dat houdt in dat de mate waarin een student meetelt voor de bekostiging mede afhankelijk is van de prijsfactor die geldt voor de opleiding die hij volgt. Het hanteren van prijsfactoren hangt samen met het gegeven dat sommige opleidingen duurder zijn dan andere. Er worden nu negen prijsfactoren gebruikt voor ruim 600 verschillende opleidingen. Deze systematiek is verouderd: de relatie tussen de hoogte van de prijsfactor en de kosten van een opleiding is gaandeweg minder direct geworden. Bij elke vaststelling van een kwalificatie moet bovendien een prijsfactor worden vastgesteld. De systematiek van prijsfactoren kan ongewenste invloed hebben op het opleidingenaanbod en het inschrijfgedrag van de instellingen (voorkeur voor inschrijving op opleidingen met een hoge prijsfactor). Tenslotte hebben de prijsfactoren maar een beperkte invloed op de totale rijksbijdrage van de roc’s. Het voornemen was daarom met de invoering van het nieuwe bekostigingsmodel de prijsfactoren voor de opleidingen af te schaffen en in plaats daarvan een prijsfactor te koppelen aan het type instelling (roc of vakinstelling).

Aanvaarding van het wetsvoorstel betekent dat er een grondslag in de wet wordt opgenomen om bij de bekostiging een prijsfactor te kunnen koppelen aan het type instelling in plaats van aan het type opleiding (zie artikel 2.2.2, zesde lid). Het is een «kan» bepaling.

Voor invoering van instellingsprijsfactoren in plaats van opleidingsprijsfactoren is een aanpassing van het Uitvoeringsbesluit WEB nodig.

Bij werkgevers en onderwijsinstellingen blijkt zorg te bestaan over het voornemen de prijsfactoren af te schaffen. Men vraagt zich af of het dan nog wel aantrekkelijk is om bijvoorbeeld dure techniekopleidingen te blijven aanbieden. Daarover mag uiteraard geen twijfel bestaan. Ook dit kabinet heeft de ambities om meer technisch opgeleiden op de arbeidsmarkt te krijgen en dat moet de bekostiging van het onderwijs niet tegenwerken. In het voorjaar van 2013 gaat het kabinet samen met werkgevers, het onderwijs en de vakbeweging een Techniekpact sluiten. Daarnaast is er zorg bij de onderwijsinstellingen over de mate waarin het wetsvoorstel de afspraken die de instellingen met elkaar willen maken over een doelmatig opleidingenaanbod al dan niet faciliteert.

Verder ben ik in afwachting van de voorstellen voor een nieuwe kwalificatiestructuur, die ook belangrijke input zal geven voor de bepaling van de prijsfactoren. Immers, de kwalificatiestructuur moet leidend zijn voor het vormgeven van de prijsfactoren. De «kan»-bepaling in dit wetsvoorstel biedt voldoende flexibiliteit om in de toekomst te kunnen aansluiten bij de nieuwe kwalificatiestructuur.

Dit alles overziende stel ik voor de aanpassing van de prijsfactoren te onderzoeken in het licht van de nieuwe kwalificatiestructuur en tot die tijd te blijven werken met de bestaande prijsfactoren. Dit wetsvoorstel biedt de mogelijkheid (niet de verplichting) om, na vaststelling van een nieuwe kwalificatiestructuur, tot aanpassing te komen. Via de «kan-bepaling» kan dat op vele manieren.

Ad 3. Bekostiging: cascade, stapeling, 4e leerjaar

Uitgangspunt voor de nieuwe bekostiging is dat deze ondersteunend moet zijn aan het aantrekkelijker maken van het beroepsonderwijs, de intensivering van onderwijs en aan meer efficiency in besteding van publieke middelen.

De cascade houdt in dat de mate waarin een student meetelt voor de bekostiging in het eerste jaar dat hij aan het mbo deelneemt het hoogst is, en daarna geleidelijk afneemt. De cascade wordt voorgesteld om instellingen te prikkelen om de leerroute te verkorten. Dit maakt de opleidingsroute in het beroepsonderwijs een aantrekkelijk alternatief voor het algemeen vormend onderwijs (waarin opleidingen nu korter zijn dan in het beroepsonderwijs). Tegelijkertijd moet de onderwijstijd in het eerste jaar worden opgehoogd en de huidige in duur ongelimiteerde bekostiging worden begrensd.

De bedoeling is dat instellingen de leerlingen tot een zo hoog mogelijk resultaat brengen. Dat betekent dat stapelen mogelijk moet blijven. In het mbo wordt nu nog veel gestapeld. Stapelen moet het belang van de leerling dienen. Er zijn thans ook andere redenen waarom er veel wordt gestapeld, namelijk vanuit het instellingsbelang en dat leidt tot onnodig lange leerroutes. Stapeling ingegeven vanwege financiële motieven van de instellingen wil ik ontmoedigen.

Bij de uitwerking van de cascade wil ik ook dat er een adequate bekostiging is van het vierde leerjaar van opleidingen die 4 jaar mogen blijven. Enkele voorbeelden van opleidingen (niveau 4) die vierjarig mogen blijven zijn: mbo-verpleegkundige, analist klinische chemie en kapitein binnenvaart. De SBB heeft een advies uitgebracht over de opleidingen die het betreft; ik voeg het overzicht toe als bijlage bij deze brief1.

Het is mijn voornemen om de cascade minder steil te maken dan aanvankelijk werd beoogd. Daarmee wordt bereikt:

  • het inbouwen van een prikkel die onnodig lange leerroutes afremt

  • terwijl tegelijk stapelen mogelijk blijft

  • en er ook bij een vierjarige opleiding sprake is van adequate bekostiging.

Aanvaarding van het wetsvoorstel betekent dat er een grondslag in de wet wordt opgenomen om bij de bekostiging rekening te kunnen houden met de verblijfsduur van de student in het mbo (zie artikel 2.2.2, zesde lid). Het is een «kan» bepaling.

De uiteindelijke uitwerking en vormgeving van de cascade vindt plaats via de aanpassing van het Uitvoeringsbesluit WEB. Uiteraard wil ik die uitwerking de komende maanden in goed overleg met de onderwijsinstellingen laten plaatsvinden. Het Uitvoeringsbesluit zal nog met uw Kamer worden gedeeld (nahang).

Ad 4: Duur van opleidingen van niet-bekostigde instellingen (amendement Rog onder nr. 11)

In het wetsvoorstel is ook voor niet-bekostigde opleidingen de studieduur vastgelegd. Ook studenten die een opleiding volgen bij een niet-bekostigde instelling moeten er op kunnen vertrouwen dat de kwaliteit van het onderwijsprogramma op orde is. Als het gaat om opleidingen waarvoor diploma-erkenning wordt verleend, dan verwachten studenten over het algemeen dat daarmee ook de kwaliteit van het opleidingsprogramma gegarandeerd is; dat heeft ook betrekking op de intensiteit van het onderwijsprogramma. Bij het voorschrijven van de studieduur gaat het om eisen die aan de opleiding worden gesteld. Het gaat niet om eisen die aan de individuele student worden gesteld. Een student die korter over een opleiding kan doen – omdat hij al over bepaalde kennis of vaardigheden beschikt – moet daarvoor de mogelijkheid krijgen. De student kan dan vrijstellingen krijgen en een opleidingsprogramma volgen dat korter duurt dan de wettelijk voorgeschreven studieduur. Een instelling kan ook voor een specifieke groep studenten een korter onderwijsprogramma aanbieden, bijvoorbeeld havisten. Deze groep kan dan vrijstellingen krijgen op basis van een eerder behaald diploma voor specifieke onderdelen van het programma.

Aanvaarding van het wetsvoorstel betekent dat voor niet-bekostigde opleidingen dezelfde eisen gesteld worden aan de studieduur als voor de bekostigde opleidingen. Dit voorstel behoeft geen uitwerking in lagere regelgeving.

Er is door het lid Rog (CDA) een amendement ingediend dat regelt dat de studieduur van opleidingen niet voor private aanbieders geldt. Tevens regelt het amendement dat de urennorm naar rato wordt berekend bij private opleidingen die korter duren dan de studieduur van de bekostigde opleidingen.

Ik zie ook argumenten om dit te doen:

  • Het vastleggen van de studieduur werkt voor niet-bekostigde instellingen belemmerend. Niet-bekostigde instellingen zijn doorgaans juist goed in het aanbieden van efficiënte en effectieve opleidingen en dat is ook waar hun studenten om vragen.

  • Niet-bekostigde instellingen kunnen korte en intensieve opleidingen aanbieden omdat zij bij de instroom van studenten selecteren naar vooropleiding/kennisniveau.

  • De studenten zijn vaak wat ouder, zij weten wat zij willen en zijn bereid hier hard voor te werken.

  • De student kiest bewust voor een private aanbieder en betaalt er een stevige prijs voor.

Vanzelfsprekend geldt ook bij korter durende opleidingen dat de kwaliteit van de opleiding gewaarborgd moet zijn.

Ik laat het oordeel aan de Kamer.

Reactie op overige amendementen

Amendement nr. 12 van het lid Bisschop (SGP) regelt dat de verplichting om in het eerste jaar minimaal 700 uren begeleide onderwijstijd te verzorgen wordt geschrapt. Het aantal begeleide onderwijsuren voor de eenjarige beroepsopleidingen en voor de specialistenopleiding wordt op hetzelfde niveau gesteld als het (gemiddelde) aantal begeleide onderwijsuren voor de overige opleidingen.

Mijn reactie is als volgt: de intensivering van het onderwijs vindt met name plaats door in het eerste jaar van de beroepsopleiding het aantal begeleide onderwijsuren te verhogen. De belangrijkste reden hiervoor is dat met een intensief onderwijsprogramma in het eerste leerjaar een goede basis wordt gelegd voor de verdere studie en studenten goed voorbereid aan de beroepspraktijkvorming beginnen. Bovendien beogen we door het verhogen van het aantal begeleide uren in het eerste jaar voortijdig schoolverlaten te voorkomen (een te licht programma leidt tot uitval).

De zorg over de vraag of het voorstel voldoende leren in de praktijk biedt deel ik niet. Voor de beroepspraktijkvorming is een minimum opgenomen, geen maximum. Een studiejaar heeft een studielast van 1600 uur. Er moeten (gemiddeld) 1000 uur worden besteed aan begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming. Dan blijven er nog 600 uren over die ook kunnen worden benut voor extra beroepspraktijk/stage-uren, bovenop het minimum. Ook is het zaak te bedenken dat de lesuren op school niet alleen theorie omvatten, maar ook praktijkopdrachten, simulaties, excursies en burgerschapslessen.

Ik meen dat een intensief programma in het eerste jaar van groot belang is. Binnen de zorgplicht voor een voldoende intensief onderwijsprogramma wil ik ruimte laten voor een andere invulling.

Het amendement acht ik daarom niet wenselijk; ik ontraad het dan ook.

Amendement nr. 13 van het lid Bisschop (SGP) regelt blijkens de toelichting dat het bevoegd gezag kan afwijken van vooropleidingseisen wanneer na onderzoek blijkt dat leerlingen in staat zijn het desbetreffende onderwijs te volgen. De verplichting om hiervoor een commissie in te stellen vervalt. Dit is conform de bedoeling van het wetsvoorstel om de huidige regeling inzake het afwijken van vooropleidingseisen te continueren. In de huidige wet wordt een commissie niet genoemd.

Mijn reactie is als volgt: het wetsvoorstel beoogt dat van de vooropleidingseisen voor de niveaus 2 tot en met 4 kan worden afgeweken, maar dat kan alleen op basis van een (serieus) onderzoek. Het onderzoek moet gedocumenteerd worden. Het onderzoek kan door verschillende partijen worden uitgevoerd.

Ik laat het oordeel aan uw Kamer.

Tenslotte

Het is de bedoeling dat de bekostiging voor het eerst geschiedt volgens de nieuwe systematiek in het jaar 2015; dat wil zeggen dat de rijksbijdrage voor dat jaar voor het eerst volgens de nieuwe regels wordt berekend. Mede gezien de beoogde inwerkingtreding van de urennorm in de bbl is het wenselijk dat het UWEB is aangepast en gepubliceerd voor 1 augustus 2013. Dat zal onder andere afhangen van het verloop van het overleg met de sector. Mocht genoemde datum niet mogelijk blijken, dan is 1 januari 2014 de uiterlijke publicatiedatum.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer