33 161 Wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Wet werken naar vermogen)

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is meer eenheid en duidelijkheid aan te brengen in de manier waarop mensen, die nu met toepassing van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening dan wel de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten een inkomensvoorziening ontvangen of met een re-integratievoorziening werkzaamheden verrichten, waar het kan aan de slag worden geholpen en waar het noodzakelijk, worden beschermd en om de zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van mensen aan te moedigen en te bevorderen ten behoeve van deelname aan het arbeidsproces;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WET WERK EN BIJSTAND

De Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 6 Definities in verband met arbeidsinschakeling

2. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

b. Er worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma drie onderdelen toegevoegd, luidende:

e. doelgroep loondispensatie:

personen die algemene bijstand ontvangen of een niet-uitkeringsgerechtigde zijn en van wie is vastgesteld dat zij als gevolg van lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen dan wel vanwege andere redenen met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel tot tenminste 20 procent daarvan;

f. dienstbetrekking:

een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking;

g. loonwaarde:

vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een persoon, die tot de doelgroep loondispensatie behoort, verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep loondispensatie behoort.

B

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. ondersteunt bij arbeidsinschakeling:

    • 1°. personen die algemene bijstand ontvangen,

    • 2°. personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt,

    • 3°. personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid,

    • 4°. personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, en

    • 5°. niet-uitkeringsgerechtigden

en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling, noodzakelijk acht, bepaalt en biedt deze voorziening aan, en.

2. Aan het derde lid, onderdeel c, wordt na «verstrekt» ingevoegd:

, tenzij het betreft een persoon uit de doelgroep loondispensatie of een persoon als bedoeld in onderdeel a, onder 2°.

3. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Het college en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen overeenkomen dat het college personen aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt en die niet behoren tot de doelgroep loondispensatie of een persoon zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, ondersteunt en aan die personen voorzieningen aanbiedt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

C

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8 Verordeningen

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:

    • a. het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid;

    • b. het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30;

    • c. het verlenen van een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36;

    • d. het verlenen van de bijzondere bijstand, bedoeld in artikel 35, vijfde lid;

    • e. het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid.

2. De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, hebben in ieder geval betrekking op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen en de regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, hebben in ieder geval betrekking op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip maatschappelijke participatie.

D

Artikel 9, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zijn niet van toepassing op de persoon:

    • a. op wie artikel 19, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening, van toepassing is; of

    • b. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

E

Artikel 10, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. Na «die algemene bijstand ontvangen,» wordt ingevoegd: personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt,.

b. «de verordening, bedoeld in artikel 8, onderdeel a,» wordt vervangen door: de verordening, bedoeld in artikel 3a van de Wet participatiebudget,.

F

Na artikel 10a worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 10b Doelgroep loondispensatie

  • 1. Het college kan:

    • a. ambtshalve vaststellen of een persoon die algemene bijstand ontvangt tot de doelgroep loondispensatie behoort;

    • b. op schriftelijke aanvraag van een persoon die algemene bijstand ontvangt of van een niet-uitkeringsgerechtigde vaststellen of die persoon tot de doelgroep loondispensatie behoort.

  • 2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan slechts eenmaal per twaalf maanden worden ingediend.

  • 3. Een onafhankelijke derde verricht voor het college de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een inwoner tot de doelgroep loondispensatie behoort en adviseert het college hierover.

  • 4. Indien een persoon binnen een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen periode na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid,:

    • a. geen dienstbetrekking heeft waarop artikel 10c van toepassing is;

    • b. geen onbeloonde werkzaamheden als bedoeld in artikel 10c, derde lid, verricht;

    stelt het college, voordat die persoon gaat werken in een dienstbetrekking als bedoeld in onderdeel a of onbeloonde werkzaamheden als bedoeld in onderdeel b gaat verrichten, vast of hij nog tot de doelgroep loondispensatie behoort.

Artikel 10c Loondispensatie

  • 1. Indien een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loondispensatie, vermindert het college de hoogte van de aanspraak van die persoon op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid tot de loonwaarde, in afwijking van hetgeen bij en krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a. de arbeid wordt verricht in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 2 en 7 van de Wet sociale werkvoorziening; of

    • b. met betrekking tot de dienstbetrekking een proeftijd geldt en het derde lid is toegepast.

  • 3. Het college kan zijn inwoner die algemene bijstand ontvangt en behoort tot de doelgroep loondispensatie, gedurende maximaal drie maanden bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden laten verrichten met het oog op een reële vaststelling van de loonwaarde, indien de werkgever voor wie de werkzaamheden worden verricht een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van die inwoner heeft afgesloten.

  • 4. Het college dat de hoogte van de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, heeft verminderd. stelt na aanvang van de dienstbetrekking telkens binnen een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen periode:

    • a. ambtshalve vast of een persoon nog steeds tot de doelgroep loondispensatie behoort overeenkomstig artikel 10b, derde lid;

    • b. de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid ambtshalve vast overeenkomstig het eerste lid.

  • 5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet langer op een persoon van toepassing, vanaf het moment dat:

    • a. de op grond van het eerste of vierde lid vastgestelde aanspraak op een geldelijke beloning voor die persoon meer zou bedragen dan het wettelijk minimumloon, dan wel minder zou bedragen dan 20 procent van het wettelijk minimumloon;

    • b. op grond van het vierde lid is vastgesteld dat die persoon niet tot de doelgroep loondispensatie behoort.

  • 6. De verlaging van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid, die voortvloeit uit een door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, vindt niet eerder plaats dan de dag volgend op die waarop tegen de beslissing op bezwaar geen rechtsmiddelen meer openstaan of de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het college geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever.

  • 7. Het college vergoedt aan de werkgever het verschil tussen de loonkosten, die hij als gevolg van de toepassing van het zesde lid heeft gehad en de loonkosten, die hij zou hebben gehad als de verlaging van geldelijke beloning voor de verrichte arbeid plaats zou hebben gevonden met ingang van de eerste dag waarop de vernietigde of ingetrokken beschikking ziet.

Artikel 10d Aanvullende uitkering

  • 1. Zolang de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid onder toepassing van artikel 10c, eerste lid, is verminderd, verstrekt het college aan de werknemer algemene bijstand in de vorm van een aanvullende uitkering. Artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, zijn niet van toepassing op de inkomsten uit de dienstbetrekking waarop artikel 10c van toepassing is.

  • 2. De hoogte van de aanvullende uitkering bedraagt, in afwijking van artikel 19, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid:

    U x (A-B+AK) – C waarbij:

    U staat voor:

    • a. 1 in geval van een gezin,

    • b. 0,875 in geval van een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder,

    • c. 0,625 in geval van een alleenstaande van 21 jaar of ouder dan wel een alleenstaande ouder van 18, 19 of 20 jaar, dan wel,

    • d. 0,375 in geval van een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar,

    A staat voor de op de werknemer van toepassing zijnde norm, bedoeld in artikel 21, respectievelijk, indien de werknemer alleenstaande of alleenstaande ouder is, de norm die op hem van toepassing zou zijn indien hij gehuwd zou zijn met iemand van dezelfde leeftijd,

    B staat voor inkomsten in de desbetreffende kalendermaand uit de dienstbetrekking waarop artikel 10c van toepassing is,

    AK staat voor arbeidskorting, en

    C staat voor overige inkomsten in de desbetreffende kalendermaand.

  • 3. In afwijking van het tweede lid staat U voor 1 voor de alleenstaande ouder en de alleenstaande:

    • a. van wie gedurende een periode van ten minste zeven jaar de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid onder toepassing van artikel 10c, eerste lid, is verminderd; en

    • b. die de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt,

    tot het moment dat diens inkomsten uit de dienstbetrekking waarop artikel 10c van toepassing is minder zijn dan de loonwaarde.

  • 4. In afwijking van het tweede en derde lid kan het college op aanvraag van de werknemer de hoogte van U op 1 stellen, indien:

    • a. gedurende een periode van ten minste vijf jaar diens hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid in dezelfde functie onder toepassing van artikel 10c, eerste lid, met eenzelfde percentage is verminderd;

    • b. er geen perspectief is op verdere verbetering van de loonwaarde.

  • 5. In afwijking van het tweede lid wordt, tenzij op grond van het derde of vierde lid U voor 1 staat of op 1 is gesteld, tot en met 2 031 voor de alleenstaande de factor AK vervangen door:

    , waarbij AK staat voor arbeidskorting.

  • 6. Indien de inkomsten uit dienstbetrekking waarop artikel 10c van toepassing is minder zijn dan de loonwaarde nadat de hoogte van U op grond van het vierde lid op 1 is gesteld, wordt U op grond van het tweede lid opnieuw vastgesteld.

  • 7. Onder arbeidskorting wordt in dit artikel verstaan de arbeidskorting, bedoeld in artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in de desbetreffende kalendermaand in verband met de dienstbetrekking waarop artikel 10c van toepassing is.

Artikel 10e Lagere regelgeving

  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 10b, 10c en 10d.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, betreffen in ieder geval regels met betrekking tot de vaststelling of een persoon tot de doelgroep loondispensatie behoort en de vaststelling van de loonwaarde.

G

In artikel 18, tweede lid, wordt «onderdeel b» vervangen door: onderdeel a,.

H

In artikel 30, eerste lid, en artikel 78a wordt «onderdeel c» vervangen door: onderdeel b.

I

In artikel 31, tweede lid, onderdeel q, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

J

In artikel 53, eerste lid, wordt «inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: uitkering of inkomensvoorziening op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

K

In artikel 60a, tweede lid, wordt «inkomensondersteuning ontvangt op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: een uitkering of inkomensondersteuning ontvangt op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

L

Aan hoofdstuk 7A worden twee artikelen waarvan de nummering aansluit op het laatste artikel van dat hoofdstuk toegevoegd, luidende:

Artikel 78# Overgangsrecht loondispensatie

  • 1. Op grond van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie:

    • a. door het college;

    • b. door het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    genomen beschikkingen gelden als door het college genomen beschikkingen op grond van deze wet.

  • 2. Het college brengt de in het eerste lid bedoelde beschikkingen binnen zes maanden na de inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen in overeenstemming met deze wet, voor zover die beschikkingen afwijken van deze wet.

  • 3. Op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de datum van inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen is ingediend tegen een door het college of het bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, op grond van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie genomen beschikking waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met toepassing van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie.

  • 4. Door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen genomen besluiten op grond van artikel 2:20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten tot vermindering van de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid met betrekking tot een persoon die de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt dan wel wiens recht op arbeidsondersteuning eindigt op grond van artikel 2:16, eerste lid, onderdeel e, gelden met ingang van de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel G, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen respectievelijk 1 januari 2014 als genomen op grond van deze wet door het college. In afwijking van artikel 10c, vierde lid, stelt het college de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid opnieuw vast na afloop van de duur van het in de eerste zin bedoelde besluit.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing met betrekking tot een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen genomen besluit als bedoeld in dat lid voor zover met betrekking tot dat besluit een bezwaar- of beroepschrift is ingediend voor de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel G, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen respectievelijk voor 1 januari 2014.

Artikel 78# Overgangsrecht Wet werk en bijstand

  • 1. Door het college op grond van de Wet werk en bijstand genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.

  • 2. Het college brengt de in het eerste lid bedoelde besluiten binnen zes maanden na de inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen in overeenstemming met deze wet, voor zover die besluiten afwijken van deze wet.

  • 3. Op een aanvraag op grond van de Wet werk en bijstand waarop niet is beslist voor de datum van inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen wordt beslist met toepassing van deze wet.

  • 4. Op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de datum van inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen is ingediend tegen een door het college op grond van de Wet werk en bijstand genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met toepassing van de Wet werk en bijstand.

  • 5. De regels, die bij verordening zijn vastgesteld op grond van artikel 8, eerste lid, onderdelen b,c en d, 8a en 47 van de Wet werk en bijstand gelden na de datum van inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen als regels op grond van artikel 8, eerste lid, onderdelen a,b en c, 8a respectievelijk 47 van de Wet werken naar vermogen.

M

Artikel 86 komt te luiden:

Artikel 86 Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE WET SOCIALE WERKVOORZIENING

De Wet sociale werkvoorziening wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

  • 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    college:

    college van burgemeester en wethouders;

    dienstbetrekking:

    een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

    doelgroep:

    personen, die nog niet de leeftijd hebben bereikt waarop volgens de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat en die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling uitsluitend onder aangepaste en beschutte omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn;

    geïndiceerd:

    blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking als bedoeld in artikel 11 tot de doelgroep behoren;

    Onze Minister:

    Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:

    het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    werknemer:

    degene die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 7.

  • 2. Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van de artikelen 8 en 14, eerste lid, in de plaats van de betrokken colleges.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de bepaling van de doelgroep.

B

Artikel 2, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Het college kan aan een ingezetene die geïndiceerd is een dienstbetrekking aanbieden voor het verrichten van arbeid onder aangepaste en beschutte omstandigheden.

C

Artikel 6, tweede lid, aanhef,komt te luiden:

  • 2. Zo nodig in afwijking van de artikelen 670 en 670a van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zegt het college uit eigen beweging de dienstbetrekking op, indien:

D

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt «met een ingezetene die geïndiceerd is een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, derde lid, aangaat,» vervangen door: met een ingezetene, die geïndiceerd is en op de dag voor inwerkingtreding van artikel II van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen een dienstbetrekking heeft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of dit artikel, een dienstbetrekking aangaat voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden.

2. Het tweede tot en met vierde lid vervallen onder vernummering van het vijfde tot en met negende lid tot tweede tot en met zesde lid.

3. In het derde lid (nieuw), aanhef, wordt «vijfde lid» vervangen door: tweede lid.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt «zesde lid» vervangen door: derde lid.

5. In het vijfde lid (nieuw) wordt «eerste tot en met vierde lid» vervangen door: eerste lid.

6. In het zesde lid (nieuw) wordt «achtste lid» vervangen door: vijfde lid.

7. Het tiende lid vervalt.

E

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8

Mede ten behoeve van de kosten van de hoofdstukken 2 en 3, niet zijnde uitvoeringskosten, ontvangt het college een uitkering op grond van de Wet participatiebudget.

F

De artikelen 9, 9a en 10 vervallen.

G

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt van personen, die daartoe een aanvraag hebben ingediend, bij beschikking vast of deze behoren tot de doelgroep.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Op aanvraag van het college verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen herindicatie van personen die tot de doelgroep behoren overeenkomstig de krachtens artikel 6, tweede lid, onderdeel a, gestelde regels.

3. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot derde tot en met zevende lid.

4. Het derde lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a, 2°, wordt «artikel 1, derde lid,» vervangen door: artikel 2, eerste lid.

b. In onderdeel a, 3°, wordt «artikel 12, derde lid,» vervangen door: artikel 12, eerste lid.

5. In het zevende lid (nieuw) wordt «zevende lid» vervangen door: zesde lid.

H

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid vervallen onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot eerste tot en met vijfde lid.

2. Het eerste lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt na «aangepaste» ingevoegd: en beschutte.

b. In onderdeel b wordt «artikel 7, zesde lid, onderdeel b of c» vervangen door: artikel 7, derde lid, onderdeel b of c.

c. In onderdeel e wordt «artikel 1, derde lid» vervangen door: artikel 2, eerste lid.

3. Het tweede lid (nieuw), onderdeel a, vervalt onder verlettering van de onderdelen b en c tot a en b.

4. Het vierde en vijfde lid (nieuw) komen te luiden:

  • 4. De geïndiceerde is beschikbaar om een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, te aanvaarden tenzij:

    • a. hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek niet in staat is tot het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden indien hij dat gedurende een ononderbroken periode van ten minste 13 weken is geweest;

    • b. hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen;

    • c. hij buiten Nederland woont;

    • d. hij een voltijdsscholing of -opleiding volgt, tenzij de voltijdsscholing of -opleiding bedoeld is om aansluiting te vinden met het aanvaarden van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid,; of

    • e. uit zijn houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij niet bereid is een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, te aanvaarden.

  • 5. Het vierde lid, onderdeel b, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een justitiële inrichting.

I

Artikel 13 vervalt.

J

Artikel 19 komt te luiden:

Artikel 19

  • 1. Artikel 1, met uitzondering van het derde lid, artikel 11, eerste tot en met derde lid, en artikel 12, derde lid, onderdeel a, en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voor de inwerkingtreding van artikel II van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen blijven van toepassing op de persoon:

    • a. die op 14 mei 2011 krachtens een geldende indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking geïndiceerd is; of

    • b. die niet op 14 mei 2011 maar wel op de dag voor de inwerkingtreding van artikel II van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen krachtens een geldende indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking geïndiceerd is.

  • 2. De toepassing van het eerste lid vervalt voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, na afloop van de geldigheidsduur van de in dat onderdeel bedoelde indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking, tenzij die persoon op dat moment een dienstbetrekking heeft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 7.

  • 3. Tenzij hij daartoe verzoekt behoeft de persoon, die op 31 december 1997 een dienstbetrekking heeft krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening zoals deze luidde op die datum, zolang de dienstbetrekking voortduurt, niet overeenkomstig artikel 11, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel II van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen, te worden geherindiceerd.

  • 4. Met betrekking tot de uitkering aan het college voor de uitvoering van de hoofdstukken 2 en 3 over de kalenderjaren gelegen voor de inwerkingtreding van artikel II van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen blijven de artikelen 8, 9 en 9a en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel II van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen, van toepassing.

K

De artikelen 20 en 21 vervallen.

ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WET WERK EN ARBEIDSONDERSTEUNING JONGGEHANDICAPTEN

De Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1:1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten:

het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, bedoeld in artikel 5:1;

2. In onderdeel d wordt «artikel 2:3 of artikel 3:2» vervangen door: artikel 1a:1, artikel 2:3 of artikel 3:2.

3. In onderdeel p wordt «hoofdstuk 3» vervangen door: hoofdstuk 1a of 3.

B

Na hoofdstuk 1 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 1A. ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOORZIENING VOOR JONGGEHANDICAPTEN

§ 1. Jonggehandicapte

Artikel 1a:1. Jonggehandicapte
  • 1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:

    • a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

    • b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

  • 2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.

  • 3. De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft wordt alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.

  • 4. Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

  • 5. De beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

  • 6. Bij de beoordeling, bedoeld in het vijfde lid, maakt de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kunnen ondersteunen.

  • 7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

  • 8. De voordracht van een krachtens het zevende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, onderscheidenlijk de vaststelling van een ministeriële regeling op grond van het zesde lid, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

§ 2. Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

Artikel 1a:2. Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
  • 1. De jonggehandicapte heeft recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk, tenzij op hem een uitsluitingsgrond, als bedoeld in artikel 1a:7, eerste lid, van toepassing is.

  • 2. Onverminderd artikel 1a:4 heeft de persoon die recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2 of recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 heeft of heeft gehad, geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 1a:3. Later ontstaan recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
  • 1. Indien is vastgesteld dat de ingezetene geen jonggehandicapte is, heeft de ingezetene die alsnog wordt aangemerkt als jonggehandicapte op grond van artikel 1a:1, tweede lid, niet eerder dan twaalf maanden na de dag waarop voor het laatst werd vastgesteld dat de ingezetene geen jonggehandicapte was recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering.

  • 2. Indien geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat, omdat op de jonggehandicapte een of meer uitsluitingsgronden, als bedoeld in artikel 1a:7, eerste lid, van toepassing zijn, heeft de jonggehandicapte alsnog recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.

Artikel 1a:4. Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering jonggehandicapten ingestroomd in 2012
  • 1. De ingezetene wiens recht op arbeidsondersteuning eindigt op grond van artikel 2:16, eerste lid, onderdeel e, of niet herleeft op grond van artikel 2:17, vierde lid, en die op 31 december 2013 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 2:4, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel D, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen heeft recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk.

  • 2. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering van de ingezetene, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van 1 januari 2014, danwel met ingang van de dag waarop het recht op arbeidsondersteuning zou herleven, doch niet eerder dan de dag waarop zich geen van de uitsluitingsgronden, bedoeld in artikel 1a:7 voordoet.

  • 3. De ingezetene, bedoeld in het eerste lid, die geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft op grond van het eerste lid, omdat hij op 31 december 2013 niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was als bedoeld in het eerste lid, heeft alsnog recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij binnen vijf jaar na 1 januari 2014 duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 1a:1 heeft als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, waarvan de ingezetene op 1 januari 2014 reeds beperkingen ondervond, tenzij op hem een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 1a:7, eerste lid, van toepassing is.

  • 4. De ingezetene, bedoeld in het eerste lid, die geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft op grond van het eerste of derde lid, omdat hij volledig, maar niet duurzaam, arbeidsongeschikt was als bedoeld in het eerste lid, danwel omdat hij tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had als bedoeld in het derde lid, heeft alsnog recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering gekregen zou hebben op grond van het eerste of derde lid, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in het derde lid had, tenzij op hem een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 1a:7, eerste lid, van toepassing is.

  • 5. De ingezetene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het eerste, derde of vierde lid, wordt aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen.

  • 6. In afwijking van artikel 1a:12 stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ambtshalve vast of het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het tweede lid met ingang van 1 januari 2014 ontstaat.

Artikel 1a:5. Hoogte arbeidsongeschiktheidsuitkering
  • 1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag van het minimumloon per maand.

  • 2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag 75% van de grondslag.

  • 3. Inkomen wordt volledig op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.

Artikel 1a:6. Verhoging bij hulpbehoevendheid

Indien de jonggehandicapte verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de duur van die hulpbehoevendheid verhoogd tot ten hoogste de grondslag. De eerste zin vindt geen toepassing, indien de jonggehandicapte in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen.

Artikel 1a:7. Uitsluitingsgronden
  • 1. Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:

    • a. studerende zijn;

    • b. het rechtens zijn vrijheid zijn ontnomen;

    • c. het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

    • d. het niet in Nederland wonen;

    • e. het als vreemdeling niet rechtmatig verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;

    • f. het bereiken of bereikt hebben van de leeftijd van 65 jaar.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de uitsluitingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, niet geldt ten aanzien van vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 1a:8. Nadere bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen
  • 1. In afwijking van de artikelen 1a:2, eerste lid, en 1a:10 is artikel 1a:7, eerste lid, onderdeel b, eerst van toepassing met ingang van de dag dat de persoon één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, tenzij op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht bestaat op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 1a:7, eerste lid, onderdeel c.

  • 2. Artikel 1a:7, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een justitiële inrichting.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid, worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Artikel 1a:9. Niet in Nederland wonen
  • 1. In afwijking van de artikelen 1a:2, eerste lid, en 1a:10 is artikel 1a:7, eerste lid, onderdeel d, eerst van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen.

  • 2. Het eerste lid is tevens van toepassing op de jonggehandicapte die buiten Nederland is gaan wonen en op wie artikel 1:2, derde lid, van toepassing is.

  • 3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan artikel 1a:7, eerste lid, onderdeel d, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 1a:10. Einde van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:

  • a. wanneer de jonggehandicapte mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 1a:1 heeft, met ingang van de dag, aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

  • b. op de dag dat er op de jonggehandicapte een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 1a:7, eerste lid, van toepassing is;

  • c. indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe op verzoek van de jonggehandicapte besluit; of

  • d. indien de jonggehandicapte overlijdt.

Artikel 1a:11. Herleving van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
  • 1. Indien op grond van artikel 1a:10, onderdeel a, het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd, herleeft het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering als de jonggehandicapte binnen vijf jaar na de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 1a:1 heeft en dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering had.

  • 2. Indien op grond van artikel 1a:10, onderdeel b, het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd, omdat op de persoon die recht had op arbeidsongeschiktheidsuitkering een of meer uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 1a:7, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van toepassing waren, herleeft het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering wanneer zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.

  • 3. Indien op grond van artikel 1a:10, onderdeel c, het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd, herleeft het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien zich geen uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 1a:7, eerste lid, voordoet. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering herleeft niet eerder dan een jaar na de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd.

Artikel 1a:12. Aanvraag recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
  • 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt op aanvraag vast of recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk bestaat.

  • 2. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering werd aangevraagd.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die door de jonggehandicapte bij de aanvraag worden verstrekt.

  • 4. Indien de toepassing van het vierde lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ambtshalve toe te kennen.

Artikel 1a:13. Overeenkomstige toepasselijkheid bepalingen hoofdstuk 3
  • 1. Met betrekking tot de jonggehandicapte en het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk zijn de volgende artikelen en daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing:

    • a. ter zake van onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie: de artikelen 3:12, 3:33, eerste lid, onderdeel b, tweede en derde lid, 3:34 en 3:36;

    • b. ter zake van de verplichtingen van de jonggehandicapte: de artikelen 3:35, eerste lid, en 3:74, eerste en tweede lid;

    • c. ter zake van maatregelen: de artikelen 3:37, 3:38, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en 3:39;

    • d. ter zake van bestuurlijke boeten: de artikelen 3:40, 3:41, 3:42 en 3:43;

    • e. ter zake van de grondslag van de uitkering: artikel 3:7, derde en vierde lid;

    • f. ter zake van de tegemoetkoming in aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering: de artikelen 3:10 en 3:53;

    • g. ter zake van de vakantie-uitkering: de artikelen 3:24, 3:25, eerste, derde en vierde lid, 3:26, 3:32 en 3:52;

    • h. ter zake van de overlijdensuitkering: artikel 3:54;

    • i. ter zake van de betaling van de uitkering: de artikelen 3:45, eerste tot en met vierde lid, 3:46, 3:47 en 3:55;

    • j. ter zake van terugvordering: de artikelen 3:56, 3:57, 3:58, 3:59 en 3:60;

    • k. ter zake van vervreemding, verpanding en volmacht tot ontvangst: de artikelen 3:61 en 3:62.

  • 2. De strafbepaling van artikel 84, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is van overeenkomstige toepassing.

C

Het opschrift van hoofdstuk 2 komt te luiden:

ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOORZIENING VOOR JONGGEHANDICAPTEN INGESTROOMD IN 2010 EN 2011

D

Artikel 2:4 komt te luiden:

Artikel 2:4. Definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt

  • 1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de jonggehandicapte die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

  • 2. Onder duurzaam wordt de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

E

In artikel 2:5, vijfde lid, wordt na «nadere» ingevoegd: en zo nodig afwijkende.

F

Aan artikel 2:15 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Recht op arbeidsondersteuning ontstaat niet, indien dit zou ingaan op of na de dag waarop artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen in werking is getreden, tenzij de jonggehandicapte voor 1 januari 2012 recht op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering had.

G

Aan artikel 2:16, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. op 31 december 2013, indien de jonggehandicapte voor het eerst recht op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering had op of na 1 januari 2012.

H

Aan artikel 2:17 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het recht op arbeidsondersteuning herleeft niet na 31 december 2013, indien de jonggehandicapte voor het eerst recht op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering had op of na 1 januari 2012.

I

Artikel 2:20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien de arbeidsprestatie van een werknemer die recht heeft op arbeidsondersteuning in een bepaalde functie, maar geen functie waarin hij werkzaam is als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening of op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van die wet, ten gevolge van ziekte of gebrek duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die een geldelijke beloning van het voor hem geldende wettelijk minimumloon rechtvaardigt, vermindert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op verzoek van de betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar evenredigheid, in afwijking van hetgeen bij en krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.

2. Het derde lid vervalt.

J

Artikel 2:40 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «0,55» vervangen door: 0,5.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «70%» vervangen door «80%» en wordt «0,55» vervangen door «0,5».

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «70%» vervangen door: 80%.

4. In het tweede lid wordt «0,75» vervangen door: 0,7.

K

Artikel 2:41, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «25%» vervangen door «30%» en wordt «0,75» vervangen door «0,7».

2. In onderdeel b wordt «25%» vervangen door «30%», wordt «0,75» vervangen door «0,7» en wordt «0,25» vervangen door «0,3».

L

In artikel 2:42, eerste lid, onderdeel a en b, wordt «45%» telkens vervangen door «50%» en wordt «0,75» telkens vervangen door «0,7».

M

Het opschrift van hoofdstuk 3 komt te luiden:

ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOORZIENING VOOR JONGGEHANDICAPTEN INGESTROOMD VOOR 2010

N

In artikel 3:1, achtste lid, wordt na «nadere» ingevoegd: en zo nodig afwijkende.

O

In artikel 3:8, eerste lid, wordt «75%» vervangen door: 70%.

P

Na artikel 3:8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:8a. Duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie

  • 1. In afwijking van artikel 3:8, eerste lid, bedraagt de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

  • 2. Onder duurzaam wordt de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

  • 3. De jonggehandicapte die op 1 januari 2014 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, wordt geacht op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

Q

Artikel 3:38, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op de jonggehandicapte, die een persoon is op wie artikel 19, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening, van toepassing is.

R

In de artikelen 3:43, tweede lid, 3:72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 3:73 wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

S

In de artikelen 5:1 en het opschrift, 5:2 en 5:3, opschrift en eerste lid, wordt «Arbeidsondersteuningsfonds» telkens vervangen door: Arbeidsongeschiktheidsfonds.

T

Artikel 8:8 vervalt.

U

Na artikel 8:10a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8:10b. Beoordeling mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op 1 januari 2014

  • 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, als bedoeld in artikel 3:8a, zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel P, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Daarbij kan een procedure worden vastgesteld die afwijkt van de procedure bij de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie die de jonggehandicapte na de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel N, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen heeft.

V

Na artikel 8:10b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8:10c. Overgangsbepaling in verband met artikel 2:4

De jonggehandicapte die op de dag voor inwerkingtreding van artikel III, onderdeel D, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, zoals dat luidde op die dag, wordt geacht op de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel D, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn, als bedoeld in artikel 2:4, zoals dat is komen te luiden op die dag.

W

In artikel 8:12 wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL IV. WIJZIGING VAN DE WET PARTICIPATIEBUDGET

De Wet participatiebudget wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 komt de begripsbepaling van «re-integratievoorziening» te luiden:

re-integratievoorziening:

een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werken naar vermogen, artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de IOAZ en artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de IOAW, gericht op arbeidsinschakeling en een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 en 3 van de Wet sociale werkvoorziening.

B

Artikel 2, derde en vierde lid, komen te luiden:

  • 3. Het bedrag van de uitkering is de som van de uitkomsten van berekeningen op basis van regels voor de verdeling over de colleges van voor het kalenderjaar bij begrotingswet vast te stellen bedragen, die Onze Minister wie het aangaat beschikbaar heeft.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de verdeling van de uitkering over de colleges en de gegevens die ten grondslag liggen aan die verdeling en de samengestelde delen van de uitkering.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Voor zover het college:

    • a. een opleiding educatie aanbiedt, is de Wet educatie en beroepsonderwijs van toepassing;

    • b. een re-integratievoorziening aanbiedt, zijn de Wet werken naar vermogen en de Wet sociale werkvoorziening van toepassing, tenzij het betreft een voorziening ten behoeve van een persoon als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de IOAW respectievelijk van de IOAZ, in welk geval de IOAW respectievelijk de IOAZ van toepassing is.

D

Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a verordening

De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot de besteding van de uitkering ten behoeve van re-integratievoorzieningen, waarbij wordt bepaald:

  • a. onder welke voorwaarden welke personen uit de doelgroep in aanmerking komen voor in de verordening te omschrijven voorzieningen en hoe deze rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat die persoon tot de doelgroep loondispensatie behoort of een andere structurele functionele beperkingen heeft, evenwichtig over de doelgroep worden verdeeld;

  • b. op welke wijze de uitkering bestemd wordt voor dienstbetrekkingen op grond van hoofdstuk 2 en 3 van de Wet sociale werkvoorziening waarbij de inzet voor deze dienstbetrekkingen ten minste een derde deel bedraagt van het aantal van deze dienstbetrekkingen dat is beëindigd;

  • c. voor welke vergoedingen naar hoogte en duur een werkgever in aanmerking komt bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of die behoort tot de doelgroep loondispensatie in de zin van de Wet werken naar vermogen die door het college naar werkzaamheden in een dienstbetrekking met de werkgever is toegeleid, voor zover artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is;

  • d. voor de scholing of opleiding en voor de premie indien onbeloonde additionele werkzaamheden worden verricht als bedoeld in artikel 10a van de Wet werken naar vermogen, waarbij die regels ten aanzien van de premie in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval

E

Na artikel 15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 15a Overgangsbepaling verordening re-integratievoorzieningen

  • 1. De regels, die bij verordening zijn vastgesteld op grond van artikel 8, eerste lid, onderdelen a, e en f van de Wet werk en bijstand, artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van de IOAW en artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van de IOAZ, zoals deze wetten luidden voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, IX en X van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen gelden tot zes maanden na die datum als regels op grond van artikel 3a van deze wet.

  • 2. Binnen zes maanden na de inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen stelt de gemeenteraad regels bij verordening vast als bedoeld in artikel 3a.

ARTIKEL V. WIJZIGING VAN DE ZIEKTEWET

De Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 29b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. die onmiddellijk voorafgaande aan zijn dienstbetrekking met een werkgever krachtens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking op grond van artikel 11 van de Wet sociale werkvoorziening is geïndiceerd als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van die wet;

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De werknemer die, onmiddellijk voorafgaand aan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, 4 of 5, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een structurele functionele beperking had en voor wiens ondersteuning bij arbeidsinschakeling het college van burgemeester en wethouders, onmiddellijk voorafgaand aan de dienstbetrekking, op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werken naar vermogen, zorg droeg, heeft in perioden van ongeschiktheid tot werken die zijn aangevangen in de vijf jaren volgend op twee aaneengesloten jaren waarin het inkomen uit die dienstbetrekking ten minste het wettelijk minimumloon bedroeg, recht op ziekengeld vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken. Op de werknemer, bedoeld in de eerste zin, is het eerste lid, onderdelen b, d en e, en het derde lid, onderdelen a en c, niet van toepassing.

3. In het derde lid, onderdeel b, wordt «een arbeidsovereenkomst heeft gesloten» vervangen door: een dienstbetrekking is aangegaan.

4. In het derde lid wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten .

5. In het vijfde lid wordt na «eerste,» ingevoegd: tweede,.

6. In het zevende lid wordt «op een arbeidsovereenkomst» vervangen door: in een dienstbetrekking.

7. Het negende en tiende lid lid komen te luiden:

  • 9. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de toepassing van het tweede lid waarbij in ieder geval wordt bepaald in welke gevallen structurele functionele beperkingen aanwezig worden geacht.

  • 10. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de wijze van uitvoering van het tweede lid.

B

In artikel 45g, tweede lid, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

C

In de artikelen 45, eerste lid, onderdeel f, 45g, eerste lid, en 90, tweede lid, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

D

Aan hoofdstuk II wordt een artikel waarvan de nummering aansluit op het laatste artikel van dat hoofdstuk toegevoegd, luidende:

Artikel PM

Artikel 29b, tweede, negende en tiende lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel V, onderdeel B, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen blijft van toepassing op de werknemer, wiens dienstbetrekking is aangevangen voor de dag van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel B, van die wet.

ARTIKEL VI. WIJZIGING VAN DE WET FINANCIERING SOCIALE VERZEKERINGEN

De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 47, eerste lid, onderdeel a, en 51, derde lid, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

B

In de artikelen 47, eerste lid, onderdeel a, 51, derde en vierde lid, 115, eerste lid, en 117b, derde lid, onderdeel d, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

C

Artikel 49, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen b en c komen te luiden:

  • b. recht heeft op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

  • c. krachtens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking op grond van artikel 11 van de Wet sociale werkvoorziening is geïndiceerd als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van die wet;

2. Onderdeel d komt te luiden:

  • d. Voor wiens ondersteuning bij arbeidsinschakeling het college van burgemeester en wethouders, op die dag, op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werken naar vermogen zorg draagt en die behoort tot de doelgroep loondispensatie, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van die wet dan wel naar het oordeel van het UWV een structurele functionele beperking heeft.

D

Artikel 50, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Onverminderd het eerste en tweede lid bedraagt de korting, bedoeld in artikel 49, € 1 360 per jaar voor de werknemer die tevens arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten ontvangt of die een werknemer is als bedoeld in artikel 49, eerste lid, e en f.

E

Na artikel 118 wordt in hoofdstuk 7, afdeling 3, een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 118a Vergoeding gemeenten

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat de colleges van burgemeester en wethouders uitkeringen aan werknemers, die voorafgaande aan de dienstbetrekking, door die colleges van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werken naar vermogen zijn ondersteund bij de arbeidsinschakeling vergoeden aan het UWV, indien de dienstbetrekking een bij die maatregel te bepalen tijd heeft geduurd.

  • 2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval geregeld:

    • a. welke uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen dit betreft;

    • b. de doelgroep van de werknemers;

    • c. de hoogte van de vergoeding;

    • d. de wijze van vergoeding;

    • e. ten gunste van welk fonds, bedoeld in deze afdeling, de vergoedingen komen.

  • 3. Een voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 4. Een op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt slechts in werking, nadat gebleken is dat aan werknemers als bedoeld in het eerste lid bovenmatig uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen worden verstrekt.

ARTIKEL VII. WIJZIGING VAN DE WET WERK EN INKOMEN NAAR ARBEIDSVERMOGEN

De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 29, derde lid, komt de eerste zin te luiden:

De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op de persoon op wie artikel 19, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening, van toepassing is.

B

Artikel 30, zesde lid, komt te luiden:

  • 6. De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op de verzekerde op wie artikel 19, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening, van toepassing is.

C

Artikel 34, tweede lid, vervalt onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

D

Artikel 34a, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op de persoon:

    • a. die recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

    • b. voor zover voor diens ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werken naar vermogen het college van burgemeester en wethouders zorg draagt of onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de arbeid als zelfstandige zorg droeg tot het moment dat het inkomen uit die arbeid gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt; of

    • c. wiens recht op arbeidsondersteuning is geëindigd op grond van artikel 2:16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, tot het moment dat het inkomen uit die arbeid gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt.

E

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «, bedoeld in artikel 34, tweede lid» vervangen door: die werkzaam is als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op de persoon:

    • a. die recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

    • b. voor zover voor diens ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werken naar vermogen het college van burgemeester en wethouders zorg draagt of onmiddellijk voorafgaande aan een dienstbetrekking zorg droeg tot het moment dat het inkomen uit de arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt; of

    • c. wiens recht op arbeidsondersteuning is geëindigd op grond van artikel 2:16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt.

F

Artikel 36, derde lid, komt te luiden;

  • 3. Een subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt, indien de subsidie wordt aangevraagd voor een werknemer:

    • a. voor wie reeds eerder aan de werkgever subsidie op grond van dit artikel is verstrekt, tenzij de subsidieaanvraag:

      • 1°. geen verband houdt met feiten en omstandigheden die aanleiding zijn geweest voor het verstrekken van de subsidie;

      • 2°. betrekking heeft op door de werkgever gemaakte kosten ter vervanging van de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen door de werknemer;

    • b. voor zover voor diens ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werken naar vermogen het college van burgemeester en wethouders zorg draagt of onmiddellijk voorafgaande aan een dienstbetrekking zorg droeg tot het moment dat het inkomen uit de arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt; of

    • c. wiens recht op arbeidsondersteuning is geëindigd op grond van artikel 2:16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt.

G

In de artikelen 37b en 96, tweede lid, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

H

In de artikelen 82, vierde lid, 96, eerste lid, en 133e, eerste en tweede lid, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

I

Aan hoofdstuk 13 worden twee artikelen waarvan de nummering aansluit op het laatste artikel van dat hoofdstuk toegevoegd, luidende:

Artikel 133#. Overgangsrecht in verband met overgang voorzieningen en subsidie

In afwijking van artikel 7 van de Wet werken naar vermogen blijven de artikelen 34a, 35 en 36 zoals die artikelen luidden voor de datum van inwerkingtreding van artikel VII van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen, van toepassing op de voorziening die op grond van artikel 34a of 35 is toegekend en op de subsidie die op grond van artikel 36 is verstrekt voor die datum.

Artikel 133#. Overgangsrecht in verband met aanvraag voorzieningen en subsidie

  • 1. Een nog niet afgehandeld en tot het UWV gericht verzoek van een persoon op wie met ingang van de dag van inwerkingtreding van artikel VII van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen de artikelen 34a, 35 of 36 niet meer van toepassing zijn om op grond van een of meer van die artikelen een besluit te nemen, wordt vanaf de dag van inwerkingtreding van artikel VII van die wet beschouwd als een aanvraag voor een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet werken naar vermogen. Deze aanvraag wordt beschouwd als te zijn gericht tot het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente.

  • 2. Op een bezwaar- of beroepschrift waarop op de dag van inwerkingtreding van artikel VII van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen nog niet is beslist en dat is gericht tegen een besluit dat voor die dag van inwerkingtreding is genomen op grond van de artikelen 34a, 35 of 36, wordt beslist met toepassing van de artikelen 34a, 35 of 36, zoals deze luidden voor die dag van inwerkingtreding.

ARTIKEL VIII. WIJZIGING VAN WET STRUCTUUR UITVOERINGSORGANISATIE WERK EN INKOMEN

De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 1, onderdeel l, onder 1, 9, eerste lid, 30, vijfde lid, onderdeel b, 30a, derde lid, onderdeel a, 34, tweede lid, onderdeel b, 51, opschrift, eerste en derde lid, en 62, eerste en tweede lid, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

B

In de artikelen 1, onderdeel l, onder 2, 30, eerste en tweede lid, 30a, eerste lid, onderdeel c, tweede lid, derde lid, onderdeel f, en vierde lid, 30e, 32b, eerste lid, 45, tweede lid, onderdeel c, en 84 wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

C

Artikel 30a, derde lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. ten aanzien van personen, bedoeld in het eerste lid, indien het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, derde lid, onderdeel c, en zevende lid, van de Wet werken naar vermogen die personen ondersteunt en aan die personen voorzieningen aanbiedt;

D

In artikel 30c, eerste lid, wordt «Wet werk en bijstand» telkens vervangen door: Wet werken naar vermogen.

E

Artikel 30d, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het besluit, bedoeld in het eerste lid, en over de advisering en de wijze waarop de indicatie tot stand komt.

F

In de artikelen 30, tweede lid, 32b, eerste lid, en 45, tweede lid, onderdeel c, wordt «Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten» telkens vervangen door: Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten.

G

Artikel 32c komt te luiden:

Artikel 32c. Scholing personen met ernstige scholingsbelemmeringen

  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te verstrekken subsidie aan een rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf door scholing de inschakeling in de arbeid bevordert van personen:

    • a. voor wier ondersteuning bij arbeidsinschakeling het college van burgemeester en wethouders zorg draagt op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werken naar vermogen;

    • b. die als gevolg van psychische, verstandelijke of lichamelijke beperkingen niet in staat zijn tot het verdienen van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van die wet; en

    • c. die ernstige scholingsbelemmeringen hebben.

  • 2. Bij de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, kunnen aan de subsidie-ontvanger verplichtingen worden opgelegd omtrent het hanteren van een registratiesysteem waaruit blijkt of het doel van de subsidie is bereikt.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening.

H

Artikel 82a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door «Wet werken naar vermogen» en «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

b. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. de artikelen 7, 8, 9, 10, 10b tot en met 10e, en 55 van de Wet werken naar vermogen.

c. In onderdeel h wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

2. In het tweede lid, onderdeel c, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL IX. WIJZIGING VAN DE WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE WERKLOZE WERKNEMERS

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel f wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

2. In onderdeel g wordt «Wet werk en bijstand» telkens vervangen door: Wet werken naar vermogen.

B

In de artikelen 8, vierde lid, 28, tweede lid, 38a en 48, eerste lid, onderdeel c, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

C

In artikel 20, tweede lid, wordt «artikel 35, eerste lid, onderdeel b» vervangen door: artikel 35. onderdeel a .

D

In artikel 28, derde lid, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

E

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen b en c tot a en b, vervalt onderdeel a van het eerste lid.

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding »1.» voor het eerste lid vervallen.

F

In artikel 36, eerste lid, wordt «de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid,» vervangen door: de verordening, bedoeld in artikel 3a van de Wet participatiebudget,.

G

Artikel 37a, derde lid, komt te luiden:

  • 3. De verplichtingen, bedoeld in artikel 37, zijn niet van toepassing op de persoon op wie artikel 19, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening, van toepassing is.

ARTIKEL X. WIJZIGING VAN DE WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE GEWEZEN ZELFSTANDIGEN

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 1, onderdeel f, 8, achtste lid, 28, tweede lid, 38a en 48, eerste lid, onderdeel c, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

B

In artikel 20, eerste lid, wordt «artikel 35, eerste lid, onderdeel b» vervangen door: artikel 35. onderdeel a .

C

In artikel 28, derde lid, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

D

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen b en c tot a en b, vervalt onderdeel a van het eerste lid.

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding »1.» voor het eerste lid vervallen.

E

In artikel 36, eerste lid, wordt «de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid,» vervangen door: de verordening, bedoeld in artikel 3a van de Wet participatiebudget, .

F

Artikel 37a, derde lid, komt te luiden:

  • 3. De verplichtingen, bedoeld in artikel 37, zijn niet van toepassing op de persoon, op wie artikel 19, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening, van toepassing is.

ARTIKEL XI. WIJZIGING VAN DE WET OP DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING

De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 29g, tweede lid, 65j, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 65k wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

B

In de artikelen 29g, eerste lid, 43a, derde lid, 91d, derde lid, en 91g, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel a, onder 3, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL XII. WIJZIGING VAN DE WERKLOOSHEIDSWET

De Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 20, elfde lid, 27g, eerste lid, 76, vierde lid, 78a, vierde lid, onderdeel d, en 130v wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

B

In de artikelen 26, eerste lid, onderdeel f, 27g, tweede lid, en 78c wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

C

Artikel 26a, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Artikel 24, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de werknemer, die blijkens een indicatiebeschikking behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening. Artikel 26, eerste lid, onderdelen d tot en met g en k tot en met m, is niet van toepassing op de werknemer op wie artikel 19, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening van toepassing is.

ARTIKEL XIII. WIJZIGING VAN DE WET ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING ZELFSTANDIGEN

De Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 46, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op de verzekerde, die een persoon is op wie artikel 19, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening, van toepassing is.

B

In artikel 54, eerste lid, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

C

In de artikelen 54, tweede lid, 67g, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 67h wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XIV. WIJZIGING VAN DE TOESLAGENWET

De Toeslagenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 1, eerste lid, onderdeel d, 4b, 14g, eerste lid, en 38, tweede lid, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

B

In de artikelen 9, eerste lid, en 14g, tweede lid, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

C

In artikel 23, tweede lid, wordt «artikel 2:11, eerste lid, onderdeel d, of artikel 3:19, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: artikel 1a:7, eerste lid, onderdeel f, artikel 2;11, eerste lid, onderdeel e, of artikel 3:19, eerste lid, onderdeel a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL XV. WIJZIGING VAN DE WET KINDEROPVANG EN KWALITEITSEISEN PEUTERSPEELZALEN

De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.6, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt «Wet werk en bijstand» telkens vervangen door: Wet werken naar vermogen.

2. In de onderdelen e en f wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

3. In onderdeel i wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

B

Artikel 1.22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

2. In het tweede lid wordt «Wet werk en bijstand» telkens vervangen door: Wet werken naar vermogen.

C

In de artikelen 1.29, eerste lid, onderdeel a, 1.35, eerste en tweede lid, en 1.38, tweede lid, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XVI. WIJZIGING VAN DE WET INKOMSTENBELASTING 2001

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 3.78a, eerste en tweede lid, en 8.16a, eerste lid, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

B

In de artikelen, 3 104, onderdeel f, 6.3, eerste lid, onderdeel c, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XVII. WIJZIGING VAN DE WET OP DE LOONBELASTING 1964

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, zesde lid, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

B

In artikel 11b, onderdeel a, wordt «Wet werk en bijstand» telkens vervangen door: Wet werken naar vermogen.

C

In de artikelen 22a, vijfde lid, onderdeel d, 22aa, eerste lid, en 23, vierde lid, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

D

In artikel 33, eerste lid, onderdelen a en d, en tweede lid, onderdeel c, onder 1, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XVIII. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE KINDERBIJSLAGWET

In artikel 17g, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door «Wet werken naar vermogen» en wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door «Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten».

ARTIKEL XIX. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE NABESTAANDENWET

De Algemene nabestaandenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 45, tweede lid, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

B

In de artikelen 45, tweede lid, 63a, derde lid, onderdeel e, onder 4, 67, eerste lid, onderdeel b, en 69, eerste lid, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL XX. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE OUDERDOMSWET

De Algemene Ouderdomswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 17i, tweede lid, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door «Wet werken naar vermogen» en wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

B

In artikel 35, derde lid, onderdeel e, onder 4, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL XXI. WIJZIGING VAN DE WET INBURGERING

In de artikelen 1, eerste lid, onderdeel o, 20, eerste lid, 24b, eerste lid, en 37 wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXII. WIJZIGING VAN BOEK 1 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK

In artikel 159a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXIII. WIJZIGING VAN BOEK 6 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK

In artikel 197, lid 1, onderdeel a, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL XXIV. WIJZIGING VAN DE FAILLISSEMENTSWET

In artikel 33, vierde lid, van de Faillissementswet wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXV. WIJZIGING VAN DE HANDELSREGISTERWET 2007

In artikel 28, derde lid, onderdeel e, van de Handelsregisterwet 2007 wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXVI. WIJZIGING VAN DE UITKERINGSWET FINANCIËLE COMPENSATIE LANGDURIGE MILITAIRE DIENST

In artikel 5 van de Uitkeringswet financiële compensatie langdurige militaire dienst wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXVII. WIJZIGING VAN DE WET ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOORZIENING MILITAIREN

In artikel 2, eerste lid, onderdeel b, onder 2, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXVIII. WIJZIGING VAN DE WET OP DE HUURTOESLAG

In de artikelen 17, eerste lid, onderdelen a en b, en 27, vierde lid, van de Wet op de huurtoeslag wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXIX. WIJZIGING VAN DE WET BEVORDERING INTEGRITEITSBEOORDELINGEN DOOR HET OPENBAAR BESTUUR

In artikel 27, eerste lid, onderdeel g, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXX. WIJZIGING VAN DE WET BRUTERING OVERHEVELINGSTOESLAG LONEN

In artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXXI. WIJZIGING VAN DE WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE WERKLOZEN

De Wet inkomensvoorziening oudere werklozen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 16, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Artikel 14, eerste lid, en 15 zijn niet van toepassing op de werknemer die een persoon is op wie artikel 19, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening, van toepassing is.

B

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

2. In het tweede lid wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXXII. WIJZIGING VAN DE WET OP DE LIJKBEZORGING

In artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXXIII. WIJZIGING VAN DE WET OP HET CONSUMENTENKREDIET

In artikel 5, onderdeel a, onder 1 tot en met 3, van de Wet op het consumentenkrediet wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXXIV. WIJZIGING VAN DE WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

In artikel 7.52, tweede en vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXXV. WIJZIGING VAN DE WET OP HET ONDERWIJSTOEZICHT

In artikel 24f, tweede lid, van de Wet op het onderwijstoezicht wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXXVI. WIJZIGING VAN DE WET RIETKERK-UITKERING

In artikel 9 van de Wet Rietkerk-uitkering wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXXVII. WIJZIGING VAN DE WET STUDIEFINANCIERING 2000

De Wet studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.17, derde lid, onderdeel a, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

B

In de artikelen 4.13 en 5.15 wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet.

ARTIKEL XXXVIII. WIJZIGING VAN DE WET UITKERINGEN BURGER-OORLOGSSLACHTOFFERS 1940–1945

In artikel 64 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XXXIX. WIJZIGING VAN WET UITKERINGEN VERVOLGINGSSLACHTOFFERS 1940–1945

In artikel 60a van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XL. WIJZIGING VAN DE WET VERMINDERING AFDRACHT LOONBELASTING EN PREMIE VOOR DE VOLKSVERZEKERINGEN

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, tweede lid, onderdeel a, wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

B

In artikel 14, vijfde lid, onderdeel b, onder 2, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XLI. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

In onderdeel F, ten tweede, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt na «Wet werk en bijstand» telkens ingevoegd: en de Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XLII. WIJZIGING VAN DE BEROEPSWET

Onderdeel C van de bijlage bij de Beroepswet wordt als volgt gewijzigd:

1. In subonderdeel 3b wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

2. In subonderdeel 25 wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XLIII. WIJZIGING VAN HET WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 475d wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a, onder 1 en 2, wordt «Wet werk en bijstand» telkens vervangen door: Wet werken naar vermogen.

b. In onderdeel b, onder 1 en 2, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

2. In het tweede lid, onderdeel a, onderdeel b, onder 1, 2, 3, 4 en 5, onderdeel c, en vierde lid, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

B

In artikel 585, onderdeel b, wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

ARTIKEL XLIV. WIJZIGING VAN DE INVOERINGSWET NIEUWE EN GEWIJZIGDE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSREGELINGEN

De Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen I, eerste lid, onderdeel f, XXIV, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, onderdeel c, XXV, eerste lid, XXVI en XXVIII en in de opschriften van hoofdstuk 4 en paragraaf 3 van hoofdstuk 4 wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

B

In artikel I, eerste lid, onderdeel f, wordt «Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten» vervangen door: Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten.

ARTIKEL XLV. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PENSIOENWET POLITIEKE AMBTSDRAGERS

In de artikelen 9, tweede lid, 54, tweede lid, en 134, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL XLVI. WIJZIGING VAN DE TIJDELIJKE WET BEPERKING INKOMENSGEVOLGEN ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSCRITERIA

In de artikelen 1, onderdeel a, 5a, derde lid, en 9, eerste lid, van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL XLVII. WIJZIGING VAN DE WET INVOERING EN FINANCIERING WET WERK EN INKOMEN NAAR ARBEIDSVERMOGEN

In de artikelen 2.3, tweede lid, onderdeel c, 2.4, vierde lid, en 2.6, eerste lid, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL XLVIII. WIJZIGING VAN DE WET OVERIGE OCW-SUBSIDIES

In artikel 19a, eerste en derde lid, van de Wet overige OCW-subsidies wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL XLIX. WIJZIGING VAN DE WET TEGEMOETKOMING CHRONISCH ZIEKEN EN GEHANDICAPTEN

In artikel 10, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten wordt «of op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» vervangen door: op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, of op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 1a of 2 van die wet.

ARTIKEL L. WIJZIGING VAN HET WETBOEK VAN KOOPHANDEL

In artikel 415, vierde lid, van het Wetboek van Koophandel wordt «Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten» telkens vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL LI. SAMENLOOPBEPALING WET REVITALISERING GENERIEK TOEZICHT

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met de revitalisering van het generiek interbestuurlijk toezicht (Wet revitalisering generiek toezicht) (Kamerstukken 32 389) tot wet is verheven en in werking is getreden wordt onderdeel B van de Bijlage, bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet als volgt gewijzigd:

1. In nummer 1 wordt «Wet werk en bijstand» vervangen door: Wet werken naar vermogen.

2. Nummer 6 komt te luiden: 6. Wet participatiebudget

ARTIKEL LII. GRONDSLAG LAGERE REGELGEVING WET ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOORZIENING JONGGEHANDICAPTEN

1. Het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid en het Reglement justitiële jeugdinrichtingen berusten met ingang van de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen mede op artikel 1a:7, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

2. De Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten berust met ingang van de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Wet werken naar vermogen mede op artikel 1a:1, zesde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL LIII. INWERKINGTREDING

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL LIV. CITEERTITEL

Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Wet werken naar vermogen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Naar boven