Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433161 nr. 190

33 161 Wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Participatiewet)

Nr. 190 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 april 2014

Met deze brief geef ik een reactie op een tweetal moties die zijn aangenomen in het kader van de behandeling van de Participatiewet.

Het gaat om motie (Kamerstuk 33 161, nr. 160) van de leden Voortman en Karabulut waarin zij de regering vragen de Participatiewet binnen zo kort mogelijke termijn te toetsen aan het VN Verdrag Handicap, en de Tweede Kamer onverwijld te informeren over de uitkomsten van deze toets.

Daarnaast gaat het om motie (Kamerstuk 33 161, nr. 175) van het lid Heerma over individuele toepassing van het instrument loondispensatie. De heer Heerma heeft verzocht om een brief waarin de regering aangeeft hoe de motie wordt uitgevoerd. Met deze brief voldoe ik aan deze verzoeken.

Motie 160 Toetsing Participatiewet aan het VN-verdrag

Zoals neergelegd in het regeerakkoord, is Nederland voornemens het verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (hierna VN-verdrag) te ratificeren. Binnenkort brengt de Raad van State het advies uit over de wetsvoorstellen waarmee Nederland dit verdrag ratificeert en implementeert. Ratificatie betekent dat een staat zich juridisch aan een verdrag bindt. De tekst van het verdrag is evenwel al in 2006 vastgesteld en Nederland heeft het verdrag in 2007 ondertekend. Zoals ook de stellers van de motie aangeven, veronderstelt de ondertekening van een verdrag dat een staat (politiek) gebonden is aan de bepalingen van een verdrag en vóór ratificatie van een verdrag geen regelgeving treft die daarmee in strijd zou zijn.

Daarom is een standaardonderdeel van het wetgevingsproces dat bij op te stellen regelgeving wordt nagegaan of deze in overeenstemming is met verdragen die Nederland heeft geratificeerd (of al heeft ondertekend maar nog niet heeft geratificeerd). Dit is ook gebeurd bij de totstandkoming van de Participatiewet.

In de nota van toelichting bij de vierde nota van wijziging op de Participatiewet is de regering in gegaan op de relatie tussen de Participatiewet en het VN-verdrag.

Het VN-verdrag heeft tot doel «het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen»1.

Het VN-verdrag vormt dus een aanvulling op bestaande mensenrechtenverdragen, in die zin dat het specifiek voor mensen met een handicap een nadere invulling geeft van bestaande mensenrechten. Daarbij gaat het vooral om gelijke behandeling en participatie in de samenleving.

Doel van de Participatiewet is om mensen die nu (nog) moeilijk aan het werk komen meer kansen op regulier werk te bieden. En als dat nog niet mogelijk is, hen ondersteuning te bieden om op andere manieren in de samenleving te participeren. De Participatiewet levert daarmee een bijdrage aan de versterking van gelijke kansen voor mensen met een beperking en sluit aan bij de doelstelling en meer specifiek artikel 27 van het VN-verdrag2.

Verder biedt de Participatiewet gemeenten kaders voor de invulling van de opdracht om op voet van gelijkheid met anderen deelname aan de arbeidsmarkt van mensen met een arbeidsbeperking te bevorderen.

De gemeenteraad moet bij verordening beleid vaststellen voor het aanbieden van re-integratievoorzieningen, zoals de uitwerking van het instrument loonkostensubsidie en de voorziening beschut werk, werkvoorzieningen, de hoogte en duur van de no-riskpolis. Ook de gemeenten dienen het bepaalde in het VN-verdrag in acht te nemen. De VNG biedt gemeenten hierbij ondersteuning.

Gemeenten kunnen de werkgever (financieel) ondersteunen bij het realiseren van noodzakelijke aanpassingen van de werkplek voor een werknemer met een arbeidsbeperking. Op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte moeten werkgevers hiervoor zorg dragen, voor zover dat niet onevenredig belastend voor hen is. Gemeenten moeten ook bij verordening de cliëntenparticipatie regelen, zodat personen met een beperking actief worden betrokken bij het lokale beleid.

Hiermee ligt er naar mijn mening met de Participatiewet een goede en heldere set regels, die in lijn is met de doelstelling van het VN-verdrag.

Motie 175 Toepassing loondispensatie mogelijk maken

De motie verzoekt de regering te onderzoeken hoe toepassing van het middel loondispensatie voor mensen met een arbeidshandicap op individuele basis mogelijk gemaakt kan worden indien zij daartoe zelf een expliciet verzoek doen.

Ik heb goed kennis genomen van de overwegingen daarbij.

Net als de heer Heerma ben ik van mening dat werkzoekenden met een arbeidshandicap het meest gebaat zijn bij perspectief op werk. Met de Participatiewet en de afspraak met werkgevers dat zij zich garant stellen voor 125.000 extra banen, worden de kansen op de arbeidsmarkt voor mensen met een arbeidsbeperking vergroot. Gemeenten krijgen daarbij de beschikking over onder meer het instrument loonkostensubsidie. In het sociaal akkoord is afgesproken dat dit instrument in de plaats komt van het instrument loondispensatie. Zoals ik ook tijdens de plenaire behandeling van de Participatiewet in de Tweede Kamer heb aangegeven hecht ik aan deze afspraak.

Zoals ook in de overwegingen bij de motie is opgemerkt, is het binnen de Participatiewet op dit moment niet mogelijk om aanspraak te maken op het instrument loondispensatie. Het kabinet is niet voornemens de Participatiewet op dit punt te wijzigen. Tegen deze achtergrond zal ik het in de motie gevraagde onderzoek uitvoeren. Aangezien het hier om complexe materie gaat, zal dit onderzoek enige tijd vergen. Ik verwacht daarom de Tweede Kamer in het najaar over de uitkomsten van het onderzoek te kunnen informeren.

Verder zal ik overeenkomstig mijn toezegging naar aanleiding van de door de Tweede Kamer aanvaarde motie (Kamerstuk 33 161, nr. 174) van de leden Van Weyenberg en Heerma, onderzoek doen naar de effectiviteit van het instrument loonkostensubsidie en het instrument loondispensatie dat voor Wajongers bestaat. De resultaten van dit onderzoek zullen conform de motie uiterlijk drie jaar na inwerkingtreding van de Participatiewet aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden, 2007, nummer 169.

X Noot
2

In dit artikel wordt bepaald dat staten die partij bij het verdrag zijn het recht van personen met een handicap erkennen op werk, op voet van gelijkheid met anderen.

De verwezenlijking van dit recht moet worden gewaarborgd en bevorderd door het nemen van passende maatregelen.