Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433161 nr. 119

33 161 Wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Participatiewet)

Nr. 119 ZEVENDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 18 februari 2014

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Aan het in artikel I, onderdeel F, voorgestelde artikel 10d wordt een lid toegevoegd, luidende:

9. Indien de werkgever een dienstbetrekking aangaat met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en hij op grond van dit artikel in aanmerking komt voor loonkostensubsidie is de aanspraak van de werknemer op de geldelijke beloning bij aanvang van de dienstbetrekking 100% van het voor hem geldende wettelijk minimumloon en is de werkgever gerechtigd dit loon te betalen, waarbij dit loon wordt aangemerkt als het rechtens geldende loon ten behoeve van de vaststelling van de loonwaarde.

2

Artikel III, onderdeel E, komt te luiden:

E

Artikel 2:5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid vervalt de tweede volzin.

2. Onder vernummering van het zesde en zevende lid tot het zevende en achtste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een periodieke herbeoordeling om vast te stellen of betrokkene volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

3

Artikel III, onderdeel Ib, vervalt.

4

In artikel III, onderdeel P, wordt artikel 8:10b als volgt gewijzigd:

a. In het opschrift vervalt: duurzaam.

b. Het eerste lid komt te luiden:

1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8a, zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet.

b. In het eerste lid vervalt: duurzaam.

c. In het tweede lid vervalt: duurzaam.

Toelichting

Onderdeel 1 (art. I, ond. F)

Naar aanleiding van het sociaal akkoord van 11 april 2013 en in de brief van 3 februari 2014 aan de Tweede Kamer is gemeld, dat sociale partners er voor zullen zorgen dat in de CAO’s de laagste loonschalen beschikbaar kunnen komen voor werknemers die met loonkostensubsidie van de gemeenten aan het werk gaan. Dit met het oog op het realiseren van de 125.000 extra banen en op termijn 30.000 beschut werkplekken. De sociale partners namen daarbij hun verantwoordelijkheid voor de totstandkoming van een substantieel aantal banen voor de groep mensen die het lastig heeft op de arbeidsmarkt. Het gaat om werknemers die niet in staat zijn het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen. Het moet in ieder geval op grond van CAO’s mogelijk zijn individuele werknemers die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren in dienst te kunnen nemen op garantiebanen op een loon dat bij indiensttreding 100% van het WML bedraagt, dan wel een naar rato verminderd bedrag indien het een deeltijd dienstbetrekking betreft. Op die manier kunnen de personen uit de gemeentelijke doelgroep via de werkbedrijven ook daadwerkelijk in dienst worden genomen en kan worden voldaan aan de baanafspraak, die ook bepalend is voor de invoering van een eventuele quotumverplichting. Voor de mensen in kwestie wordt hiermee de kans om aan de slag te komen aanzienlijk vergroot. In de brief is opgenomen dat de sociale partners drie jaar de tijd krijgen volgens het in die brief opgenomen ritme laagste reguliere loonschalen op te nemen tussen 100% en 120% WML, te beginnen op 100% WML, om personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie in dienst te kunnen nemen ten behoeve van de garantiebanen. Zodoende kunnen mensen er beperkt op vooruitgaan. Daartoe zal de Stichting van de Arbeid een aanbeveling doen aan CAO-partijen. Het in de genoemde brief opgenomen ritme is als volgt: Ultimo 2015 dient 55 procent van de CAO’s hieraan te voldoen; ultimo 2016 dient 85 procent van de CAO’s hieraan te voldoen en ultimo 2017 dienen alle CAO’s hieraan te voldoen.

Indien het in de brief opgenomen ritme niet wordt gehaald, zal het in dit onderdeel voorgestelde negende lid van artikel 10d van de Participatiewet in werking treden. De Tweede Kamer zal hierover voorafgaand in kennis worden gesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op mensen die behoren tot de doelgroep van de garantiebanen die met loonkostensubsidie van de gemeenten aan het werk gaan. Daarbij wordt bepaald, dat de werknemer die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort bij aanvang van de dienstbetrekking recht heeft op een loon van 100% van het voor hem geldende WML. Dat WML kan op grond van artikel 12 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bij een kortere dan normale arbeidsduur naar evenredigheid worden verminderd. De werkgever wordt toegestaan dit loon te betalen in de dienstbetrekking waarvoor hij loonkostensubsidie ontvangt. Op grond van dit negende lid is in verband hiermee bepaald dat er bij de loonwaardebepaling van wordt uitgegaan dat het rechtens geldende loon bij aanvang van de dienstbetrekking 100% van het voor hem geldende WML bedraagt. De loonwaarde is in artikel 6 gedefinieerd als een percentage van het rechtens geldende loon. De loonwaarde is op grond van artikel 10d, vierde lid, een bepalende factor voor de vaststelling van de hoogte van de loonkostensubsidie. Bij de vaststelling of de werknemer tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, hetgeen een voorwaarde is om de werkgever in aanmerking te laten komen voor loonkostensubsidie, is al bepaald, dat de werknemer niet in staat is als hij voltijds zou werken het wettelijk minimumloon te verdienen.

Onderdeel 2 (art. III, ond. E)

Het wijzigingsvoorstel onder 1 behelst een technische wijziging die samenhangt met de aanpassing van artikel 2:4 die is voorgesteld in de zesde nota van wijziging. Aangezien artikel 2:4 geen derde en vierde lid meer kent, kan de grondslag voor nadere regels met betrekking tot deze leden komen te vervallen.

Het wijzigingsvoorstel onder 2 is voorgesteld in de zesde nota van wijziging. Hiermee wordt voorgesteld om in hoofdstuk 2 een grondslag op te nemen, zoals die ook is voorgesteld voor de hoofdstukken 1a en 3, om een periodieke herbeoordeling mogelijk te maken of betrokkene duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Onderdeel 3 (art. III, ond. Ib)

In de zesde nota van wijziging is abusievelijk voorgesteld om de verwijzing naar een persoon met een dienstbetrekking op grond van hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening te laten vervallen. Deze verwijzing dient te blijven bestaan omdat er ook vanaf inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet nog mensen zijn met een dienstbetrekking op grond van een van die hoofdstukken. Dit wordt in dit onderdeel hersteld. Artikel 2:31, derde lid, blijft hiermee ongewijzigd.

Onderdeel 4 (art. III, ond. P)

In artikel 8:10b wordt de eenmalige herbeoordeling geregeld van jonggehandicapten met een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Met deze technische wijziging wordt verduidelijkt dat het UWV hierbij niet apart de duurzaamheid vaststelt, zoals dit wel gebeurt bij de reguliere beoordeling op grond van artikel 3:8a en de daarop berustende bepalingen.

Een afzonderlijke beoordeling van de duurzaamheid is niet nodig, omdat in artikel 3:8a, derde lid, wordt bepaald dat de jonggehandicapte die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, geacht wordt duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben. Hiervoor is gekozen, omdat het jonggehandicapten betreft die al minimaal acht jaar recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben. Het is in dat geval minder zinvol te beoordelen of de situatie duurzaam is.

Tevens wordt voorgesteld om het eerste lid van artikel 8:10b technisch aan te passen. In dit artikellid wordt verwezen naar artikel 3:8a. Het voornemen is artikel 3:8a pas in werking te laten treden met ingang van 1 januari 2018. Aangezien de bedoeling is de beoordelingen op grond van artikel 8:10b vanaf 2015 te laten plaatsvinden, wordt bepaald dat het UWV vaststelt dat de jonggehandicapte geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8a, zoals dat artikel komt te luiden op 1 januari 2018.

Bij het voorgaande wordt opgemerkt dat de voorgestelde wijzigingen naar het oordeel van de regering voldoen aan artikel 1 van het eerste protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hiermee wordt het billijk evenwicht in acht genomen tussen het algemeen belang en het individueel belang op bescherming van eigendom en wordt met name door de inmenging geen disproportionele last opgelegd. Jonggehandicapten die voor 1 januari 2015 in hoofdstuk 2 of 3 van de Wajong zijn gekomen, behouden hun uitkeringsrecht. Jonggehandicapten die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben, houden een uitkering van 75 procent van het WML (zonder partner- en middelentoets en zonder kostendelersnorm). Jonggehandicapten die wel arbeidsmogelijkheden hebben, krijgen een uitkering van 70 procent (zonder partner- en middelentoets en zonder kostendelersnorm).

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma