Aan de Voorzitter van de Europese Commissie
Den Haag, 24 januari 2012
De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft, overeenkomstig de daarvoor vastgestelde
procedure, het bovengenoemde voorstel getoetst aan het beginsel van subsidiariteit.
Daarmee is toepassing gegeven aan artikel 5 EU-Verdrag en Protocol 2 bij het Verdrag
van Lissabon betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.
Met deze brief stellen wij u in kennis van het oordeel van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
Identieke brieven zijn gezonden aan het Europees Parlement, de Raad en de Nederlandse
regering.
De voorgestelde Richtlijn betreft een verplichting voor lidstaten om erop toe te zien
dat alle geschillen tussen een consument en een ondernemer die voortvloeien uit de
verkoop van goederen of de verrichting van diensten, kunnen worden voorgelegd aan
een ADR-entiteit. Met de voorgestelde Verordening wordt beoogd een Europees platform
voor online geschillenbeslechting op te richten. De rechtsbasis voor beide voorstellen
is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft met belangstelling kennis genomen van bovengenoemde
voorstellen. Met betrekking tot de gekozen rechtsgrondslag heeft de Kamer geen bezwaren
geconstateerd. Zij constateert echter wel bezwaren met betrekking tot het beginsel
van subsidiariteit.
Subsidiariteitsbezwaren bij het voorstel voor een Richtlijn ADR consumenten
De Eerste Kamer is van oordeel dat de voorstellen in strijd zijn met het subsidiariteitsbeginsel
omdat de noodzaak voor deze weg naar harmonisatie onvoldoende is onderbouwd.
De Kamer komt tot dit oordeel allereerst omdat dit voorstel voor een richtlijn de
lidstaten ertoe verplicht in wetgeving vast te leggen dat er een entiteit wordt ingesteld die zorg dient te dragen voor
alternatieve geschillenbeslechting met een hoog niveau van consumentenbescherming.
In Nederland bestaat er al een succesvol systeem van geschillenbeslechting. Dit systeem
is echter niet neergelegd in wetgeving, maar is gebaseerd op zelfregulering en vrijwilligheid
van de deelnemende partijen. Dit systeem is in vergelijking met andere lidstaten vrij
goed ontwikkeld te noemen. Daarbij zijn de vrijwilligheid en de zelfregulering een
succesfactor gebleken. De Kamer ziet derhalve geen reden over te gaan tot wettelijke vastlegging van een alternatief systeem van geschillenbeslechting. Zij is van oordeel
dat, teneinde de door de Europese Commissie gestelde doelen te bereiken, de Europese
Commissie heel wel kan volstaan met het nemen van beleidsmaatregelen alvorens eventueel
over te gaan tot het voorstellen van een richtlijn.
Wat betreft het voorstel voor een Richtlijn ADR consumenten valt het de Kamer bovendien
op dat er voorbij gegaan lijkt te worden aan aspecten van internationaal privaatrecht
die zich bijvoorbeeld kunnen voordoen ter beantwoording van de vraag in welke lidstaat
een ADR-entiteit over een geschil zou moeten of kunnen oordelen.
De Kamer leest verder in artikel 2 en artikel 5, tweede lid, van de voorgestelde Richtlijn
ADR consumenten dat de richtlijn niet alleen van toepassing zal zijn op grensoverschrijdende
consumentengeschillen, maar ook op binnenlandse consumentengeschillen. De Kamer is
van mening dat ook het toepassingsbereik verder gaat dan noodzakelijk is en maakt
ook op dit onderdeel een subsidiariteitsbezwaar. De Kamer ziet niet in waarom in een
Europese richtlijn moet worden vastgelegd hoe binnenlandse consumentengeschillen op
een alternatieve manier zouden moeten worden beslecht.
Subsidiariteitsbezwaren bij het voorstel voor een Verordening ODR consumenten
De Kamer merkt op dat het welslagen van het ODR-platform afhankelijk is van het goed
functioneren van de ADR-entiteiten in de lidstaten. Zolang de ADR-entiteiten in de
lidstaten niet goed functioneren, ziet de Kamer niet het nut of de noodzaak in van
een ODR-platform. Om die reden gelden bovengenoemde subsidiariteitsbezwaren evengoed
voor dit voorstel.
Tot slot merkt de Kamer op dat naar haar oordeel de consequenties van de ADR voorstellen
hoge kosten met zich mee kunnen brengen. In het systeem van alternatieve geschillenbeslechting
zoals dat nu in Nederland functioneert, worden de kosten in principe door de markt
gedragen. Als consequentie van het richtlijnvoorstel worden de kosten gedeeltelijk
overgeheveld naar de overheid. De Kamer vindt deze consequentie bezwaarlijk.
De voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, G. J. de Graaf