33 135 Wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht

Nr. 38 AMENDEMENT VAN HET LID WIEGMAN VAN MEPPELEN SCHEPPINK

Ontvangen 3 juli 2012

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

Artikel I, onderdeel F, komt te luiden:

F

Artikel 2.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn binnen een aangewezen ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.2, is gericht op de optimalisering van de milieugebruiksruimte met het oog op het versterken van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied in samenhang met het tot stand brengen van een goede milieukwaliteit.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De aanhef komt te luiden: Tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald, bevat een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid:.

b. De onderdelen a en b komen als volgt te luiden:

  • a. de voorgenomen maatregelen, projecten en werken ten behoeve van de optimalisering van de milieugebruiksruimte binnen het ontwikkelingsgebied;

  • b. de voorgenomen maatregelen, projecten en werken binnen het ontwikkelingsgebied ten behoeve van het tot stand brengen van een goede milieukwaliteit;

c. In onderdeel c wordt na «noodzakelijke maatregelen» ingevoegd: , projecten en.

d. In de onderdelen c en e wordt «gebiedsontwikkelingsplan» (telkens) vervangen door: bestemmingsplan.

e. In onderdeel f wordt de zinsnede «waarop aan de gemeenteraad een rapportage zal worden uitgebracht» vervangen door «waarop burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad een rapportage uitbrengen» en «Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» vervangen door: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

3. Het derde tot en met het dertiende lid worden vervangen door:

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld, zo nodig per aangewezen ontwikkelingsgebied, over de wijze waarop de optimalisering van de milieugebruiksruimte kan plaatsvinden.

  • 4. Met inachtneming van desbetreffende bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, kan het bestemmingsplan bestemmingen aanwijzen, regels stellen of maatregelen en werken toestaan in afwijking van bij algemene maatregel van bestuur aangegeven bepalingen bij of krachtens:

    • a. de Flora- en faunawet;

    • b. de Natuurbeschermingswet 1998;

    • c. de Ontgrondingenwet;

    • d. de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het betreft een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet;

    • e. de Wet ammoniak en veehouderij;

    • f. de Wet bodembescherming;

    • g. de Wet geluidhinder, met dien verstande dat die afwijking niet leidt tot een geluidsbelasting binnen een woning met gesloten ramen, die hoger is dan 33 dB;

    • h. de Wet geurhinder en veehouderij;

    • i. de Wet inzake de luchtverontreiniging;

    • j. de Wet milieubeheer met uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2,

    met dien verstande dat uiterlijk tien jaar nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden alsnog wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde milieukwaliteitsnormen. Indien er na deze periode niet wordt voldaan aan een milieukwaliteitsnorm geven burgemeester en wethouders aan op welke wijze alsnog aan die norm zal worden voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de maximale afwijking van milieukwaliteitsnormen.

  • 5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten die strekken ter uitvoering van het bestemmingsplan.

  • 6. Burgemeester en wethouders nemen in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven categorieën van gevallen geen besluit als bedoeld in het vijfde lid dan nadat het bestuursorgaan dat krachtens de betrokken wet bevoegd zou zijn te beslissen, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. De artikelen 2.27, tweede tot en met vijfde lid, en 3.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het uitvoeren van de maatregelen of werken, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b en c, binnen een in het bestemmingsplan te noemen termijn.

  • 8. Werken opgenomen in het bestemmingsplan worden aangemerkt als openbare werken van algemeen nut in de zin van de Belemmeringenwet Privaatrecht.

  • 9. Indien voor de uitvoering van werken als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b en c, toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is, geldt in plaats van artikel 4 van die wet dat:

    • a. tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

    • b. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, en

    • c. de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de beroepstermijn is verstreken.

  • 10. Voor zover een besluit als bedoeld in het zevende lid zijn grondslag vindt in een bestemmingsplan, kunnen de gronden in beroep daarop geen betrekking hebben.

II

Artikel 2.1.2, onderdeel Ba, vervalt.

Toelichting

Met dit amendement worden een aantal wijzigingen uit de nota van wijziging (Kamerstuk 33 135, nr. 25) teruggedraaid. Het betreft de nieuwe bevoegdheid voor burgemeester en wethouders met betrekking tot het toedelen en herverdelen van de milieugebruiksruimte in relatie tot bestaande rechten en het voorstel om dubbele toetsing op natuurwaarden voor projecten of andere handelingen te laten vervallen. De Tweede Kamer heeft namelijk onvoldoende mogelijkheden gehad om deze mogelijk ingrijpende voorstellen goed te beoordelen en de regering hierop te bevragen, en ook maatschappelijke organisaties zoals natuur- en milieuorganisaties hebben geen mogelijkheid gehad om op deze voorstellen te reageren. Voorgesteld wordt daarom deze wijzigingen te betrekken in een apart wetsvoorstel, bij de omgevingswet of bij de komende Wet natuur.

Dit amendement laat de overige wijzigingen uit de genoemde nota van wijziging overeind. Dit betreft de redactionele wijzigingen, de wijziging van de aanhef van artikel 2.3 tweede lid en het vervallen van de bijlage over de lex silencio positivo.

De tekst van het bestaande artikel 2.3, tweede lid, onderdeel b wordt in dit amendement gehandhaafd waarbij wordt aangesloten bij de redactie van onderdeel a in de nota van wijziging. Het voorgestelde onderdeel b ziet op de noodzakelijke projecten, maatregelen en werken ten behoeve van het tot stand brengen van een goede milieukwaliteit. Dit is wezenlijk anders dan het huidige onderdeel a, waar het gaat over het optimaliseren van de milieugebruiksruimte. In het eerste lid van artikel 2.3 worden deze twee doelen duidelijk onderscheiden en dat dient dus ook in het tweede lid te gebeuren, zoals dat ook het geval is in de vigerende Crisis- en Herstelwet en in het oorspronkelijke wetsvoorstel.

Wiegman-Van Meppelen Scheppink

Naar boven