De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft op 26 juni 2012 een tweede
nader verslag uitgebracht naar aanleiding van de nota van wijziging, die op 25 juni
2012 is ingediend. De commissie verzoekt de regering om de Kamer te informeren over
de mogelijkheid om de nota van wijziging zodanig aan te passen, dat enkel de wetstechnische
wijzigingen gehandhaafd blijven.
In deze nota naar aanleiding van het tweede nader verslag ga ik, mede namens de Staatssecretaris
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, in op dit verzoek.
De nota van wijziging bevat twee belangrijke aanvullingen («quick wins») op het thans
voorliggende wetsvoorstel. Deze aanvullingen zijn voorbereid in overleg met en naar
aanleiding van initiatieven van het Havenbedrijf Rotterdam in samenspraak met gemeente
en provincie, maar zodanig opgesteld dat de met deze wijziging geboden extra instrumenten
generiek toepasbaar zijn voor ontwikkelingsgebieden. Ik verwacht ook dat andere (bestaande
of nieuwe) ontwikkelingsgebieden baat kunnen hebben bij de voorgestelde verbreding
van de regeling.
De eerste belangrijke wijziging betreft de regeling voor ontwikkelingsgebieden. Voorgesteld
wordt voor dergelijke gebieden het college van burgemeester en wethouders bevoegdheden
te bieden om de milieugebruiksruimte te optimaliseren en her te verdelen, zodat het
gebied beter kan worden ingericht en benut voor allerlei activiteiten. Daardoor kunnen
niet alleen ruimtelijke initiatieven worden ondersteund maar wordt ook een efficiëntere
verdeling van de beschikbare milieuruimte en daardoor mogelijk een verbetering van
de milieukwaliteit bevorderd. De herverdeling vindt plaats binnen het bestaande plafond
aan normstelling, dat deels afkomstig is uit Europese richtlijnen.
De tweede inhoudelijke wijziging beoogt de Natuurbeschermingswet 1998 aan te vullen
waardoor projecten of handelingen binnen een ontwikkelingsgebied, waarvan de effecten
op Natura 2000 reeds in het kader van de passende beoordeling van het bestemmingsplan
voor dat gebied zijn beoordeeld, worden vrijgesteld van de vergunningplicht op grond
van de Natuurbeschermingswet 1998. Hiermee worden vergunningsprocedures vereenvoudigd
en onderzoekslasten voor initiatiefnemers beperkt, zonder dat de kwaliteit wordt aangetast.
Ik heb, gelet op de eerdere uitgebreide advisering van de Afdeling advisering van
de Raad van State over de Chw en het thans voorliggende wetsvoorstel, gemeend deze
nota van wijziging voor advies voor te moeten leggen aan de Raad. Het advies van de
Raad van 21 juni 2012 is zonder meer positief. Met betrekking tot de nieuwe mogelijkheid
om vergunningen ambtshalve te wijzigen, heeft de Raad volledig ingestemd en enkel
een nuttige aanvulling aangereikt. Dat advies heb ik dankbaar overgenomen in de aan
de Kamer toegestuurde nota van wijziging. Ook de punten ten aanzien van de aanvulling
van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn in de nota van wijziging overgenomen. Zo is
in lijn met het advies van de Raad de voorgestelde wettelijke voorziening in overeenstemming
gebracht met hetgeen daarover was opgenomen in de toelichting. De Raad merkte op dat
er ruis zat tussen de wettelijke tekst en de toelichting. Verder is – naar aanleiding
van het advies – voorzien in een check door het bevoegd gezag of een project aan de
beschrijving in het plan voldoet en of de beoordeling van het plan nog actueel is.
In juridisch-technische zin is splitsing van de nota van wijziging mogelijk, maar
daarmee zou deze nota van wijziging tot op het bot worden uitgekleed. Alleen de onderdelen
H, I en K bevatten redactionele wijzigingen, die geen enkele samenhang hebben met
de eigenlijke inhoud van de nota van wijziging. Ook het terugtrekken van de nota van
wijziging is wat mij betreft niet aan de orde. Een voorstel tot terugtrekking zou
formeel bovendien langs de Ministerraad moeten. Los daarvan sta ik natuurlijk achter
de inhoud van de voorgestelde wijziging. Een nieuwe aanpassing van het wetsvoorstel
na het reces zou dan ook een gelijke strekking hebben.
Gelet op de steun van de VNG en het IPO, de verwachting dat de regeling bredere toepassing
kan krijgen in de uitvoeringspraktijk en het positieve advies van de Raad, maar ook
gelet op de complexiteit om de voorgestelde nota van wijziging in te trekken dan wel
te splitsen, zou ik
de nota van wijziging willen behouden. Voor uw Kamer bestaat natuurlijk altijd de
mogelijkheid om de voorgestelde wettekst op dit onderdeel te amenderen.
Tot slot wil ik opmerken dat ik de nota van wijziging graag eerder aan Uw Kamer had
willen toezenden. Het advies van de Raad heb ik pas 22 juni ontvangen. Dat laat onverlet
dat Uw Kamer de U voorgelegde nota van wijziging kan beoordelen en toetsen aan de
hand van het advies van de Raad en het nader rapport. Uiteraard ben ik graag bereid
inhoudelijke vragen voor de stemming te beantwoorden.
De minister van Infrastructuur en Milieu,
M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus