Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 mei 2012
Bij de behandeling van het wetsvoorstel bankenbelasting door de Tweede Kamer is aandacht
gevraagd voor het effect van de bankenbelasting op de kredietverlening. Naar aanleiding
daarvan en de door de Tweede Kamer ingediende amendementen en moties heb ik De Nederlandsche
Bank (DNB) om advies gevraagd over het effect van een verhoogde opbrengst van de bankenbelasting
op de kredietverlening. DNB heeft haar bevindingen op 15 mei jl. aan het einde van
de dag per brief (hierna: DNB-brief) aan mij doen toekomen. Het had mijn sterke voorkeur
dat ik de Tweede Kamer de DNB-brief nog voor de stemmingen zou hebben doorgestuurd.
Doordat ik DNB enkele verhelderingvragen heb gesteld is dat helaas niet gelukt. Desalniettemin
heeft de Tweede Kamer op 22 mei jl. over het wetsvoorstel bankenbelasting gestemd.
Het voorgaande neemt niet weg dat ik er nog steeds aan hecht dat in de Tweede en Eerste
Kamer kennis kan worden genomen van de bevindingen van DNB. Vandaar dat ik u deze
begeleidende brief en de DNB-brief1 doe toekomen.
Alvorens ik toekom aan een korte uiteenzetting van de inhoud van de DNB-brief en de
gestelde verhelderingsvragen, een enkele opmerking over de uitkomst van de stemmingen
over het wetsvoorstel bankenbelasting. Het verheugt mij zeer dat de Tweede Kamer heeft
geoordeeld dat de doelmatigheidsvrijstelling op € 20 miljard is gehandhaafd. Ook ben
ik de Tweede Kamer erkentelijk dat de opbrengst van de bankenbelasting niet is verhoogd
tot € 1 miljard. De opbrengst van de bankenbelasting is als gevolg van het aangenomen
amendement Braakhuis2 wel verhoogd naar € 600 miljoen. Deze verdubbeling, die strookt met de afspraken
uit het Begrotingsakkoord3, komt bovenop de overige maatregelen waarmee de banken worden geconfronteerd. Om
het cumulatieve effect voor de banken enigszins te mitigeren kan ik uw Kamer, mede
namens de minister van Financiën, toezeggen dat de ex ante financiering van het depositogarantiestelsel
wordt getemporiseerd waardoor die ex ante financiering niet per 1 juli 2012 in werking
zal treden maar per 1 juli 2013.
DNB benadrukt in haar brief dat het effect van de bankenbelasting op de kredietverlening
moeilijk kwantificeerbaar is. Het zal dan ook gaan om een grove benadering van het
effect op de kredietverlening. DNB analyseert daarom het effect van een bankenbelasting
van jaarlijks € 600 miljoen aan de hand van twee scenario’s. Ik heb DNB vragen gesteld
over de waarschijnlijkheid van beide scenario’s. DNB kon hier geen nadere duiding
aan geven. Het gaat in de eerste plaats om een scenario voor normale omstandigheden
waarbij banken de bankenbelasting volledig doorbereken aan klanten via hogere rentes.
In dit geval is het effect op huizenprijzen en economische groei klein. Daarnaast
analyseert DNB een scenario waarin banken niet in staat zijn de belasting door te
berekenen aan klanten of ten laste te brengen van (loon)kosten – en banken bovendien
al hun winst nodig hebben om kun kapitaalbuffers te verhogen. Onder deze omstandigheden
heeft een bankenbelasting wel grote effecten op de kredietverlening en daardoor ook
op de huizenmarkt en groei. Over dit laatste scenario zijn nadere vragen gesteld,
in het bijzonder naar de veronderstellingen die DNB hierbij hanteert. Navraag wijst
uit dat DNB er in dat scenario van uit gaat dat tien jaar lang alle winst van banken
nodig is om buffers op te bouwen en dat de banken deze periode geen additioneel kapitaal
op de markt kunnen aantrekken. Voorts veronderstelt DNB dat er geen doorrekening plaatsvindt
via hogere rentes of lagere (loon)kosten. Onder deze veronderstellingen daalt de kredietverlening
met de belasting vermenigvuldigd met de gemiddelde hefboom van banken (€ 600 miljoen
* 33 1/3 = € 20 miljard per jaar). Volgens DNB moet dit dan ook als het meest negatieve
scenario worden beschouwd. Volgens DNB ligt het daadwerkelijke effect op de kredietverlening
bij een bankenbelastingopbrengst van € 600 miljoen derhalve ergens tussen twee in
de brief beschreven scenario’s in. Naarmate de opbrengst verder wordt verhoogd4, bewegen de gevolgen zich steeds meer naar het scenario waarin de bankenbelasting
volledig ten laste van de kredietverlening gaat. DNB stelt ten slotte in zijn algemeenheid
vast dat een bankenbelasting leidt tot een toename van prudentiële risico’s en slecht
verenigbaar is met de wenselijkheid de kredietverlening voor huishoudens en het bedrijfsleven
op peil te houden.
Aangezien het daadwerkelijke effect van de bankenbelasting op de kredietverlening
met veel onzekerheid omgeven is, zal DNB, conform de toezegging5 tijdens de plenaire behandeling van de bankenbelasting in de Tweede Kamer, de effecten
op de kredietverlening van verschillende maatregelen waarmee de banken worden geconfronteerd,
blijven monitoren. Op die manier kan, mocht dat nodig zijn, tijdig en accuraat worden
gereageerd op ontwikkelingen in de kredietverlening.
De staatssecretaris van Financiën,
F. H. H. Weekers