33 118 Omgevingsrecht

DK VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 maart 2022

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving1 hadden kennisgenomen van de brief van 13 december 2021 inzake de versterking van het stelsel van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH-stelsel).2

De leden van de fractie van GroenLinks wensten, mede namens de leden van de fracties van de PvdA en de PvdD, een aantal vragen te stellen. De leden van de fractie van de SP sloten zich bij de door de fractieleden van GroenLinks gestelde vragen aan.

Naar aanleiding hiervan is op 1 februari 2022 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.

De Staatssecretaris heeft op 28 februari 2022 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, Dragstra

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR INFRASTRUCTUUR, WATERSTAAT EN OMGEVING

Aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat

Den Haag, 1 februari 2022

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van uw ambtsvoorganger van 13 december 2021 inzake de versterking van het stelsel van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH-stelsel).3

De leden van de fractie van GroenLinks wensen u, mede namens de leden van de fracties van de PvdA en de PvdD, de volgende vragen te stellen. De leden van de fractie van de SP sluiten zich bij de door de fractieleden van GroenLinks gestelde vragen aan.

De leden van de fracties van GroenLinks, de PvdA en de PvdD bedanken de regering voor voormelde brief en in het bijzonder voor het rapport «Om de leefomgeving. Omgevingsdiensten als gangmaker van het bestuur» van de adviescommissie VTH in het milieudomein, onder voorzitterschap van de heer J.J. van Aartsen (commissie-Van Aartsen).4 De zorgen over de kwaliteit, onafhankelijkheid en omvang van de omgevingsdiensten die uit het rapport van de commissie-Van Aartsen naar voren komen, zijn groot. Deze leden zijn dan ook verheugd te lezen dat de regering zich dit aantrekt. Tegelijkertijd maken de leden van de fracties van GroenLinks, de PvdA en de PvdD zich zorgen over het uitblijven van concrete verbeteringen en de naderende omzetting naar de Omgevingswet, waar voor de kwaliteit van de leefomgeving nog zwaarder op het toezicht en de handhaving geleund gaat worden. Gelet hierop hebben deze leden de volgende vragen voor de regering.

De regering stelt op meerdere plaatsen in de brief dat de rol en taak van de omgevingsdiensten onder de Omgevingswet verzwaard dan wel geïntensiveerd zullen worden ten opzichte van de huidige situatie. De fractieleden van GroenLinks, de PvdA en de PvdD hebben op meerdere momenten aandacht voor deze verschuiving gevraagd en de toezegging5 gekregen dat er een uitvoeringstoets bij de omgevingsdiensten wordt gedaan voordat tot invoering van de Omgevingswet wordt overgegaan.

Is de regering voornemens om deze uitvoeringstoets op korte termijn uit te voeren zodat bij de besluitvorming over de invoeringsdatum van de Omgevingswet duidelijkheid bestaat over de uitvoeringsmogelijkheden van deze wet bij de omgevingsdiensten? Zo ja, wanneer kan de uitvoeringstoets gereed zijn?

Zo niet, hoe heeft de regering zich vergewist van voldoende uitvoeringskwaliteit bij de omgevingsdiensten onder de Omgevingswet? Wat is er substantieel gewijzigd bij de omgevingsdiensten dat de beschreven situatie uit het rapport van de commissie-Van Aartsen nu niet meer bestaat?

Hoe heeft de regering zich ervan vergewist dat de uitvoeringscapaciteit bij de omgevingsdiensten voldoende is om de normen uit de Omgevingswet daadwerkelijk te kunnen handhaven in de praktijk? Welke uitvoeringscapaciteit is daarvoor nodig? Welke capaciteit is (naar schatting) beschikbaar op 1 juli 2022, de beoogde datum van invoering van de Omgevingswet?

Kan de regering aangeven welke verschuiving in capaciteit er bij de omgevingsdiensten van de vergunningverlening naar het toezicht en handhaving in de komende periode zal gaan plaatsvinden?

De regering schrijft in haar brief de probleemanalyse en de aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen te ondersteunen. Tegelijkertijd moeten de leden van de fracties van GroenLinks, de PvdA en de PvdD ook constateren dat aan de concrete aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen met name door onderzoeken, gesprekken of door de nieuwe regering invulling moet worden gegeven.

Het rapport van de commissie-Van Aartsen is bijna twaalf maanden geleden gepubliceerd. Waarom is de regering er niet in geslaagd om in deze periode met concrete invullingen van de aanbevelingen te komen? Heeft de regering het gevoel dat zij op dit moment voldoende mogelijkheden heeft om haar taak als stelselverantwoordelijke op een verantwoorde wijze in te vullen?

De aanbeveling om omgevingsdiensten te voorzien van een kritische massa, vult de regering in met een gesprek met decentrale overheden. Waarom is niet gekozen voor een meer zekere aanpak waarbij het Rijk zelfstandig en op voorhand formuleert hoe deze minimale kwaliteit en omvang eruit moeten zien?

De regering stelt zichzelf de vraag welke minimale eisen voor kwaliteit en robuustheid bij omgevingsdiensten nodig zijn om deskundig en professioneel te kunnen opereren.6 Is de regering het met de fractieleden van GroenLinks, de PvdA en de PvdD eens dat de stelselverantwoordelijke overheidslaag deze vraag toch wel zelfstandig zou moeten kunnen beantwoorden? Waarom is er zoveel maanden na de publicatie van het rapport van de commissie-Van Aartsen nog een verkenning nodig over deze aanbeveling?

Waarom kiest de regering ervoor om de landelijke criteria voor de omgevingsdiensten samen met de provincies en gemeenten op te stellen? Op welke wijze waarborgt de regering dat bij deze afstemming niet de bodem onder de kwaliteit en omvang van de omgevingsdiensten wordt weggeslagen? Het Rijk is immers in gesprek met decentrale overheden over de financiering van het takenpakket van gemeenten.

Waren er ambtelijke adviezen ten aanzien van het rapport van de commissie-Van Aartsen ten tijde van de coalitieonderhandelingen beschikbaar voor de onderhandelaars? Zo ja, kan de Kamer deze dan ook ontvangen en kan de regering dan aangeven waarom deze wel of niet een plaats in het coalitieakkoord hebben gekregen?

Bij aanbeveling 3 geeft de regering aan dat het VTH-stelsel «zo ingericht moet zijn dat steeds het voldoen aan de normen wordt bevorderd». Is de regering het met de fractieleden van GroenLinks, de PvdA en de PvdD eens dat dit een nogal vage omschrijving is van de rol en taak van omgevingsdiensten; namelijk het toezicht en de handhaving van de wettelijke normen en regels door bedrijven (en voor zover van toepassing, bewoners)?

Kan de regering aangeven hoeveel fte er bij de nationale politie beschikbaar is voor informatie en recherchecapaciteit milieu? Waardoor wordt het verschil tussen de genoemde 412 fte die de regering noemt en de conclusies van de commissie-Van Aartsen verklaard?

Welke beleidsopties heeft de regering wanneer het Openbaar Ministerie en de regioburgemeesters concluderen dat ze niet meer prioriteit willen geven aan milieucriminaliteit?

Kan de regering de stand van zaken aangeven na vaststelling van het coalitieakkoord ten aanzien van de versterking van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) en de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD)?

Kan de regering aangeven welke middelen decentrale overheden ontvangen voor de uitvoering van het (vastgelegde) basistakenpakket? Welke instrumenten gaat de regering inzetten wanneer gemeenten aangeven vanwege hun precaire financiële situatie geen extra investeringen te kunnen doen in de omgevingsdiensten? Kan de regering daarbij in het bijzonder ingaan op aanbeveling 6 van het rapport van de commissie-Van Aartsen ten aanzien van de versterking van de kennisinfrastructuur en innovatie? Kan de regering dit ook vanuit financieel oogpunt invullen voor de taken die (in ieder geval tijdelijk) uitgebreid worden vanwege het verbeteren van de informatiehuishouding?

Wanneer kan de Kamer de wettelijke grondslag voor de inspectieview van de regering verwachten?

Kan de regering de Kamer nader informeren over de versterking van de Omgevingsdienst NL en Brzo+? In welke periode verwacht de regering dat extra middelen beschikbaar komen?

Ten aanzien van aanbeveling 8 van het rapport van de commissie-Van Aartsen: kan de regering aangeven hoe het beter democratisch borgen van het takenpakket van de omgevingsdiensten kan helpen om de onafhankelijkheid te garanderen? Immers, gesprekken in de raden en staten zijn regelmatig de aanleiding geweest om de omgevingsdiensten juist minder robuust te maken. Welke andere opties zijn overwogen door de regering? Waarom is niet gekozen voor een optie op nationaal niveau, zoals de commissie-Van Aartsen heeft geadviseerd?

Waarom kiest de regering niet voor de optie van «handhavingsambtenaar met beslisbevoegdheid»? Waarom is hier nog overleg met gemeenten en provincies voor nodig?

Kan de regering de Kamer ook de onderzoeken en rapportages doen toekomen waarnaar wordt verwezen onder aanbeveling 9 in het rapport van de commissie-Van Aartsen?

De fractieleden van GroenLinks, de PvdA en de PvdD zijn verbaasd dat zes maanden voor de beoogde invoeringsdatum van de Omgevingswet nog een onderzoek moet worden gestart naar hoe aanbeveling 10 van het rapport van de commissie-Van Aartsen ingevuld gaat worden. De Kamer heeft meerdere keren aandacht gevraagd voor de wijze waarop omgevingsdiensten in de nieuwe situatie hun taak moeten kunnen invullen. Gemeenten stellen nu overal in Nederland hun omgevingsplannen op. Eventuele knelpunten in de het toezicht en de handhaving door de omgevingsdiensten van deze omgevingsplannen moeten bekend zijn op het moment dat de omgevingsplannen nog aangepast kunnen worden. Kan de regering aangeven hoe zij gaat waarborgen dat er in Nederland geen omgevingsplannen worden ingevoerd die nog grote problemen kennen voor het toezicht erop en de handhaving ervan? Welke stappen gaat de regering ondernemen om dit te voorkomen en welke zekerheden schept zij, zodat burgers en derde-belanghebbenden na 1 juli 2022 niet geconfronteerd worden met niet handhaafbare omgevingsplannen?

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, H.J. Meijer

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 februari 2022

Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen over de versterking van het VTH-stelsel die op 1 februari jl. zijn gesteld door de leden van GroenLinks, de SP, de PvdD en de PvdA van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving met het kenmerk 168656.06U.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, V.L.W.A. Heijnen

ANTWOORDEN OP VRAGEN EERSTE KAMER 168656.06U

Vragen van de leden van de fracties van GroenLinks, de PvdA en PvdD

(De leden van de fractie van de SP sluiten zich bij de door de fractieleden van GroenLinks gestelde vragen aan.)

Vraag 1:

De regering stelt op meerdere plaatsen in de brief dat de rol en taak van de omgevingsdiensten onder de Omgevingswet verzwaard dan wel geïntensiveerd zullen worden ten opzichte van de huidige situatie. De fractieleden van GroenLinks, de PvdA en de PvdD hebben op meerdere momenten aandacht voor deze verschuiving gevraagd en de toezegging gekregen dat er een uitvoeringstoets bij de omgevingsdiensten wordt gedaan voordat tot invoering van de Omgevingswet wordt overgegaan. Is de regering voornemens om deze uitvoeringstoets op korte termijn uit te voeren zodat bij de besluitvorming over de invoeringsdatum van de Omgevingswet duidelijkheid bestaat over de uitvoeringsmogelijkheden van deze wet bij de omgevingsdiensten? Zo ja, wanneer kan de uitvoeringstoets gereed zijn? Zo niet, hoe heeft de regering zich vergewist van voldoende uitvoeringskwaliteit bij de omgevingsdiensten onder de Omgevingswet? Wat is er substantieel gewijzigd bij de omgevingsdiensten dat de beschreven situatie uit het rapport van de commissie-Van Aartsen nu niet meer bestaat?

Antwoord vraag 1:

Met de voorziene opvolging van de aanbevelingen 1 (verhoging ondergrens omgevingsdiensten) en 2 (verhoging kwaliteit omgevingsdiensten) van de commissie Van Aartsen wordt het belang van de kwaliteit van de uitvoering onderstreept. Met de acties beschreven in de Kamerbrief versterking VTH-stelsel7wil ik zorgen voor voldoende kritische massa en robuustheid van de omgevingsdiensten.

U refereert daarnaast aan het debat van 13 januari 2021 over de Omgevingswet en daar volgens u gedane toezeggingen (nummer T03130 – Toezegging Regelen drietal aspecten rondom de invoering van de Omgevingswet (33 118 / 34 986)). De Eerste Kamer is op 30 april 2021 per brief8 geïnformeerd over de uit drie daarin aangehaalde punten. De Minister van Binnenlandse Zaken (BZK) heeft benadrukt dat tijdens het debat van 13 januari 2021 niet is toegezegd dat de aangedragen punten worden herkend. In het debat is begrip geuit voor de zekerheid die de Kamer wil en erkend dat het belangrijke punten zijn voor de implementatie van de Omgevingswet. Daarmee is zoals bij u bekend geen toezegging gedaan tot een specifieke uitvoeringstoets voor deze organisaties. In de brief van 30 april 2021 bent u geïnformeerd over de uitvoering van gedane toezeggingen over de voortgang van de implementatie bij onder andere de omgevingsdiensten (Kamerstukken I, 2020/21, 33 118, CC). Dit is richting uw Kamer op 12 november 2021 tevens aangegeven bij het rappel op de toezeggingen9.

Zoals bij u bekend is er bij de totstandkoming van de Omgevingswet en de onderliggende regelgeving een uitvoerings- en handhavingstoets gedaan (de zogenaamde HUF-toets) en zijn er voor alle betrokkene mogelijkheden geweest voor inspraak. Richting inwerkingtreding is er contact en overleg met de uitvoeringspartijen. Dat contact is er ook met de omgevingsdiensten, onder andere over de voortgang van de implementatie van de Omgevingswet. Daaruit blijkt dat waar het gaat om de doelstellingen van de Omgevingswet de omgevingsdiensten positief zijn. Voor hen is het belangrijk dat de doelstellingen de kwaliteit van de fysieke leefomgeving borgen. De voorbereiding op de Omgevingswet heeft vooruitlopend op de inwerkingtreding ook verbetering gebracht. Er zijn concrete werkafspraken gemaakt met ketenpartners en werkprocessen vastgelegd. De medewerkers van de omgevingsdiensten zijn opgeleid op de inhoud van de Omgevingswet en worden dit jaar verder opgeleid in de vaardigheden die nodig zijn om hun taken in overeenstemming met de doelen van de Omgevingswet uit te voeren. Na inwerkingtreding van de wet is er via de monitoring en evaluatie de mogelijkheid om bij te sturen, dit geldt ook voor de omgevingsdiensten.

Vraag 2:

Hoe heeft de regering zich ervan vergewist dat de uitvoeringscapaciteit bij de omgevingsdiensten voldoende is om de normen uit de Omgevingswet daadwerkelijk te kunnen handhaven in de praktijk? Welke uitvoeringscapaciteit is daarvoor nodig? Welke capaciteit is (naar schatting) beschikbaar op 1 juli 2022, de beoogde datum van invoering van de Omgevingswet?

Antwoord vraag 2:

Er komen niet meer normen onder de Omgevingswet. Wel zijn ze soms anders geformuleerd of staan ze op een andere plaats in de regelgeving. De omgevingsdiensten zijn druk bezig om zich voor te bereiden op deze veranderingen. Dit proces van aanpassing kost wel capaciteit. Maar het gaat hier niet om inhoudelijke wijzigingen (meer of andere normen) en daarom zal het om een tijdelijke inspanning gaan. Ik verwacht niet dat de uitvoeringscapaciteit onder het stelsel van de Omgevingscapaciteit structureel onvoldoende zou zijn noch bereiken mij signalen hierover.

Vraag 3:

Kan de regering aangeven welke verschuiving in capaciteit er bij de omgevingsdiensten van de vergunningverlening naar het toezicht en handhaving in de komende periode zal gaan plaatsvinden?

Antwoord vraag 3:

Onder de Omgevingswet zullen meer activiteiten met algemene regels gereguleerd worden. Hierdoor zal minder vergunningverlening plaatsvinden, maar meer toezicht gehouden en gehandhaafd moeten worden. Deze verschuiving zal het grootst zijn bij de taken die buiten het basistakenpakket vallen. De commissie Van Aartsen stelt ook: «de positie van de omgevingsdienst in termen van het basistakenpakket verandert hiermee niet, het werk wel».

Omdat ik geen opdrachtgever ben van de omgevingsdiensten, kan ik u op dit moment geen cijfermatige onderbouwing geven van de mogelijke verschuiving in capaciteit van vergunningverlening naar toezicht en handhaving. Bij een toekomstig vervolg van het onderzoek «Omgevingsdiensten in beeld»10 (vermoedelijk resulterend in een periodieke «Staat van de Omgevingsdiensten») kan ik dit beeld wel geven.

Vraag 4:

Het rapport van de commissie-Van Aartsen is bijna twaalf maanden geleden gepubliceerd. Waarom is de regering er niet in geslaagd om in deze periode met concrete invullingen van de aanbevelingen te komen? Heeft de regering het gevoel dat zij op dit moment voldoende mogelijkheden heeft om haar taak als stelselverantwoordelijke op een verantwoorde wijze in te vullen?

Antwoord vraag 4:

Met u voel ik de urgentie om met het rapport van de commissie Van Aartsen aan de slag te gaan. Mijn voorgangers hebben hiervoor de bal op de stip gelegd. Zij hebben de noodzakelijke aanvullende onderzoeken gedaan en u op 13 december jl. de Kamerbrief versterking VTH-stelsel toegestuurd waarin is aangegeven welke acties nodig zijn voor de opvolging van de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen. Vanaf het tweede kwartaal werk ik met provincies, gemeenten en omgevingsdiensten deze acties uit. Dit gaan we doen in een interdepartementaal programma. Ik zal u regelmatig over de voortgang van het programma informeren.

Vraag 5:

De aanbeveling om omgevingsdiensten te voorzien van een kritische massa, vult de regering in met een gesprek met decentrale overheden. Waarom is niet gekozen voor een meer zekere aanpak waarbij het Rijk zelfstandig en op voorhand formuleert hoe deze minimale kwaliteit en omvang eruit moeten zien?

Antwoord vraag 5:

Omgevingsdiensten moeten robuust zijn en beschikken over voldoende kritische massa. De commissie Van Aartsen geeft aan dat door het verminderen van het aantal omgevingsdiensten meer kritische massa ontstaat. Dit grijpt in op de rol van provincies en gemeenten als eigenaren van de omgevingsdiensten. Ik ga daarom in overleg met deze partijen en Omgevingsdienst NL hoe het beste invulling gegeven kan worden aan deze aanbeveling. Alhoewel dit zeker enige tijd zal vragen heb ik er vertrouwen in dat met deze aanpak een goed resultaat gaat ontstaan.

Vraag 6:

De regering stelt zichzelf de vraag welke minimale eisen voor kwaliteit en robuustheid bij omgevingsdiensten nodig zijn om deskundig en professioneel te kunnen opereren. Is de regering het met de fractieleden van GroenLinks, de PvdA en de PvdD eens dat de stelselverantwoordelijke overheidslaag deze vraag toch wel zelfstandig zou moeten kunnen beantwoorden? Waarom is er zoveel maanden na de publicatie van het rapport van de commissie-Van Aartsen nog een verkenning nodig over deze aanbeveling?

Antwoord vraag 6:

Het is essentieel dat een omgevingsdienst voldoende deskundige medewerkers heeft die hun werk met een vastgestelde continuïteit kunnen doen.

Dit is de kritische massa van een omgevingsdienst. Op basis van de bestaande modelverordeningen van IPO en VNG en het kwantitatief onderzoek Omgevingsdiensten in Beeld wil ik samen met provincies en gemeenten landelijke kwaliteitscriteria opstellen voor de kritische massa.

Ik ben er voorstander van om het algemeen bestuur van de omgevingsdienst de bevoegdheid te geven om regionaal het benodigde deskundigheidsniveau van omgevingsdiensten vast te stellen. Omdat dit kan botsen met het principe van verlengd lokaal bestuur, onderzoek ik met de partners hoe het benodigde deskundigheidsniveau van omgevingsdiensten kan worden vastgesteld.

Vraag 7:

Waarom kiest de regering ervoor om de landelijke criteria voor de omgevingsdiensten samen met de provincies en gemeenten op te stellen? Op welke wijze waarborgt de regering dat bij deze afstemming niet de bodem onder de kwaliteit en omvang van de omgevingsdiensten wordt weggeslagen? Het Rijk is immers in gesprek met decentrale overheden over de financiering van het takenpakket van gemeenten.

Antwoord vraag 7:

Ik deel de mening van de commissie Van Aartsen dat het belangrijk is dat het kennisniveau van de medewerkers van de omgevingsdiensten voldoende is om goed toegerust te zijn voor de specifieke toezichtstaken op deze bedrijven en het goede gesprek te kunnen voeren met het bedrijfsleven. Om te komen tot een goede set van landelijke criteria voor de minimaal vereiste kritische massa, die het gehele terrein van eenvoudige tot meer complexe toezichtstaken beslaan, is het noodzakelijk dat alle partners in het VTH-stelsel zich daar met gezamenlijke inspanning, kennis en ervaring op richten. Vandaar dat ik deze opgave samen met provincies en gemeenten oppak. Hiermee geef ik een impuls aan het vereiste kwaliteitsniveau van de omgevingsdiensten en worden de omgevingsdiensten versterkt. Als er landelijke criteria zijn voor de minimaal vereiste kritische massa is dit mede een basis voor het bepalen van de benodigde financiering voor de omgevingsdiensten.

Vraag 8:

Waren er ambtelijke adviezen ten aanzien van het rapport van de commissie-Van Aartsen ten tijde van de coalitieonderhandelingen beschikbaar voor de onderhandelaars? Zo ja, kan de Kamer deze dan ook ontvangen en kan de regering dan aangeven waarom deze wel of niet een plaats in het coalitieakkoord hebben gekregen?

Antwoord vraag 8:

Met betrekking tot het rapport van de commissie Van Aartsen zijn vanuit de coalitieonderhandelingen geen vragen gesteld aan het Ministerie van IenW. Om die reden is hierover geen informatie aangeleverd vanuit het Ministerie van IenW aan de onderhandelingstafel. Wel is door de heer Van Aartsen (voorzitter van de Adviescommissie VTH) en de heer Van den Bos (Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport) in juni 2021 een brief over het toezicht op milieu gestuurd aan mevrouw Hamer (toenmalig informateur). U treft deze brief bijgaand.

Vraag 9:

Bij aanbeveling 3 geeft de regering aan dat het VTH-stelsel «zo ingericht moet zijn dat steeds het voldoen aan de normen wordt bevorderd». Is de regering het met de fractieleden van GroenLinks, de PvdA en de PvdD eens dat dit een nogal vage omschrijving is van de rol en taak van omgevingsdiensten; namelijk het toezicht en de handhaving van de wettelijke normen en regels door bedrijven (en voor zover van toepassing, bewoners)?

Antwoord vraag 9:

Het VTH-stelsel bestaat uit veel partijen die met elkaar zorgen voor het bevorderen dat bedrijven steeds voldoen aan de normen. Zo zorgen de buitengewoon opsporingsambtenaren van de omgevingsdiensten samen met politie, bijzondere opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie voor de strafrechtelijke handhaving. Er wordt risicogericht gewerkt om op die manier maximaal effect te sorteren in de naleving van de normen door bedrijven.

Vraag 10:

Kan de regering aangeven hoeveel fte er bij de nationale politie beschikbaar is voor informatie en recherchecapaciteit milieu? Waardoor wordt het verschil tussen de genoemde 412 fte die de regering noemt en de conclusies van de commissie-Van Aartsen verklaard?

Antwoord vraag 10:

Hoewel de milieuteams van de politie zich inzetten voor de opsporing van milieudelicten, kunnen zij de inzet niet altijd doen. De politie staat onder druk en de samenleving verwacht veel van de politie. Er zijn situaties waar andere onderwerpen tijdelijk meer prioriteit moeten krijgen waardoor ook aan medewerkers van de milieuteams wordt gevraagd tijdelijk andere opsporingstaken te doen.

Vraag 11:

Welke beleidsopties heeft de regering wanneer het Openbaar Ministerie en de regioburgemeesters concluderen dat ze niet meer prioriteit willen geven aan milieucriminaliteit?

Antwoord vraag 11:

De Minister van Justitie en Veiligheid (JenV) is met de regioburgemeesters en de politie in gesprek over de invulling van de Veiligheidsagenda voor de komende jaren. Hierbij wordt bekeken of de inzet op de aanpak van milieucriminaliteit daarin een plek kan krijgen. Als het Openbaar Ministerie en de regioburgemeesters niet meer prioriteit willen geven aan de aanpak van milieucriminaliteit, wordt vanuit het Rijk in ieder geval ingezet op voortzetting van de huidige inzet en een versterking van de bestuursrechtelijke handhaving.

Vraag 12:

Kan de regering de stand van zaken aangeven na vaststelling van het coalitieakkoord ten aanzien van de versterking van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) en de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD)?

Antwoord vraag 12:

De afspraken uit het coalitieakkoord worden uitgewerkt in een integraal beleidsprogramma IenW dat uiterlijk op 13 mei 2022 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. In dit beleidsprogramma wordt beschreven hoe de ambities en concrete afspraken uit het coalitieakkoord, waaronder de inzet van de middelen voor VTH, tot uitvoering worden gebracht. Overigens bekijk ik hoe de afspraken uit het coalitieakkoord uitgewerkt worden voor de versterking van het VTH-stelsel waaronder de versterking van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport. De versterking van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Vraag 13:

Kan de regering aangeven welke middelen decentrale overheden ontvangen voor de uitvoering van het (vastgelegde) basistakenpakket? Welke instrumenten gaat de regering inzetten wanneer gemeenten aangeven vanwege hun precaire financiële situatie geen extra investeringen te kunnen doen in de omgevingsdiensten? Kan de regering daarbij in het bijzonder ingaan op aanbeveling 6 van het rapport van de commissie-Van Aartsen ten aanzien van de versterking van de kennisinfrastructuur en innovatie? Kan de regering dit ook vanuit financieel oogpunt invullen voor de taken die (in ieder geval tijdelijk) uitgebreid worden vanwege het verbeteren van de informatiehuishouding?

Antwoord vraag 13:

Op 17 september jl. heeft mijn voorganger het rapport «Omgevingsdiensten in beeld»11 aan de Tweede Kamer toegestuurd. Uit dit rapport blijkt dat ongeveer de helft van de totale begroting van ruim 570 miljoen euro van de omgevingsdiensten gaat naar de uitvoering van het basistakenpakket. Deze 570 miljoen euro zijn de gelden die omgevingsdiensten van hun eigenaren/opdrachtgevers (provincies en gemeenten) ontvangen voor hun taakuitvoering. Deze middelen komen uit het Provincie- en Gemeentefonds.

De commissie Van Aartsen stelt vast dat de huidige bekostiging van omgevingsdiensten niet past bij de gewenste slagvaardigheid en effectiviteit. Ik zet me samen met provincies en gemeenten in om het instrumentarium voor de bekostiging van de omgevingsdiensten te herzien. Het opstellen van een algemene norm voor de bekostiging van omgevingsdiensten garandeert dat de opgedragen taken goed kunnen worden uitgevoerd.

Verder onderzoek ik hoe het Rijk financieel kan bijdragen aan de uitvoering van de overkoepelende taken van omgevingsdiensten die van belang zijn voor het VTH-stelsel, zoals de versterking van de kennisopbouw en kennisdeling en het verbeteren van de informatiehuishouding en datakwaliteit. De ambities en middelen uit het coalitieakkoord worden uitgewerkt in een integraal beleidsprogramma IenW dat uiterlijk op 13 mei 2022 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. In dit beleidsprogramma wordt beschreven hoe de ambities uit het coalitieakkoord tot uitvoering worden gebracht en de toegezegde middelen worden ingezet. Hierbij wordt ook ingegaan op de middelen die nodig zijn voor de versterking van de kennisinfrastructuur, innovatie en het verbeteren van de informatiehuishouding en datakwaliteit.

Vraag 14:

Wanneer kan de Kamer de wettelijke grondslag voor de inspectieview van de regering verwachten?

Antwoord vraag 14:

Om aansluiting op Inspectieview als hét systeem voor het uitwisselen van milieugegevens wettelijk te verplichten is aanpassing van het Omgevingsbesluit (Ob) en de Omgevingswet (Ow) nodig. Ik streef ernaar het wetsvoorstel voor aanpassing van de Ow halverwege 2023 aan de Tweede Kamer aan te bieden.

Vraag 15:

Kan de regering de Kamer nader informeren over de versterking van de Omgevingsdienst NL en Brzo+? In welke periode verwacht de regering dat extra middelen beschikbaar komen?

Antwoord vraag 15:

Met (een deel van) de beschikbaar gekomen gelden uit het coalitieakkoord ga ik de komende maanden aan de slag om deze versterking te realiseren.

Dit doe ik samen met alle partners in het VTH-stelsel in een interbestuurlijk programma. Daarbij wil ik Omgevingsdienst NL en BRZO+ als robuuste kennisinstituten voor de omgevingsdiensten in positie brengen voor alle zaken die omgevingsdiensten overstijgen. Ik denk dan aan opleidingen, kennisopbouw, het beheren van de benodigde kennisinfrastructuur en coördinatie van visitatie.

De afspraken uit het coalitieakkoord worden uitgewerkt in een integraal beleidsprogramma IenW dat uiterlijk 13 mei 2022 aan de Kamer wordt aangeboden. In dit beleidsprogramma wordt beschreven «hoe» de ambities en concrete afspraken uit het coalitieakkoord, waaronder de inzet van de middelen voor VTH, tot uitvoering worden gebracht. Naar verwachting kunnen dan mogelijk voor de zomer middelen beschikbaar komen.

Vraag 16:

Ten aanzien van aanbeveling 8 van het rapport van de commissie-Van Aartsen: kan de regering aangeven hoe het beter democratisch borgen van het takenpakket van de omgevingsdiensten kan helpen om de onafhankelijkheid te garanderen? Immers, gesprekken in de raden en staten zijn regelmatig de aanleiding geweest om de omgevingsdiensten juist minder robuust te maken. Welke andere opties zijn overwogen door de regering? Waarom is niet gekozen voor een optie op nationaal niveau, zoals de commissie-Van Aartsen heeft geadviseerd?

Antwoord vraag 16:

Mijn voorganger heeft in de Kamerbrief versterking VTH-stelsel aangegeven dat het versterken van de onafhankelijkheid van het toezicht en de handhaving cruciaal is voor een stevig VTH-stelsel en noodzakelijk om de effectiviteit en slagvaardigheid van het stelsel te vergroten. Ik ben van oordeel dat onafhankelijkheid op alle niveaus (landelijk, regionaal en lokaal) in vergelijkbare mate moet zijn geborgd. Hierbij horen toezichthouders naar mijn overtuiging zelfstandig en onafhankelijk handhavingsafwegingen te kunnen maken.

Vanzelfsprekend bepaalt het bevoegd gezag via haar beleid de prioriteiten van de omgevingsdiensten, maar in de uitvoering van haar taken op het gebied van toezicht en handhaving moeten omgevingsdiensten tegelijkertijd onafhankelijk kunnen opereren. Hierop moet natuurlijk ook democratische controle kunnen plaatsvinden via de gemeenteraden en provinciale staten. Dit betekent dat als het college van BenW dan wel gedeputeerde staten gebruik wil maken van de ruimte om een aanwijzing aan een omgevingsdienst te geven, zij dit meldt aan gemeenteraad of provinciale staten. Op die manier is de democratische legitimiteit van het besluit meteen geborgd. Dit is in lijn met de relatie tussen Rijk en de rijksinspecties12. Graag wil ik samen met provincies en gemeenten een voorstel formuleren hoe dit ook op decentraal niveau precies ingericht wordt.

Van het inrichten van VTH-taken op nationaal niveau is geen sprake. Dit is ook niet door de commissie Van Aartsen geadviseerd. Dit zou een zeer fundamentele aanpassing van het huidige VTH-stelsel zijn. De commissie van Aartsen geeft aan hier juist geen voorstander van te zijn.

Vraag 17:

Waarom kiest de regering niet voor de optie van «handhavingsambtenaar met beslisbevoegdheid»? Waarom is hier nog overleg met gemeenten en provincies voor nodig?

Antwoord vraag 17:

In de Kamerbrief versterking VTH-stelsel heeft mijn voorganger aangegeven dat ik de onafhankelijkheid van de uitvoering van toezicht en handhaving mede wil versterken door de positie van de directeur van een omgevingsdienst op vergelijkbare manier in te vullen als de functie van heffingsambtenaar in de belastingwetgeving. Naar analogie daarvan kan via attributie de directeur van een omgevingsdienst aangewezen worden als handhavingsambtenaar met de bevoegdheid te beslissen over bestuurlijke strafbeschikking, lasten onder dwangsom, bestuurlijke boetes en bestuursdwang. Daarbij blijven de gemeenten en provincies bevoegd voor het vaststellen van milieuregels en -beleid. Dit is een aanpassing binnen het huidige VTH-stelsel, maar het betreft wel een ingrijpende aanpassing. In het VTH-stelsel zijn de provincies en gemeenten de eigenaren en opdrachtgevers van de omgevingsdiensten. Een wijziging in de bevoegdheden zoals hierboven beschreven, heeft gevolgen voor deze rol van provincies en gemeenten. Daarom wil ik eerst met hen hierover in gesprek.

Vraag 18:

Kan de regering de Kamer ook de onderzoeken en rapportages doen toekomen waarnaar wordt verwezen onder aanbeveling 9 in het rapport van de commissie-Van Aartsen?

Antwoord vraag 18:

Het gaat hier over de toekomstige onderzoeken en rapporten van de ILT die worden opgesteld in het kader van het uitvoeren van de beoogde signalering en monitoring van het VTH-stelsel. Mijn voorganger heeft in de Kamerbrief versterking VTH-stelsel van 13 december jl. aangegeven dat de uitkomst van deze onderzoeken aan mij worden gepresenteerd waarop ik het onderzoek vergezeld van een kabinetsreactie aan de Tweede Kamer stuur.

Vraag 19:

De fractieleden van GroenLinks, de PvdA en de PvdD zijn verbaasd dat zes maanden voor de beoogde invoeringsdatum van de Omgevingswet nog een onderzoek moet worden gestart naar hoe aanbeveling 10 van het rapport van de commissie-Van Aartsen ingevuld gaat worden. De Kamer heeft meerdere keren aandacht gevraagd voor de wijze waarop omgevingsdiensten in de nieuwe situatie hun taak moeten kunnen invullen. Gemeenten stellen nu overal in Nederland hun omgevingsplannen op. Eventuele knelpunten in de het toezicht en de handhaving door de omgevingsdiensten van deze omgevingsplannen moeten bekend zijn op het moment dat de omgevingsplannen nog aangepast kunnen worden. Kan de regering aangeven hoe zij gaat waarborgen dat er in Nederland geen omgevingsplannen worden ingevoerd die nog grote problemen kennen voor het toezicht erop en de handhaving ervan? Welke stappen gaat de regering ondernemen om dit te voorkomen en welke zekerheden schept zij, zodat burgers en derde-belanghebbenden na 1 juli 2022 niet geconfronteerd worden met niet handhaafbare omgevingsplannen?

Antwoord vraag 19:

Ik vind het belangrijk dat de omgevingsdiensten op lokaal en regionaal niveau vanuit de kennis van de uitvoeringspraktijk input geven op de omgevingsplannen. Uit het land en van de VNG krijg ik signalen dat op veel plekken bij het opstellen van de omgevingsplannen de omgevingsdiensten worden betrokken door de gemeenten. Hiermee worden de door u aangegeven eventuele knelpunten al zoveel mogelijk voorkomen. In de Kamerbrief versterking VTH-stelsel van 13 december jl. heeft mijn voorganger aangegeven dat ik samen met de Ministers van BZK en JenV, gemeenten en provincies onderzoek hoe een uitvoeringstoets door omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s het beste vorm kan worden gegeven. Het voor mij belangrijk om dit zorgvuldig te doen in het interbestuurlijk programma waarin de genoemde partijen vanaf het tweede kwartaal van 2022 opvolging zullen geven aan de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen.


X Noot
1

Samenstelling:

Atsma (CDA), De Boer (GL), Van Dijk (SGP), Pijlman (D66), Klip-Martin (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV), arbouw (VVD), Bezaan (PVV), Fiers (PvdA), Dessing (FVD), Geerdink (VVD), Janssen (SP), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga), Meijer (VVD) (voorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Prins (CDA), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), Vendrik (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Raven (OSF) en Karakus (PvdA) (ondervoorzitter).

X Noot
2

Kamerstukken I 2021/22, 33 118, CS.

X Noot
3

Kamerstukken I 2021/22, 33 118, CS.

X Noot
4

Kamerstukken I 2020/21, 33 118, BW.

X Noot
5

Toezegging T03130.

X Noot
6

Kamerstukken I 2021/22, 33 118, CS, p. 4.

X Noot
7

Kamerstuk 22 343, nr. 311.

X Noot
9

Kamerstuk 35 925 VII, nr. A | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen

(officielebekendmakingen.nl).

X Noot
11

Zie voetnoot 1.

X Noot
12

Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 30 september 2015, nr. 3151041, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties.

Naar boven