Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2012-201333112 nr. B

33 112 Wijziging van de Gemeentewet, de Wet wapens en munitie en de Politiewet 2012 (verruiming fouilleerbevoegdheden)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VEILIGHEID EN JUSTITIE1

Vastgesteld 14 mei 2013

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de fractie van de VVD hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel verruiming fouilleerbevoegdheden. Zij hebben daarover een aantal vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij staan op zichzelf niet afwijzend tegenover het uitbreiden van fouilleerbevoegdheden, maar hebben zorgen over een paar van de in het voorstel opgenomen waarborgen.

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennis genomen van het wetsvoorstel en het debat dat daarover in de Tweede Kamer is gevoerd. Naar aanleiding daarvan wenst de SP-fractie een aantal vragen aan de regering voor te leggen.

De leden van de D66-fractie hebben met enige zorg kennis genomen van het wetsvoorstel verruiming fouilleerbevoegdheden. De wet van 13 juli 2002 waarbij preventief fouilleren is ingevoerd, is ingesteld ter bestrijding van wapengeweld en daarmee gepaard gaande verstoringen van de openbare orde. De daarin gegeven bevoegdheden tot preventief fouilleren worden met dit wetsvoorstel thans verruimd. Volgens dit wetsvoorstel dient de mogelijkheid te worden gegeven om ter bescherming van de openbare orde en veiligheid, in incidentele en spoedeisende gevallen het instrument preventief fouilleren sneller te kunnen inzetten. Daartoe dienen bevoegdheden en controlemechanismen te worden gewijzigd. Zo krijgt de burgemeester in een onvoorziene spoedeisende situatie de rechtstreekse bevoegdheid – zonder daartoe door de raad bij verordening te zijn gemachtigd – een veiligheidsrisicogebied aan te wijzen waarbinnen – na toestemming van de officier van justitie – tot preventief fouilleren kan worden overgegaan. Ook geeft het wetsvoorstel de mogelijkheid tot een veiligheids-, vervoers- en insluitingsfouillering. Aanvankelijk bevatte het wetsvoorstel ook de bepaling dat niet de officier van justitie maar diens hulpofficier de bevoegdheid kreeg om in spoedeisende gevallen de fouilleeractie goed te keuren. De leden van de D66-fractie hebben met instemming kennis genomen van de nota van wijziging waarin de regering deze bevoegdheid van de hulpofficier van justitie heeft ingetrokken. De zorgen van de leden van de fractie hebben betrekking op het wankele evenwicht tussen de in dit wetsvoorstel gewijzigde legitimatie van de besluitvorming en de controle daarop enerzijds, en de beperking van grondrechten die de te fouilleren personen dienen te dulden anderzijds. Zij hebben derhalve een aantal vragen. De leden van de PvdA-fractie sluiten zich bij alle vragen en opmerkingen van de D66-fractie aan.

Doelstelling

De leden van de VVD-fractie staan positief tegenover wetgeving waarmee tegemoet wordt gekomen aan behoeften die leven in de praktijk van de handhaving van de openbare orde. Niettemin, zo menen deze leden, lijkt er iets te wringen. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt door de regering uitdrukkelijk gesteld dat preventief fouilleren op wapens bedoeld is om de openbare orde te bewaren of te herstellen en dat het hier niet gaat om een opsporingsmiddel. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of in het algemeen met een preventieve activiteit iets kan worden hersteld, vragen de leden van de VVD-fractie hoe dit standpunt zich verhoudt tot de verderop in dezelfde nota genoemde preventieve, maatschappelijke en strafrechtelijke doelstellingen van preventief fouilleren. Voor deze leden is dit niet slechts een semantische kwestie; zij zijn van mening dat op een zo gevoelig gebied als de handhaving van de openbare orde de doelen, de reikwijdte en de grenzen van bevoegdheden niet helder genoeg kunnen zijn. De VVD-fractie meent dat er onduidelijkheid dreigt te ontstaan en vraagt de regering aan te geven bij welke gezagsdrager de primaire verantwoordelijkheid voor preventieve fouillering berust: de officier van Justitie of de burgemeester. Het antwoord op deze vraag is voor de VVD-fractie ook van belang voor haar hiernavolgende vragen.

Historisch perspectief en bestaand kader openbare orderegelgeving

De Gemeentewet is sinds 1851 op het gebied van de handhaving van de openbare orde lange tijd zeer helder en ongecompliceerd geweest, aldus de leden van de VVD-fractie. Zo was de handhaving in bijzondere omstandigheden decennialang in slechts twee artikelen samengebald: artikel 219 (nu artikel 175) gaf de burgemeester bij ongeregeldheden een zware bevelsbevoegdheid en artikel 220 (nu artikel 176) gaf hem zelfs de mogelijkheid noodverordeningen vast te stellen – dit alles met verantwoording achteraf aan de gemeenteraad. Dat was, afgezien van enkele specifieke toezichtsbepalingen voor openbare gelegenheden, alles. Deze eenvoud en overzichtelijkheid betekende een navenante slagvaardigheid voor de burgemeester en de in die omstandigheden onder zijn bevelen staande politie.

De laatste vijfentwintig jaar is echter veel wetgeving toegevoegd, veelal vanuit de begrijpelijke wens de rechtsbescherming van burgers zo veel mogelijk te waarborgen, waardoor de overzichtelijkheid van de openbare ordehandhaving niet bepaald is vergroot. De leden van de VVD-fractie wijzen hierna op enkele voorbeelden, die zeker geen uitputtende opsomming geven van de onduidelijkheden in de regelgeving op dit terrein. Zo is er met artikel 172 voor normale omstandigheden een «kleine bevelsbevoegdheid» gekomen die een onduidelijke grens heeft met de reikwijdte van artikel 175. Artikel 174 daarentegen, dat ziet op openbare samenkomsten en vermakelijkheden, geeft in lid 2 een bevelsbevoegdheid aan de burgemeester die weer verder gaat dan die van artikel 172. Een zeer vergaande bevoegdheid voor de burgemeester kwam met de artikelen 154a en 176a, beide ziende op de mogelijkheid van bestuurlijke ophouding van groepen van personen. Deze regeling, met spoed ingevoerd in de aanloop naar de Europese voetbalkampioenschappen van 2000 en daarmee bij uitstek een voorbeeld van gelegenheidswetgeving, is slechts één keer toegepast (overigens jaren na het kampioenschap) en daarna wegens zijn gecompliceerdheid in de uitvoering in onbruik geraakt. Vervolgens is nog kort geleden met de zogenoemde «Voetbalwet», getracht op een andere manier in een aantal leemten in de hooliganbestrijding te voorzien. De invoering van artikel 151b, de preventieve fouillering in te voren aangewezen gebieden, heeft in wezen een systeembreuk gebracht waarbij weliswaar de burgemeester (op grond van een raadsverordening) een veiligheidsrisicogebied kan aanwijzen, maar de officier van justitie het sein voor fouillering als concrete actie geeft.

In het nu voorgestelde artikel 174b wordt deze lijn voortgezet voor spoedeisende omstandigheden en zo nodig zonder raadsverordening. Dit was tot nu toe wat openbare orde betreft bij uitstek het domein van de burgemeester. Evenals hiervoor reeds aangegeven gaat, zo menen deze leden, ook hier iets wringen, hetgeen samen met de eerder gesignaleerde onduidelijkheid door een weinig samenhangende wetgeving tot onnodige en schadelijke complicaties kan leiden.

Preventief en repressief optreden overheid

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat in ieder geval het preventief en repressief optreden van de overheid op het gebied van de openbare orde te veel door elkaar gaat lopen. Dat is overigens ook al enige jaren geleden gesignaleerd door een commissie onder leiding van de toenmalige burgemeester van Dordrecht, die voorstelde een aparte regeling te ontwerpen ter zake van de openbare ordebevoegdheden. Toen vonden de ministers van BZK en Justitie dat voorlopig niet nodig. Deelt de regering de mening van de leden van de fractie van de VVD dat nu wél de tijd is gekomen het complex van openbare ordewetgeving integraal tegen het licht te houden, te moderniseren en te stroomlijnen teneinde de slagvaardigheid en effectiviteit van het optreden van gezagsdragers te waarborgen? Is de regering het met deze leden eens dat ook de rechtsbescherming van burgers daarmee zou zijn gediend, mede in het licht van de, anders dan vroeger, nu wel bestaande wetgeving, zoals de Awb en internationale verdragen als het EVRM, waardoor het opereren van gezagsdragers zowel democratisch als door de rechter in volle omvang kan worden gecontroleerd?

Met dit wetsvoorstel verschuift het preventief fouilleren van een openbare ordehandhavingsinstrument naar een meer strafprocesrechtelijk dwangmiddel, aldus de leden van de D66- en PvdA-fractie. In spoedeisende situaties en onder hoogspanning dient bewijs te worden gevonden van wapenbezit. Preventief fouilleren staat echter niet in het Wetboek van Strafvordering en is geen strafprocesrechtelijk dwangmiddel. Hoe kan de regering waarborgen dat dit middel uitsluitend ten behoeve van de veiligheid en de openbare orde wordt ingezet?

Reikwijdte voorgestelde bevoegdheden

De leden van de fractie van de VVD hebben naar aanleiding van de concrete tekst van het wetsvoorstel nog een aantal vragen van meer technische aard om het beeld van de (reikwijdte van) de voorgestelde bevoegdheidsuitbreidingen nog wat scherper te krijgen. Allereerst vragen deze leden zich af in hoeverre de eisen van spoedeisendheid en voorzienbaarheid, in combinatie werkbare criteria zijn. Immers, als mogelijke feiten voorzienbaar zijn zal een verstandig bestuur al (ver) voor deze feiten zich aandienen, zijn zaken voor elkaar hebben, bijvoorbeeld door ex artikel 151b gebieden aan te wijzen waar mag worden gefouilleerd. De eis van voorzienbaarheid lijkt daarom ipso facto de toepassing van het middel van fouillering voor spoedeisende omstandigheden op voorhand uit te sluiten. Daardoor dringt zich de vraag op of het middel fouillering niet meer mag worden gebruikt als de burgemeester de gevaarzetting had moeten voorzien, maar dat niet heeft gedaan.

Voorts vragen deze leden zich af of voor de toepassing van het voorgestelde instrument voor openbare ordehandhaving ook gedacht moet worden aan schietpartijen als die in Alphen aan de Rijn, aan afrekenmethodes tussen criminele bendes, of aan gevechten na voetbalwedstrijden met «wapens». Zo ja, dan rijzen bij de leden van de fractie van de VVD twijfels of het de burgemeester moet zijn die preventief (?) moet laten fouilleren. Is dan niet zonder meer sprake van repressief justitieel optreden? Heeft de burgemeester in dergelijke gevallen geen andere zorgen en zijn dan geen andere middelen aangewezen? Met andere woorden, gaat het de burgemeester er niet veeleer om dat een eind komt aan de verstoring en dient hij zijn zorgen en activiteiten niet daarop te richten? Is de voorgestelde bevoegdheid van de burgemeester voor juist die situatie bedacht? Begeeft hij zich dan niet op het terrein van opsporing? Wordt de burgemeester eigenlijk niet «opgevoerd» om aldus de officier de mogelijkheid te bieden om ook niet verdachte personen te laten fouilleren?

Ook vragen de leden van de VVD-fractie of het in artikel 174b, lid 1 Gemeentewet niet moet gaan om de mogelijke aanwezigheid van wapens? Niet duidelijk is vervolgens wat wordt bedoeld met «bij verstoring van de openbare orde». Het gaat immers om voorkoming van verstoring van de openbare orde door preventieve fouillering, in spoedeisende situaties, zelfs ook als er nog geen ernstige vrees voor verstoring aan de orde is. Wat wordt in die bepaling onder wapens verstaan: zijn dit alle voorwerpen die als zodanig in de Wet wapens en munitie zijn gedefinieerd? Zo ja, waaruit blijkt dit? Wordt met «het gebied» gedoeld op openbare – in de zin van voor ieder toegankelijke – terreinen, ook waar deze niet vallen onder de openbare weg in de zin van de Wegenwet? Waaraan moet de gebiedsaanduiding voldoen? Zal het bij de toepassing van artikel 174b niet in de meeste gevallen in wezen om repressief handelen gaan, bijvoorbeeld omdat er rellen zijn uitgebroken zoals bij het Hoek van Holland-incident? Waarom moet de burgemeester dan nog een gebied aanwijzen? Hoe zou dat zijn af te bakenen? Is in zo’n geval niet zo zeer de plaats, als wel de situatie of groep bepalend?

Wat de te fouilleren personen aangaat, merken deze leden op dat geen verplichting ontstaat om zich te laten fouilleren, zodat iemand zulks ongestraft kan weigeren, tenzij hij verdachte is. De Wet wapens en munitie gaat uit van verdachten, doch dat is hier niet op voorhand het geval; iemand zou kunnen zeggen: «ik laat me niet fouilleren en verlaat dit gebied». Kan dat betrokkene worden belet en zo ja, op grond waarvan? Wat gebeurt er als een wapen wordt aangetroffen en afgenomen? Is dat dan te zien als strafvorderlijke inbeslagneming of bestuurlijke inbeslagneming, zoals het geval was in het Rode-vlagarrest? Ten slotte vragen de leden van de VVD-fractie zich bij het derde lid van artikel 174b af aan wie de mondelinge of schriftelijke aanwijzing gegeven dient te worden. Gaat het hier niet om een beslissing die een ieder aangaat die erbij betrokken zou kunnen zijn? De tekst van de bepaling doet het voorkomen alsof het gaat om een opdracht aan «de» politie. Is dat ook de bedoeling?

Noodzaak

Volgens de memorie van toelichting2 vormen de voorgestelde wetswijzigingen een substantiële bijdrage aan het veiliger worden van de straat, de wijken en de openbare ruimte en leiden de wijzigingen tot veiliger arbeidsomstandigheden van het politiepersoneel. De memorie rept daarnaast van diverse positief gestemde onderzoeken naar het maatschappelijk draagvlak van de wet van 2002, op grond waarvan de conclusie zou zijn gewettigd dat het instrument preventief fouilleren in zijn algemeenheid is aanvaard. Uit deze onderzoeken blijkt echter niet dat het huidige instrumentarium ontoereikend zou zijn. Ook de Raad van State heeft in zijn advies daarop gewezen. De regering noemt in de memorie van toelichting3 drie voorbeelden – geen concrete gebeurtenissen dan wel dreiging daartoe – op grond waarvan het hier voorgestelde wettelijk instrument noodzakelijk zou zijn. Deze voorbeelden overtuigen de leden van de D66-fractie en PvdA-fractie vooralsnog niet van de noodzaak tot uitbreiding van bevoegdheden. Ook de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak wijst in haar advies hierop. Volgens de NVvR «ontbreken feitelijke gegevens omtrent wapengeweld en daarmee gepaard gaande ordeverstoringen, die een dringende maatschappelijke behoefte zouden onderbouwen en waaruit zou blijken dat de voorgestelde (verdere) beperking van grondrechten daadwerkelijk noodzakelijk is». De leden van de D66- en PvdA-fractie vragen de regering welke concrete gebeurtenissen, gericht op het gebruik – of dreiging daartoe – van de in de Wet wapens en munitie gedefinieerde «wapens», zich hebben voorgedaan op grond waarvan tot de indiening van dit wetsvoorstel is besloten. In het NRC Handelsblad4 is in een artikel van 13 april 2013, waarin onder meer dit wetsvoorstel werd besproken, melding gemaakt van diverse acties in Rotterdam waarbij 11.000 mensen waren betrokken en drie vuurwapens zijn gevonden. Ook daaruit kan nog niet de conclusie worden getrokken dat dit wetsvoorstel noodzakelijk is. De vraag is dan ook of de regering geen andere, minder vergaande overdracht van bevoegdheden heeft overwogen.

Internationaal perspectief

De leden van de D66- en PvdA-fractie zouden graag van de regering vernemen hoe de wetgeving in de ons omringende landen op dit punt is geregeld en/of in ontwikkeling is.

Concretiseren gebruik

De regering geeft in de memorie van toelichting een overzicht van categorieën gemeenten die al dan niet gebruik hebben gemaakt van de wet preventief fouilleren en een verordening ex artikel 151b lid 1 Gemeentewet hebben vastgesteld. Kan de regering voor de leden van de D66- en PvdA-fractie deze categorieën gemeenten cijfermatig concretiseren en daarin een onderscheid maken naar gemeenten met meer dan 10.000 en minder dan 100.000 inwoners?

Grondrechten

In de memorie van toelichting vermeldde de regering dat op dat moment een Nederlandse casus in behandeling was bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg over een Amsterdamse aanwijzing van een gebied tot veiligheidsrisicogebied, namelijk de zaak «Colon v. Nederland».5 Het betreft een zaak aangespannen door een persoon die geweigerd heeft mee te werken aan een preventieve fouillering. De betrokkene heeft zich bij het Hof beklaagd over schending van artikel 8 EVRM, schending van privacy en lichamelijke integriteit, en van artikel 2 van het Vierde Protocol van het EVRM, te weten vrijheid van beweging. Tevens heeft betrokkene zich beklaagd wegens schending van artikel 14 EVRM.

In de memorie van toelichting6 wordt vermeld dat de Raad voor de rechtspraak geadviseerd heeft om het arrest van het EHRM in de zaak Colon af te wachten, maar dat advies heeft de regering naast zich neergelegd met de mededeling dat er geen aanwijzingen zijn dat het arrest op korte termijn tegemoet kan worden gezien en dat het nog maar de vraag is of het arrest relevant is voor het onderhavige wetsvoorstel. De regering voegt daaraan toe dat zij het, gezien de wenselijkheid van de in het wetsvoorstel voorgestelde verruimingen, niet opportuun acht de uitkomst in de Colon-zaak af te wachten. Naar aanleiding daarvan hebben de leden van de SP-fractie de volgende vragen.

Nu sinds het verschijnen van de memorie van toelichting bijna anderhalf jaar verstreken is, verneemt de SP-fractie graag of het EHRM al arrest gewezen heeft in de zaak Colon en zo ja, hoe het arrest luidt en zo nee, hoe lang naar verwachting het arrest van het EHRM nog op zich zal laten wachten? Verder verneemt de SP-fractie graag waarom de regering het in casu niet opportuun acht om de uitspraak van het EHRM af te wachten en welke dringende noodzaak er bestaat om de uitspraak van het EHRM niet af te wachten. Deelt de regering in dat verband de opvatting van de SP-fractie dat de opmerking van de regering, dat het nog maar de vraag is of het arrest van het EHRM relevant is voor het wetsvoorstel, voorbarig is omdat de regering niet op voorhand weet wat en hoe het EHRM zal beslissen en zij dus niet kan weten of de beslissing van het EHRM relevant zal zijn voor het wetsvoorstel?

Het instrument van preventief fouilleren grijpt diep in de persoonlijke levenssfeer van personen in, jegens wie geen verdenking van enig strafbaar feit bestaat, aldus de leden van de D66- en PvdA-fractie. Dat betekent dat in ieder geval aan een ieder vooraf duidelijk moet zijn met welk doel en op grond van welke criteria wordt gefouilleerd. Na aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied door de burgemeester, in spoedeisende en incidentele gevallen, gevolgd door preventieve fouillering op last van de officier van justitie, kan van enige wetenschap vooraf daarover bij deze personen geen sprake zijn. De burger heeft er zich niet op kunnen voorbereiden en kan dus het gebied nietsvermoedend binnenlopen. De vraag hoe om te gaan met de eisen van privacy volgens de Grondwet, artikel 8 EVRM en artikel 26 IVBPR is sowieso van belang, maar in het geval dat tot een fouilleeractie wordt overgegaan op grond van dit wetsvoorstel dient de proportionaliteit, in elk geval waarin het instrument wordt toegepast, opnieuw en zeer nauwgezet te worden beoordeeld. In dit verband noemt de regering in de memorie van antwoord7 een bij het EHRM aanhangige zaak, «Colon v. Nederland», waarin de wet preventief fouilleren uit 2002 aan de hand van de in die zaak voorgelegde casuïstiek zal worden beoordeeld. Stel dat Nederland in die zaak wordt veroordeeld en het Hof concludeert tot schending van artikel 8 EVRM, dan kan worden aangenomen dat het Hof in voorkomend geval opnieuw zal oordelen dat met dit voorliggende wetsvoorstel de grondrechten van burgers evenmin worden gerespecteerd. De Raad voor de Rechtspraak heeft in zijn consultatie de regering geadviseerd op deze uitspraak te wachten alvorens dit wetsvoorstel voor te leggen. Kan de regering toezeggen om in navolging van dit advies dit wetvoorstel niet in werking te laten treden – indien de Kamer het wetsvoorstel aanneemt – zolang het EHRM nog geen uitspraak heeft gedaan?

Inzet boa's

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre bij concrete fouilleringsacties buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) worden ingezet. Deze vraag is ook actueel daar in wetsvoorstel 33.0128 ter verruiming van de kring van ambtenaren belast met de opsporing van een aantal strafbare feiten op grond van o.m. de Wet wapens en munitie, niet geheel duidelijk is of dit voorstel ook betrekking heeft op de gemeentelijke boa’s. Graag een reactie van de regering.

Fouilleren verdachten in politiecel

De leden van de CDA-fractie delen de opvatting dat bij verdachten die zich in een politiecel bevinden, in uitzonderlijke gevallen moet kunnen worden overgegaan tot fouillering aan en in het lichaam. De regering geeft aan aansluiting te willen zoeken bij de penitentiaire beginselenwet en er daarom voor te kiezen de beslissing hiertoe niet te leggen bij de officier van justitie, maar bijvoorbeeld op het niveau van een districtschef van de politie. Op zichzelf zijn de leden van de CDA-fractie het met de regering eens dat het hier niet om strafvordering, maar om de handhaving van de openbare orde en veiligheid op het politiebureau gaat. Tegelijkertijd maken zij zich zorgen over de onafhankelijkheid en afstand van degene in de politiehiërarchie die uiteindelijk besluit, nog ervan afgezien dat kennelijk nog niet precies helder is, wie dat wordt («dat zou inderdaad het niveau van de districtchef kunnen blijken te zijn»). Kan de regering uiteenzetten waarom de onafhankelijkheid in haar optiek voldoende is gewaarborgd? Kan zij alsnog ingaan op de suggestie van de Raad van State om de verantwoordelijkheid bij de rechter-commissaris neer te leggen?

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid & Justitie zien de reactie van de regering met belangstelling – en bij voorkeur binnen vier weken – tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid & Justitie, Broekers-Knol

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid & Justitie, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Broekers-Knol (VVD) (voorzitter), Kneppers-Heijnert (VVD), Kox (SP), Engels (D66), Franken (CDA), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vice-voorzitter), Duthler (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Quik-Schuijt (SP), Strik (GL), K.G. de Vries (PvdA), Knip (VVD), Hoekstra (CDA), Lokin-Sassen (CDA), Scholten (D66), De Boer (GL), De Lange (OSF), Ter Horst (PvdA), Beuving (PvdA), Koole (PvdA), Schrijver (PvdA), Reynaers (PVV), Popken (PVV), Frijters-Klijnen (PVV), Swagerman (VVD)

X Noot
2

Kamerstukken II 2011/12, 33 112, nr. 3, p. 3.

X Noot
3

Kamerstukken II 2011/12, 33 112, nr. 3, p. 11.

X Noot
4

Bart de Koning, «Meer straf, meer camera's en een kleinere pakkans», NRC Handelsblad 13 april 2013.

X Noot
5

Klachtnummer 49458/06.

X Noot
6

Kamerstukken II 2011/12, 33 112, nr. 3, p. 43.

X Noot
7

Kamerstukken II 2011/12, 33 112, nr. 3, p. 29.

X Noot
8

Wijziging van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie in verband met de verruiming van de kring van ambtenaren, belast met de opsporing van de in deze wetten strafbaar gestelde feiten, alsmede van enkele andere wettelijke voorschriften van strafvorderlijke aard.