Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233112 nr. 2

33 112 Wijziging van de Gemeentewet, de Wet wapens en munitie en de Politiewet 201X (verruiming fouilleerbevoegdheden)

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, ter vergroting van de veiligheid in de openbare ruimte en in politiecellen en ter bestrijding van het geweld tegen de politie, wenselijk is om de politie meer bevoegdheden te geven voor controle van voorwerpen, vervoermiddelen en personen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De gemeentewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 151b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt de tweede volzin te luiden: In een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie of, indien diens optreden niet kan worden afgewacht, de hulpofficier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in het derde, onderscheidenlijk vierde lid, van de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie toepassen.

2. In het vierde lid vervalt de tweede volzin.

B

Na artikel 174a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 174b

  • 1. Bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, kan de burgemeester in een onvoorzienbare, spoedeisende situatie een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, voor ten hoogste twaalf uur aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie of, indien diens optreden niet kan worden afgewacht, de hulpofficier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in het derde, onderscheidenlijk vierde lid, van de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie toepassen.

  • 2. Voordat de burgemeester het gebied aanwijst, overlegt hij met de officier van justitie, onderscheidenlijk de hulpofficier van justitie. De hulpofficier stelt zo spoedig mogelijk de officier op de hoogte.

  • 3. De aanwijzing kan mondeling worden gegeven. In dat geval wordt de aanwijzing zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en bekendgemaakt.

  • 4. De burgemeester brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad.

  • 5. Artikel 151b, derde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

C

In artikel 177, tweede lid, wordt «174, tweede lid, 174a, 175, 176 en 176a» vervangen door: 174, tweede lid, en 174a tot en met 176a.

ARTIKEL II

De Wet wapens en munitie wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen 50 en 51 worden als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «gebieden die overeenkomstig artikel 151b, eerste lid, van de Gemeentewet, door de burgemeester als veiligheidsrisicogebied zijn aangewezen» vervangen door: een veiligheidsrisicogebied als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of 174b, eerste lid, van de Gemeentewet,.

2. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan kan het in het derde lid bedoelde bevel worden gegeven door de hulpofficier van justitie. De hulpofficier stelt zo spoedig mogelijk de officier op de hoogte.

3. Na het vijfde lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Het bevel wordt schriftelijk gegeven, tenzij dit omwille van de spoed niet mogelijk is. In dat geval wordt het bevel zo spoedig mogelijk op schrift gesteld.

B

Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «gebieden die overeenkomstig artikel 151b, eerste lid, van de Gemeentewet, door de burgemeester als veiligheidsrisicogebied zijn aangewezen» vervangen door: een veiligheidsrisicogebied als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of 174b, eerste lid, van de Gemeentewet,.

2. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot zesde en zevende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 4. Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan kan het bevel worden gegeven door de hulpofficier van justitie. De hulpofficier stelt zo spoedig mogelijk de officier op de hoogte.

  • 5. Het bevel wordt schriftelijk gegeven, tenzij dit omwille van de spoed niet mogelijk is. In dat geval wordt het bevel zo spoedig mogelijk op schrift gesteld.

3. In het zevende lid (nieuw) wordt «het vierde lid» vervangen door: het zesde lid.

ARTIKEL III

De Politiewet 201x wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «het onderzoek aan de kleding van personen» vervangen door: het onderzoek aan de kleding van personen en het onderzoek van de voorwerpen die personen bij zich dragen of met zich mee voeren.

2. Onder vernummering van het vijfde, zesde en zevende lid tot zevende, achtste en negende lid wordt het vierde lid vervangen door drie leden, luidende:

  • 4. De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd een te vervoeren of in te sluiten persoon aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor anderen kunnen vormen, alsmede daartoe de voorwerpen te onderzoeken die betrokkene bij zich draagt of met zich mee voert.

  • 5. Het hoofd van het terrritoriale onderdeel, bedoeld in artikel 13, eerste lid, zijn plaatsvervanger of de ambtenaar van politie, belast met de zorg voor ingeslotenen, kan bepalen dat een in te sluiten of ingesloten persoon bij binnenkomst of bij het verlaten van een politiecel of een politiecellencomplex, voorafgaand aan of na afloop van bezoek, dan wel indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in het politiebureau of het cellencomplex, aan zijn lichaam wordt onderzocht. Artikel 29, tweede, derde en vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Het hoofd van het terrritoriale onderdeel, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of zijn plaatsvervanger kan bepalen dat een in te sluiten of ingesloten persoon in het lichaam wordt onderzocht, indien dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de handhaving van de orde of de veiligheid in het politiebureau of het cellencomplex dan wel voor de gezondheid van de ingeslotene. Artikel 31, eerste lid, tweede volzin, en tweede en derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet is van overeenkomstige toepassing.

3. In het zevende lid (nieuw) wordt «het eerste tot en met het vierde lid» vervangen door: het eerste tot en met zesde lid.

4. In het achtste lid (nieuw) wordt «Het eerste tot en met het vijfde lid zijn van toepassing» vervangen door: Het eerste tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

5. In het negende lid (nieuw) wordt «het eerste en het derde lid» vervangen door: het eerste, derde en vierde lid.

B

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt «worden regels gesteld» vervangen door: worden nadere regels gesteld.

2. In het zesde lid wordt «artikel 7, eerste en derde lid» vervangen door: artikel 7, eerste, derde en vierde lid.

ARTIKEL IV

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Veiligheid en Justitie,

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,