Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:
A
Artikel 2, tweede lid, wordt gewijzigd als volgt:
1. Onderdeel b komt te luiden:
b. de mogelijkheid om dagelijks te douchen, tijdige hulp bij toiletgang en het tijdig
verwisselen van incontinentiemateriaal;.
2. Onderdeel h komt te luiden:
h. de mogelijkheid om dagelijks in de buitenlucht te verkeren;.
B
Artikel 20 komt te luiden als volgt:
Artikel 20
1. In afwijking van artikel 6, tweede lid, is de zorgaanbieder voor zorgverleners
en andere personen als in dat lid bedoeld die op het tijdstip van inwerkingtreden
van dat lid werkzaam zijn voor de zorgaanbieder of voor een rechtspersoon die in opdracht
van de zorgaanbieder zorg verleent, uiterlijk binnen een bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen termijn na dat tijdstip in het bezit van een verklaring omtrent
het gedrag welke niet eerder dan drie maanden voor het verstrijken van de vastgestelde
termijn is afgegeven.
2. Indien de zorgaanbieder voor een van de personen, bedoeld in het eerste lid, bij
het verstrijken van de vastgestelde termijn niet in het bezit is van een verklaring
omtrent het gedrag, neemt de zorgaanbieder zo spoedig mogelijk de maatregelen die
noodzakelijk zijn ter bescherming van zijn cliënten.
TOELICHTING
A
Om cliënten nog meer duidelijkheid te bieden over de afspraken die zij kunnen maken
met de zorgaanbieder, wordt het tweede lid van artikel 2 op twee onderdelen aangepast.
«Dagelijkse hygiënische verzorging» wordt vervangen door «de mogelijkheid om dagelijks
te douchen, tijdige hulp bij toiletgang en het tijdig verwisselen van incontinentiemateriaal».
Als de cliënt dat wil, moet hij dagelijks kunnen douchen, ook als hij daarbij vanwege
zijn beperking hulp nodig heeft. De wens van de cliënt staat hierbij centraal. Dagelijks
douchen is voor de cliënt vanzelfsprekend geen plicht; het gaat erom dat er afspraken
over gemaakt worden. Als de cliënt dat liever heeft, kan hij ook hulp krijgen bij
het op een andere manier wassen. Als de cliënt naar het toilet moet, moet hij niet
op een toiletronde hoeven te wachten, maar moet hij snel geholpen worden als hij het
niet alleen kan. Ook moet incontinentiemateriaal tijdig verwisseld worden. Met «tijdig»
wordt bedoeld, tijdig voor de individuele cliënt in zijn specifieke situatie.
Door «de mogelijkheid om regelmatig in de buitenlucht te verkeren» te vervangen door
«de mogelijkheid om dagelijks in de buitenlucht te verkeren», wordt verduidelijkt
dat het niet de bedoeling is dat een cliënt slechts één keer per maand of één keer
per week buiten kan zijn, als hij dat vaker wil. De cliënt die veilig alleen naar
buiten kan gaan, kan dat doen zo vaak als hij wil. Uiteraard moet in goed overleg
tussen cliënt en zorgaanbieder bezien worden hoe het beste aan de wens van de cliënt
tegemoet gekomen kan worden indien hij vanwege zijn beperking hulp nodig heeft bij
het naar buiten gaan: kan een zorgverlener met hem gaan wandelen of kan een mantelzorger
of vrijwilliger dat doen? Of kan de cliënt met een groep cliënten en begeleiders naar
het park of kan de cliënt in de binnentuin een poosje alleen buiten zijn? De conditie
van de cliënt en weersomstandigheden nopen uiteraard tot een flexibele omgang met
de afspraken op dit punt.
B
Om de veiligheid van cliënten in de AWBZ-zorg nog beter te waarborgen, zal de zorgaanbieder
niet alleen over een verklaring omtrent het gedrag (VOG) moeten beschikken voor nieuwe
medewerkers, maar ook voor medewerkers die al voor hem werkzaam zijn. De uitzondering
die in artikel 20 voor «zittende» medewerkers wordt gemaakt, wordt daarom ongedaan
gemaakt. Wel wordt voor de groep «zittende» medewerkers voorzien in een overgangsregeling.
Voor deze medewerkers moet de zorgaanbieder uiterlijk binnen een periode die bij algemene
maatregel van bestuur wordt vastgesteld en wordt gerekend vanaf de inwerkingtreding
van artikel 6, tweede lid, een VOG hebben en die VOG mag niet ouder zijn dan drie
maanden voor het tijdstip (de vastgestelde termijn) waarop voor de zorgaanbieder met
betrekking tot die medewerker de verplichting geldt om over een VOG te beschikken.
Als betrokkene niet tijdig de VOG aan de zorgaanbieder overlegt, moet dat voor de
zorgaanbieder een reden zijn om daaraan extra aandacht te schenken. Het voorgestelde
tweede lid verplicht de zorgaanbieder daarom dan zo spoedig mogelijk alle maatregelen
te nemen die noodzakelijk zijn ter bescherming van zijn cliënten. Dat kan inhouden
dat de zorgaanbieder met betrokkene afspraken maakt over de randvoorwaarden voor het
uitvoeren van zijn taken of hem andere taken opdraagt; het kan er ook toe leiden dat
de zorgaanbieder de relatie met de zorgverlener beëindigt met inachtneming van de
aan zo’n maatregel verbonden juridische randvoorwaarden.
De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M. L. L. E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner