Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201933085 nr. 20

33 085 Wijziging van de Remigratiewet (heroverweging Remigratiewet)

Nr. 20 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 29 januari 2019

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van 5 november 2018 inzake evaluatie wijziging Remigratiewet 2014 (Kamerstuk 33 085, nr. 18).

De vragen en opmerkingen zijn op 29 november 2018 aan Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 29 januari 2019 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Rog

Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief met daarin de reactie van de Minister van SZW op de Evaluatie van de wijziging Remigratiewet 2014. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie ondersteunen de lijn van de Minister dat heroverweging van de uitfasering van de Remigratiewet per 2025 niet verstandig is. Zij erkennen dat de uitkeringsafhankelijkheid van Nederlanders met een migratieachtergrond te hoog is, en onderschrijven het standpunt van de Minister dat de oplossing voor dit probleem niet ligt in de (heroverweging van) de Remigratiewet 2014. Voornoemde leden zijn benieuwd wat bedoeld wordt met de in de evaluatie genoemde «groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is». Houdt dit in dat voor sommige mensen geldt dat zij geen enkele inspanning hoeven leveren om (weer) onderdeel te worden van de arbeidsmarkt, noch dat bijvoorbeeld gemeenten hier actief op inzetten? Wat kan en gaat de Minister er aan doen om de in de evaluatie bedoelde «groepen» te bereiken, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Voor wat betreft de in de evaluatie gestelde nieuwe remigratiebehoefte bij groepen die niet onder de doelgroep vallen doordat zij na 1 juli 2014 naar Nederland zijn gekomen, onderschrijven deze leden nogmaals het standpunt van de Minister dat dit geen reden geeft om de uitfasering van de wet te heroverwegen. Voornoemde leden vragen de Minister in dat kader te bevestigen dat indien vluchtelingen terug willen keren naar het land van herkomst, zij hierbij ondersteund kunnen worden door bijvoorbeeld de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) of een organisatie als de International Organization for Migration (IOM). De Minister stelt tevens dat vluchtelingen uit de migratiestroom van 2015 worden ondersteund in hun streven hier in Nederland hun leven verder vorm te geven. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister te bevestigen dat naast de inspanning die nieuwkomers moeten leveren om te integreren in onze samenleving, zij zich er tevens van bewust zijn dat zolang zij een tijdelijke verblijfsvergunning hebben, terugkeer naar het land van herkomst aan de orde kan zijn. Van definitieve vestiging in Nederland is voor wat betreft de vluchtelingeninstroom uit 2015 op dit moment geen sprake. De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat de overheid statushouders met een tijdelijke verblijfsstatus hier op voorbereidt, mede met het oog op nieuwe te verschijnen ambtsberichten voor Eritrea en Syrië. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister te bevestigen dat naast heldere communicatie over de verwachtingen met betrekking tot inburgering, tevens heldere signalen worden afgegeven over de gevolgen voor verblijf in Nederland wanneer bijvoorbeeld het land van herkomst weer veilig is.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de Evaluatie van de wijziging Remigratiewet. Genoemde leden hebben ook kennisgenomen van de conclusies die de Minister trekt op basis van de aanbevelingen uit de effectevaluatie. Zij hebben naar aanleiding hiervan nog enkele vragen en opmerkingen.

De eerste aanbeveling uit de effectevaluatie betreft: «De wetswijziging alleen lijkt ontoereikend om het arbeidspotentieel van de groep die geen gebruik meer kan maken van de remigratievoorziening, te behouden en te benutten. De resultaten laten zien dat de uitkeringsafhankelijkheid van deze groep nog altijd hoog is. Zet in op vervolgonderzoek naar arbeidspotentieel van deze doelgroep, overweeg daarvoor specifiek arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen, overweeg criteria remigratievoorziening aan te passen voor groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is». De leden van de D66-fractie onderschrijven de aanbevelingen uit de effectevaluatie en juichen de inspanningen van de Minister toe als het gaat om het Programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA). Wat betreft dit laatste zijn de leden benieuwd hoe het programma VIA zich verhoudt tot de groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is.

De tweede aanbeveling uit de effectevaluatie betreft: «Heroverweeg een aantal maatregelen dat tot onbegrip/onvrede leidt bij een deel van de doelgroepen». De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de conclusies die de Minister trekt op basis van deze tweede aanbevelingen en hebben begrip voor de getrokken conclusies.

De derde aanbeveling uit de effectevaluatie betreft: «Heroverweeg de uitfasering van de wet per 2025». De leden van de D66-fractie plaatsen vraagtekens bij de uitfasering van de wet per 2025. Remigratie behoefte onder nieuwe groepen en fluctuaties in de omvang van de huidige doelgroep doet de leden van de D66-fractie afvragen in hoeverre hierin is voorzien. Zij zien graag een reactie van de Minister hierop tegemoet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Evaluatie van de wijziging van de Remigratiewet (heroverweging Remigratiewet).

Genoemde leden maken zich zorgen, omdat de wetswijziging niet geleid heeft tot een bredere integratie en participatie en dat het er eerder op lijkt dat dit verslechterd is. Ook de afstand tot de arbeidsmarkt is niet kleiner geworden. Nader onderzoek is hier op zijn plaats, denken de leden van de SP-fractie, waarbij duidelijk moet worden wanneer arbeidsparticipatie geen realistische verwachting is en voor welke personen remigratie dus goed zou kunnen zijn. En daarnaast duidelijk te krijgen of het mogelijk is om specifiek arbeidsmarktbeleid voor deze doelgroep te ontwikkelen.

Genoemde leden maken zich ook zorgen om de groep mensen die door het instellen van de leeftijdsgrens op 18 jaar nu buiten de doelgroep valt. De aanname dat de 16- en 17- jarigen in Nederland gevormd zijn en volwassen zijn geworden gaat voorbij aan het feit dat er ook veel jonge migranten hier zijn gaan werken voordat ze 18 waren. Deze groep is mogelijk fysiek niet meer in staat om te werken. Deze leden zouden graag zien dat hierbij aangesloten wordt bij de gangbare definitie, waarbij personen met een migratieachtergrond die buiten Nederland zijn geboren tot de eerste generatie behoren en dus in aanmerking komen voor remigratievoorzieningen.

De leden van de SP-fractie constateren een ongelijkheid, omdat personen die afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering nooit in staat zullen zijn om zich goed voor te bereiden op remigratie en te sparen voor de eerste kosten en opvang. Heeft het afschaffen van de basisvoorziening daarmee niet geleid tot kansrijken en kansarmen om te kunnen remigreren?

Genoemde leden vragen welke gevolgen het heeft als het criterium bestemmingsland toch verruimd wordt van geboorteland naar ook de landen daarom heen. Met name vluchtelingen wordt hiermee een kans ontnomen om terug te keren naar hun eigen land of regio met een grotere kans om weer in de buurt van de mensen te kunnen wonen die ze liefhebben.

De leden van de SP-fractie vragen de Minister om in te gaan op de aanbeveling om uitstel van de uitfasering van de wet per 2025, omdat de verwachting is dat de behoefte aan een remigratievoorziening niet lager zal zijn dan direct na de wetswijziging. Hierbij vragen deze leden te overwegen of ook de groep die na 1 juli 2014 naar Nederland is gekomen, zoals vluchtelingen, kunnen passen binnen de doelstelling van de Remigratiewet en dus zou moeten leiden tot verruiming van de criteria voor de remigratievoorziening.

Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie

De leden van de DENK-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de evaluatie en de reactie van de Minister hierop. Deze leden hebben een aantal vragen en opmerkingen over dit onderwerp, waaraan zij een groot belang hechten.

Kan de Minister berekenen hoeveel de belastingbetaler zou besparen, doordat veel uitkeringen alleen nog maar gedeeltelijk hoeven te worden uitgekeerd? Klopt het dat het gebruik van deze regeling met 40% is afgenomen? Hoe groot is het budgettaire verlies voor de Staat, in uitkeringen die anders niet hadden hoeven te worden betaald? Waarom houdt de Minister mensen tegen hun zin in Nederland, als zij (met een lagere uitkering) liever willen verblijven in hun herkomstland? Waarom heeft de Minister in plaats van een win-win situatie, een verlies-verlies situatie gecreëerd?

In het evaluatieonderzoek worden een aantal conclusies en aanbevelingen genoemd. Eén van deze aanbevelingen luidt: «Overweeg om de criteria voor de remigratievoorziening (zoals leeftijdsgrenzen en duur van uitkeringsgerechtigheid) aan te passen voor groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is (voor deze groep blijft het oorspronkelijk doel van de wet relevant)». Erkent de Minister dat voor deze groep, namelijk de groep waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is, het oorspronkelijke doel van de wet relevant blijft? Zo ja, is de Minister dan bereid conform de aanbeveling te handelen? Zo nee, waarom niet?

Is de Minister bereid om de criteria voor de remigratievoorziening (zoals leeftijdsgrenzen en duur van uitkeringsgerechtigheid) aan te passen voor groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is? Zo nee, waarom niet?

Kan de Minister de omvang en kenmerken schetsen van de groep waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is in het kader van de (oorspronkelijke) doelgroep van de Remigratiewet?

Is het technisch uitvoerbaar om de criteria voor de remigratievoorziening (zoals leeftijdsgrenzen en duur van uitkeringsgerechtigheid) aan te passen voor groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is? Zo nee, waarom niet?

Is de Minister bereid om voor de groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is de leeftijdseis te verlagen? Zo nee, waarom niet?

Wat zouden de budgettaire gevolgen zijn van het verlagen van de leeftijdseis voor de groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is?

Is de Minister bereid om voor de groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is de eis dat indien met tot de 1e generatie behoort men op of na hun 18e naar Nederland zijn geëmigreerd te laten vallen? Zo nee, waarom niet?

Wat zouden de budgettaire gevolgen zijn van het laten vallen van de eis dat indien met tot de 1e generatie behoort men op of na hun 18e naar Nederland moet zijn geëmigreerd voor de groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch te laten vallen?

Is de Minister bereid om voor de groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is, de afschaffing van de basisvoorziening terug te draaien? Zo nee, waarom niet?

Wat zouden de budgettaire gevolgen zijn van het voor de groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is, de afschaffing van de basisvoorziening terug te draaien?

In het evaluatierapport wordt voorts gesteld: «Het vertrek naar land van herkomst lijkt voor een deel van de doelgroep financieel moeilijk te realiseren, mede door de afschaffing van de basisvoorziening. … Daarom doen we de aanbeveling om te onderzoeken in hoeverre de financiële positie een barrière vormt voor het realiseren van de remigratiewens en hoe deze eventuele barrière in die gevallen kan worden weggenomen». Is de Minister bereid, om conform de aanbeveling uit het rapport, te onderzoeken in hoeverre de financiële positie een barrière vormt voor het realiseren van de remigratiewens en hoe deze eventuele barrière in die gevallen kan worden weggenomen? Zo nee, waarom niet?

Is de Minister bereid om op basis van maatwerk voor personen die vertrek financieel moeilijk kunnen realiseren een tegemoetkoming in te richten? Zo nee, waarom niet?

Deelt de Minister de conclusie uit het rapport dat onder andere door de afschaffing van de basisvoorziening het oorspronkelijke doel van de Remigratiewet om een voorziening te bieden voor hen die de remigratie niet zelf kunnen bekostigen, een groep (de groep die vertrek financieel moeilijk kan realiseren) mogelijk niet volledig bereikt wordt? Zo ja, wat gaat de Minister hieraan doen? Zo nee, waarom niet?

Voorts wordt in het rapport gesteld: «Uit het onderzoek komt naar voren dat met de wetswijziging de uitvoering van de remigratievoorziening is gewijzigd op een manier die op onderdelen moeilijk is uit te leggen en/of onbedoeld lijkt met het oog op het oorspronkelijke doel van de Remigratiewet». Onderschrijft de Minister deze conclusie? Zo nee, waarom niet?

Verder wordt in het rapport gesteld: «Overweeg of de definitie van eerste generatie kan aansluiten bij de algemeen geldende definitie waarbij personen die als minderjarige naar Nederland kwamen wel tot de eerste generatie worden gerekend en daarmee in aanmerking komen voor de remigratievoorziening». Deelt de Minister de mening dat de opmerking uit de brief, namelijk «Bij degenen onder de 18 jaar heeft de vorming en ontwikkeling tot volwassenheid in Nederland plaatsgevonden». gechargeerd is en dit moeilijk van toepassing kan zijn op mensen die bijvoorbeeld na hun 17e naar Nederland zijn gekomen en daardoor slechts enkele maanden in Nederland woonachtig zijn geweest voor hun 18elevensjaar?

Kan de Minister de opmerking «Daardoor is de verwachting dat bij de groep onder 18 jaar de oriëntatie op het herkomstland over het algemeen geringer zal zijn dan voor de groep van 18 jaar en ouder» uit de brief hard maken? Waar blijkt dit uit? Deelt de Minister de mening dat het op basis van verwachtingen beleid maken onvoldoende is?

De leden van de DENK-fractie hebben veel zorgen medegedeeld gekregen over de wijziging van de Remigratiewet. Erkent de Minister dat door de wijziging van de leeftijdseis een grote groep mensen die zich lang voorbereid hebben op vertrek buiten de boot vielen, met alle negatieve gevolgen voor deze mensen van dien? Is de Minister bereid om deze groep mensen tegemoet te komen door middel van maatwerk? Zo nee, waarom niet?

Verder wordt in het rapport gesteld: «Met betrekking tot de toekomst laat het onderzoek zien dat de omvang van de doelgroep voor de Remigratiewet, behoefte aan voorlichting en gebruik van de remigratievoorziening tot het moment van de beoogde uitfasering van de wet per 2025 naar verwachting nog toeneemt. De doelstelling van de Remigratiewet lijkt daarmee ook in 2025 onverminderd relevant». Kan de Minister toegeven dat de redenering van in de brief niet uitsluit dat er een groeiende groep mensen kan zijn die onder de doelgroep van de Remigratiewet kan vallen? Zo nee, waarom niet?

Ook wordt in het rapport gesteld: «Borg de voorlichting, kennis en kunde over remigratie, ook bij uitfasering van de wet. De algemene voorlichtende functie van het NMI over mogelijkheden van terugkeer naar het herkomstland (zonder remigratievoorziening) blijft nodig en van belang. Gezien het specialistische karakter lijkt het wenselijk dit centraal te (blijven) uitvoeren». Kan de Minister de opmerking uit de brief «vanuit de gedachte dat na 2025 de behoefte aan remigratievoorlichting veel minder zal zijn» hard maken, mede in het licht van de in het rapport gestelde groei van de doelgroep?

Tot slot, waarom schuift de Minister vrijwel alle aanbevelingen uit het rapport ter zijde?

Heeft het nog wel zin om evaluatieonderzoek te doen als de Minister er niets mee doet?

Is het de Minister in deze casus vooral te doen om het pesten van mensen met een migratieachtergrond? Zo nee, waarom niet?

II. Reactie van de Minister

Ik dank de Kamerfracties van VVD, D66, SP en DENK voor hun schriftelijke inbreng.

In het navolgende reageer ik themagewijs op de gestelde vragen.

In algemene zin merk ik op dat ik in het onderhavige evaluatie onderzoek relevante aanknopingspunten zie, met name waar het gaat om de verbetering van de arbeidsmarktpositie van Nederlanders met een migratieachtergrond, voor mijn voorgenomen beleid, als uiteengezet bij brief aan u met Kamerstuk 29 544, nr. 821, is betaald werk wat mij betreft niet alleen het ticket naar economische zelfstandigheid, maar ook naar integratie en meedoen aan de Nederlandse samenleving. Wie naast de samenleving staat, eigen schuld of niet, kan zich daar ook naar gaan gedragen. Een baan is bij uitstek het middel

om te integreren, om de Nederlandse taal te leren en om echt mee te doen in onze samenleving. Succesvolle integratie door participatie vereist zowel het nemen van eigen verantwoordelijkheid als een samenleving die iedereen kansen biedt. Het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt past binnen onze bredere aanpak gericht op een inclusieve arbeidsmarkt. Die inclusieve arbeidsmarkt vereist activeren vanuit de bijstand, het leren van de Nederlandse taal aan nieuwkomers en een goede infrastructuur voor werkgeversdienstverlening.

1) Behoud arbeidspotentieel en «groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is» (alle fracties)

Uit de evaluatie is gebleken dat de wetswijziging alleen ontoereikend blijkt om het arbeidspotentieel van de doelgroep van de remigratievoorziening te behouden en te benutten. Alhoewel het beter gaat met de arbeidsmarktpositie van migranten, blijft die in het algemeen achter in vergelijking met die van autochtone Nederlanders. Daarom heb ik besloten te investeren in verbeteren van de arbeidsmarktpositie van migranten via het programma «Verdere integratie op de Arbeidsmarkt» (VIA), zoals ik in mijn brief van 5 november 2018 (Kamerstuk 33 085, nr. 18) als reactie op het evaluatierapport, heb aangegeven. Ik ga met verschillende partijen zoals werkgevers, gemeenten en scholen aan de slag om te onderzoeken welke instrumenten effectief zijn om de arbeidsmarktkansen van personen met een niet westerse migratieachtergrond blijvend te verbeteren. Via een achttal experimentele pilots voor nieuw- en oudkomers laat ik onderzoeken welke instrumenten effectief zijn om deze breder te laten uitrollen en zo op een efficiënte manier te werken aan een arbeidsmarkt die iedereen gelijke kansen biedt. Ik deel daarom de opmerking van DENK niet «of het nog zin heeft om evaluatieonderzoek uit te voeren als de Minister er niks mee doet»: mede op basis van de uitkomsten van het evaluatieonderzoek, zet ik de komende jaren in op verbetering van de arbeidsmarktpositie van Nederlanders met een migratieachtergrond via de hierboven aangegeven maatregelen.

De uitkomsten van de pilots VIA zijn over twee jaar bekend en dan kan bepaald worden welke interventies wel/niet werken.

Alhoewel het de intentie is om met het programma VIA ook zoveel mogelijk personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt te bereiken, is het goed mogelijk dat ondanks alle inspanningen een deel van de doelgroep van Remigratiewet niet bereikt kan worden en deze personen als gevolg van een uitzichtloos bestaan in Nederland de wens hebben om te remigreren. Dat zijn de personen die geduid worden als «groepen waarbij toekomstige arbeidsparticipatie niet realistisch is» Hoe groot deze groep is/wordt, is nu niet te bepalen. Deze personen kunnen mits ze voldoen aan de aangescherpte criteria tot de uitfasering per 2025 in aanmerking komen voor een remigratievoorziening.

2) Tijdelijke status vluchteling en ondersteuning DT&V en IOM (VVD)

In principe kunnen alle vreemdelingen (enkele westerse landen zijn uitgesloten) die Nederland willen verlaten zich wenden tot de DT&V en IOM voor de ondersteuning bij hun terugkeer naar het land van herkomst. Het kan hierbij gaan om zowel (uitgeprocedeerde) asielzoekers als mensen met een vergunning/vluchtelingen. Als personen zich wenden tot IOM voor vrijwillig vertrek kunnen zij ondersteuning krijgen bij het wegnemen van praktische belemmeringen, zoals het vergoeden van vliegtickets en vervangende reisdocumenten. Ook worden ze ondersteund op Schiphol bij hun daadwerkelijk vertrek. In bepaalde gevallen kunnen personen die willen vertrekken ook gebruik maken van aanvullende ondersteuning ten behoeve van de herintegratie in het land van herkomst. Deze ondersteuning kan bijvoorbeeld bestaan uit het volgen van een opleiding of het aanschaffen van materialen die in het land van herkomst kunnen worden gebruikt. Het gaat om ondersteuning in natura ter waarde van maximaal EUR 2.000 waarvan maximaal EUR 500 in cash mag worden uitgekeerd. Ondersteuning in het land van herkomst kan eventueel via de IOM ter plaatse worden geleverd.

Voorts kan worden opgemerkt dat wanneer een land van herkomst weer veilig wordt geacht en het toelatingsbeleid ten aanzien van dat land wordt gewijzigd, dit kan betekenen dat de vergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd. In die gevallen moeten deze personen Nederland verlaten en worden zij door de DT&V verder begeleid. De DT&V zal vervolgens gesprekken met deze personen voeren om de terugkeer te realiseren. Hierbij is de inzet vrijwillige terugkeer maar ook gedwongen terugkeer kan dan aan de orde zijn. Deze maatregelen gelden ook voor de vluchtelingen uit de migratiestroom van 2015.

3) Heroverweeg aantal maatregelen dat tot onbegrip/onvrede leidt bij deel van de doelgroep zoals, beperking 1e generatie 18 jaar, afschaffing basisvoorziening, verlaging van de leeftijdsgrens, beperking bestemmingsland, verruiming van remigratievoorziening voor nieuwe vluchtelingen(SP, DENK)

Zoals ik in mijn brief van 5 november 2018 reeds heb aangegeven, is bij de wetswijziging ervoor gekozen om bij de beperking van de doelgroep tot de eerste generatie, de grens te stellen op 18 jaar omdat men dan volwassen is.

De basisvoorziening is afgeschaft, vanuit het idee dat personen een vrijwillige en weloverwogen keuze maken om te remigreren en daarvoor ook enige eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, door zelf de reis- en verhuiskosten te bekostigen, als de overheid reeds de remigratie-uitkering en ziektekostenvergoeding voor haar rekening neemt. Voorts blijkt uit de evaluatie dat ondanks dat de basisvoorziening is afgeschaft, personen gebruik blijven maken van de remigratieregeling. Ik zie daarom geen reden om de afschaffing van de basisvoorziening terug te draaien of op basis van maatwerk een aparte tegemoetkoming (voor reis-en verhuiskosten) in te richten.

In een periode waarbij van eenieder wordt verwacht langer door te werken, past het niet om het leeftijdscriterium (dat voor de doelgroep van de Remigratiewet met 55 jaar al lager is dan de AOW leeftijd van 67) verder omlaag te brengen.

Voor wat betreft de opmerking dat een grote groep mensen die zich jaren heeft voorbereid, buiten de boot is gevallen door de verhoging van de leeftijdseis, kan worden opgemerkt dat er bij alle regelingen personen zullen zijn, die geen gebruik kunnen maken daarvan, omdat ze niet voldoen aan (alle) criteria. Er is voor een ruime overgangsperiode van 10 jaar gekozen (tot de uitfasering) om zoveel mogelijk personen de kans te geven van de remigratieregeling gebruik te maken.

De keuzemogelijkheid van beperking van de bestemmingslanden tot het herkomstland is destijds genomen vanuit de gedachte dat veel maatregelen zijn getroffen om te investeren in de inburgering van personen en ze daarom voldoende in staat worden geacht om na 8 jaar een zelfstandig leven op te bouwen in Nederland.

Om die reden acht ik uitbreiding van het bestemmingsland naar landen in de regio (van land van herkomst) onwenselijk. Daarnaast kan dit technisch moeilijk uitvoerbaar zijn in verband met de afweging naar welk land in de regio wel/niet te remigreren.

Voor de groep «nieuwe vluchtelingen» die na 2014 naar Nederland is gekomen, is het nog te vroeg om aan te geven hoe zij zich zullen ontwikkelen in Nederland. Het gaat daarbij veelal om jonge gezinnen (waarvan velen ook weloverwogen voor Nederland hebben gekozen), waarbij met diverse aanpakken (vroege participatie en integratie, taallessen vanaf dag 1, screening en matching competenties, koppeling met arbeidsmarktregio’s) wordt geprobeerd om ze zo goed mogelijk te laten inburgeren in Nederland zodat ze de kans krijgen een zelfstandig bestaan in Nederland te kunnen opbouwen. Het past daarom niet om in dit stadium de remigratieregeling te verruimen.

Om voornoemde redenen en het feit dat het kabinet en de (meerderheid van de) Tweede Kamer destijds ingestemd hebben met de keuzes n.a.v. de wetswijziging, zie ik geen reden om voornoemde maatregelen te heroverwegen. Daarnaast blijkt ook uit de evaluatie dat de wetswijziging goed is doorgevoerd en werkt in de praktijk.

4) Budgettaire gevolgen wetswijziging (DENK)

Er is vooralsnog geen sprake van besparingen op dit budget. Voorafgaand aan de doorvoering van de wetswijziging is het aantal aanvragen en toekenningen om een remigratievoorziening op basis van de oude regeling toegenomen, als gevolg waarvan de uitkeringen na 2014 juist zijn toegenomen (38 mln. voor 2014, 44 mln. jaarlijks in de periode 2015- 2018). De uitgaven van deze regeling zullen na enige tijd lager worden maar op dit moment is nog niet precies aan te geven wanneer dit zal gebeuren.

5) Heroverweeg de uitfasering van de Wet (D66, SP, DENK)

Op dit moment zie ik geen aanleiding om vooruit te lopen op prognoses na 2014, criteria aan te passen, of de uitfasering van de Wet te heroverwegen, omdat ik eerst wil inzetten op een betere benutting van het arbeidspotentieel van de doelgroep door middel van het programma VIA.

6) Borg de voorlichting, kennis en kunde over remigratie, ook bij uitfasering van de Wet (DENK)

In mijn brief aan de Kamer als reactie op het evaluatierapport, heb ik reeds aangegeven in gesprek te blijven met het NMI met betrekking tot borging van voorlichting, kennis en kunde over de remigratiewet en de voorzetting van hun dienstverlening in relatie tot uitfasering van de Remigratiewet. Daarnaast is de kennis over de Remigratiewet ook geborgd bij de Sociale Verzekeringsbank die is belast met de uitvoering van de Wet.