Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233078 nr. 10

33 078 Wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen)

Nr. 10 AMENDEMENT VAN HET LID GRASHOFF

Ontvangen 14 juni 2012

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

Artikel I, onderdeel A, artikel 1.1a, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 1a. Bij het veranderen of het veranderen van de werking van de landbouwinrichting, bedoeld in het eerste lid, wordt de bedrijfswoning, bedoeld in het eerste lid, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet beschouwd als onderdeel van deze landbouwinrichting, indien de verandering leidt tot een significante verslechtering van de woon- en leefsituatie van de derde die de bedrijfswoning bewoont.

2. In het tweede lid wordt «van het eerste lid» vervangen door: van het eerste lid en lid 1a».

II

In artikel I, onderdeel B, wordt aan het slot van het zevende lid een zinsnede toegevoegd, luidende: , tenzij:

  • a. het bouwwerk een bedrijfswoning betreft als bedoeld in artikel 1.1a, eerste lid,

  • b. de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een landbouwinrichting dan wel op het veranderen van de werking van een landbouwinrichting, en

  • c. deze verandering leidt tot een significante verslechtering van de woon- en leefsituatie van de derde die de bedrijfswoning bewoont.

Toelichting

Dit amendement regelt dat bij het veranderen van de landbouwinrichting, de plattelandswoning niet als onderdeel van de inrichting wordt beschouwd indien deze verandering leidt tot een significante verslechtering van de woon- en leefsituatie van de derde die de bedrijfswoning bewoont. Met een significante verslechtering wordt bijvoorbeeld gedoeld op de situatie waarin bij de landbouwinrichting een grote intensivering plaatsvindt van bebouwing door gebouwen en installaties en zaken als geluid- en geurhinder en beperking van uitzicht fors toenemen. Het gebruik is dan wel conform het bestemmingsplan, maar heeft wel grote gevolgen voor de derde die de plattelandswoning bewoont.

Veel bestemmingsplannen kennen omtrent agrarische bedrijven algemene normen en waarden, waardoor een derde die een plattelandswoning koopt niet op voorhand (gedetailleerd) weet wat hij kan verwachten op het perceel rondom zijn aan te kopen woning. In dit soort gevallen is het dan ook niet redelijk om van deze derde te verwachten dat hij de significante verslechtering altijd moet accepteren omdat de algemene normen en waarden uit het bestemmingsplan dit nu eenmaal mogelijk maken. De indiener is van mening dat in dergelijke gevallen de derde wel degelijk bescherming dient te genieten.

Grashoff