33 065 Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met aanpassing van de dienstverlening van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan werkgevers en werkzoekenden en de opheffing van de Raad voor werk en inkomen als publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en van de Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met de beëindiging van de inzet van het re-integratiebudget Werkloosheidswet en van loonkostensubsidies

E NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 19 april 2012

Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid over bovengenoemd wetsvoorstel.

De leden van de fracties van de PvdA en ChristenUnie hebben nadere vragen gesteld over toegespitste dienstverlening, toegankelijkheid van digitale dienstverlening, de uitvoeringsstructuur, fraudegevoeligheid en afbouw loonkostensubsidie.

In deze nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering in op de vragen en opmerkingen van de verschillende fracties.

I.

Toegespitste dienstverlening

1

II.

Toegankelijkheid van digitale dienstverlening

3

III.

Uitvoeringsstructuur

6

IV.

Fraudegevoeligheid

7

V.

Afbouw loonkostensubsidie

8

I. Toegespitste dienstverlening

Een belangrijke premisse van de wetswijziging heeft van doen met de recente werkervaring van WW-gerechtigden en het feit dat een groot deel van hen binnen een jaar weer uitstroomt. De leden van de ChristenUnie-fractie verzoeken de regering een kwantitatief beeld te bieden van deze uitstromers en hun kenmerken. De leden vragen of er sprake is van selectieve uitstroom. De leden vragen of de regering in het verlengde hiervan ook een kwalitatief beeld kan schetsen van de niet-instromers. De leden vragen hoe een systematische vergelijking tussen uitstromers en niet-uitstromers uitvalt. En wat deze analyse betekent voor de inzet op digitalisering van de dienstverlening door het UWV en de digitale competenties die dit vereist van de doelgroep.

In de vraag wordt gesproken over niet-instromers en later niet-uitstromers. Verondersteld is dat beide keren niet-uitstromers bedoeld worden. Bij de beantwoording van de vraag is daarom uitgegaan van niet-uitstromers.

In het kennisverslag 2012-I (www.uwv.nl/OverUWV/kennis_cijfers_en_onderzoek) worden de volgende cijfers gepresenteerd van de WW-uitstroom in het jaar 2010.

 

WW-uitstroom 2010

Totaal

375 958

100%

Waarvan:

aantal

aandeel

Reden einde uitkering

   

Werkhervatting

180 700

48,1%

Werk als zelfstandige

10 354

2,8%

Ziektewet-uitkering

21 413

5,7%

Bereiken leeftijd 65 jaar

3 258

0,9%

Maximumduur WW-uitkering

132 066

35,1%

Maatregel

1 882

0,5%

Overige redenen

26 285

7%

Bepaalde kenmerken blijken een grotere kans op werkhervatting te geven. Zoals uit de tabel valt op te maken stroomt jaarlijks bijna 50% van de WW-gerechtigden uit naar werk. Een hoger opleidingsniveau en een leeftijd tussen de 35 en 44 jaar vergroten de kans op uitstroom naar werk.

Van de WW-gerechtigden stroomt 35% uit als gevolg van het bereiken van de maximumduur van de WW-uitkering. Bij het bereiken van de maximumduur WW gaat het met name om twee groepen: WW-gerechtigden tot 27 jaar en WW-gerechtigden van 55 jaar en ouder. De jongeren hebben veelal een korte duur van het WW-recht. Ze hebben onvoldoende arbeidsverleden voor een verlengde uitkering na drie maanden WW. WW-gerechtigden van 55 jaar hebben vaak een langdurig WW-recht. Zij stromen niet zo snel in, maar als ze eenmaal een uitkering hebben, stromen ze minder makkelijk uit dan andere groepen.

UWV gebruikt deze kennis om de dienstverlening te verbeteren zodat deze aansluit bij de behoefte van deze groepen. Uit onderzoek blijkt dat met name ouderen problemen ondervinden bij het werken met digitale dienstverlening. Daarom worden met name voor deze categorie ondersteunende hulpmiddelen ontwikkeld. Vooral deze groep zal extra ondersteuning krijgen, in de vorm van face to face dienstverlening of via 55plus-netwerken. UWV heeft van SZW budget ontvangen om te onderzoeken hoe deze netwerken kunnen worden vormgegeven zodat de financiering daarvan past binnen de taakstelling.

In het algemeen spant UWV zich in om de digivaardigheden van WW-gerechtigden te vergroten en ondersteunt UWV de groep die daar problemen mee heeft, zoals uiteengezet in de memorie van antwoord.

De leden van de ChristenUnie-fractie schrijven dat het kabinet telkenmale betoogt dat de dienstverlening van het UWV wordt toegespitst op mensen die het echt nodig hebben. Dit is een belangrijke reden om de dienstverlening af te slanken. De leden herhalen hun vraag of de dienstverlening van het UWV dan in de ogen van de regering te veel gericht was op werkzoekenden die deze dienstverlening niet echt nodig hadden.

Nederland staat voor de opgave om de overheidsfinanciën op orde te brengen en de economie te versterken. Dit gaat gepaard met bezuinigingen en duidelijke keuzes. Het kabinet kiest voor omvorming naar een compacte slagvaardige overheid. UWV levert daaraan een flinke bijdrage.

In het verleden had UWV ruimer budget en daarmee mogelijkheden om meer werkzoekenden intensief te ondersteunen en re-integratietrajecten aan te bieden. Er worden nu andere keuzes gemaakt door het Kabinet. Eigen verantwoordelijkheid van burgers staat voorop. Ook is het gebruik van digitale dienstverlening op tal van terreinen de laatste jaren vrij algemeen gebruik geworden. Er wordt daarom scherper geselecteerd aan wie nog wel intensieve dienstverlening wordt aangeboden. In de memorie van antwoord is reeds aangegeven waarom de regering ervoor kiest niet langer re-integratiebudget in te zetten voor WW-gerechtigden. Zij zijn kansrijk en een groot deel van hen stroomt binnen een jaar weer uit.

De leden van de ChristenUnie-fractie schrijven dat de regering stelt dat in 2015 1170 Werk & E-coaches bij het UWV werkzaam zullen zijn. De leden vragen hoeveel dat er op dit moment zijn. De leden vragen hoe de regering kan verzekeren dat de expertise van het UWV met face-to-face contacten met werkzoekenden niet verloren gaat door de transitie naar digitale dienstverlening.

Op dit moment werken bij UWV ruim 1800 werkcoaches/e-coaches voor de WW. Van de 1170 werkcoaches/e-coaches die in 2015 nog bij UWV werkzaam zullen zijn voor de WW-doelgroep, voert een groot deel ook nu al dit werk uit. De huidige expertise voor het verlenen van face to face dienstverlening blijft daarmee behouden, al zal UWV in 2015 wel minder face to face dienstverlening bieden. Werkcoaches worden intensief geschoold in digitale dienstverlening.

II. Toegankelijkheid van digitale dienstverlening

De leden van de PvdA-fractie maken zich, zoals ook blijkt uit het voorlopig verslag, zorgen om de toegankelijkheid van e-dienstverlening. De leden schrijven dat de regering in reactie daarop heeft aangegeven dat er een programma is als Digivaardig & Digibewust, dat er workshops worden gegeven, dat de regering het project Digisterker is gestart, dat er pilots zijn in openbare bibliotheken om laaggeletterden te ondersteunen en dat het project «UWV digibeten aan de slag» onlangs subsidie heeft ontvangen. De leden vragen of de regering aan kan geven welk percentage van de groepen WW-gerechtigden die als laaggeletterd of onvoldoende digivaardig kunnen worden aangemerkt hiermee bereikt wordt.

De digitale dienstverlening wordt zoveel mogelijk toegankelijk gemaakt voor iedereen, ondermeer door filmpjes waarin de dienstverlening nader toegelicht wordt en de werkzoekende stap voor stap door de dienstverlening van UWV wordt geleid. Daarnaast zal de werkcoach iedere WW-gerechtigde die onvoldoende digivaardig blijkt, doorverwijzen naar een workshop om deze vaardigheden te verbeteren. In principe zal dus 100% van deze doelgroep aangemoedigd worden deel te nemen aan een relevante workshop.

De leden van de PvdA-fractie schrijven dat de regering aangeeft dat de omvang van de groepen WW-gerechtigden die als laaggeletterd of onvoldoende digivaardig kunnen worden aangemerkt niet bekend is. Desalniettemin verwacht de regering niet dat de digitale dienstverlening de afstand tot de arbeidsmarkt voor WW-gerechtigden zal vergroten of dat het aantal uitkeringen zal toenemen. De leden vragen hoe de regering tot deze conclusie kan komen als de omvang van de groepen WW-gerechtigden die als laaggeletterd of onvoldoende digivaardig kunnen worden aangemerkt niet bekend is.

De invoeringstijd van het Redesign zal worden benut om de digitale dienstverlening verder te verbeteren. Daarvoor is UWV gestart met een longitudinaal onderzoek naar de toegankelijkheid van digitale dienstverlening voor haar klanten en onderzoekt UWV de ervaringen van werkzoekenden met digitale dienstverlening. Dit onderzoek zal informatie opleveren op welke manier de digitale dienstverlening verder geoptimaliseerd kan worden, zodat de toegankelijkheid (ook voor WW-gerechtigden die als laaggeletterd of onvoldoende digivaardig kunnen worden aangemerkt) en klanttevredenheid verder kunnen toenemen. De verwachting is dat er door de invoering van digitale dienstverlening bij arbeidsbemiddeling geen veranderingen zullen optreden in de uitstroom naar werk.

De leden van de PvdA-fractie maken zich blijkens het voorlopig verslag voorts zorgen om de risico’s en onzekerheden betreffende de digitale dienstverlening. De leden schrijven dat de regering in reactie daarop heeft aangegeven dat de bestaande systemen van UWV de basis vormen door de systemen die noodzakelijk zijn voor de digitale dienstverlening. De leden vragen om een onderbouwing van de stelling van de regering dat de implementatie van de transformatie op dit moment op schema loopt. De leden vragen op welke termijn de regering verwacht dat er een adequaat, betrouwbaar en toegankelijk digitaal systeem zal zijn, en of de regering die verwachting toelichten.

Voor de ontwikkeling van de digitale dienstverlening en de uitrol naar de werkpleinen heeft UWV WERKbedrijf een gedegen ontwikkelprogramma gemaakt. Onderdeel van dit programma is een voortdurende monitoring van de voortgang, de effecten en de resultaten van de overgang van de huidige dienstverlening naar digitale dienstverlening in 2015.

Het ontwikkelprogramma heeft als voornaamste doelstellingen om de stabiliteit, beschikbaarheid en performance van de digitale dienstverlening te borgen. Het ontwikkelprogramma kent een tijdsfasering. In de eerste fase (2011) is het ontwikkelingspad in kaart gebracht van het huidige naar het toekomstige ICT-landschap. Daarbij is een aantal haalbaarheidstudies en impact analyses uitgevoerd. Het programma is samen met strategische partners en leveranciers ontwikkeld en vervolgens met onafhankelijke partijen besproken. In de tweede fase (2012–juli 2013) worden de belangrijkste veranderingen in de infrastructuur en de beheerorganisatie gerealiseerd. In de derde fase (juli 2013–2015) worden de applicaties en de infrastructuur verder verbeterd.

Op hoofdlijnen ligt het ontwikkelprogramma op schema. Hiermee loopt de ontwikkeling van de digitale dienstverlening in de pas met de afname van face tot face dienstverlening. De regering blijft de voortgang monitoren.

De leden van de ChristenUnie-fractie schrijven dat zij de regering in het voorlopig verslag verzocht hebben de resultaten te mogen ontvangen van de pilots met digitale dienstverlening aan WW-gerechtigden. De leden geven aan dat in de memorie van antwoord evenwel niet op dit verzoek is teruggekomen. De leden herhalen derhalve het verzoek.

De pilotvestigingen zijn koplopervestigingen die de nieuwe dienstverlening als eerste beproeven, met name om technische fouten en onvolkomenheden op te speuren en op te lossen. De ervaringen van de koplopervestigingen worden in de eerste plaats gebruikt om de digitale dienstverlening verder te verbeteren. Van de ervaringen van deze koplopervestigingen is geen rapport opgesteld. Wel is er het volgende beeld over de koplopervestigingen.

De implementatiestrategie op het terrein van de digitale dienstverlening gaat uit van een stapsgewijze implementatie, waarbij gestart wordt in de 11 koplopervestigingen. Elk district had in 2011 één koploper die ook echt voorliep op de overige vestigingen in het district. Voor de vestigingen is een aantal doelstellingen geformuleerd, zoals het minimum percentage van de WW-gerechtigden dat gebruik maakt van de digitale dienstverlening (80% in de eerste 3 maanden, en 60% in de periode van 3–12 maanden) en de voorwaarde dat de uitstroom naar werk en de klanttevredenheid niet mogen dalen.

De koplopers hebben de digitale dienstverlening beproefd op de volgende aspecten:

  • Handhavingaspecten;

  • Vragen die binnenkomen binnen 24 uur beantwoorden;

  • Combinatie van speeddates met een informatiebijeenkomst;

  • Eenduidig inrichten van workshops voor intensieve dienstverlening.

Tevens richtten de koplopers zich op de ICT-ondersteuning en de implementatieaanpak. Nagegaan werd in hoeverre het bepalen en uitvoeren van de dienstverlening verder kon worden geautomatiseerd en of de performance voldoende bleef. Ook werd nagegaan of de voorwaarden voor de stap naar de volgende fase (release) voldoende was en of de toolkit aansloot bij de verwachtingen. Door de ervaringen van de koplopers werd duidelijk welke ondersteuningsbehoefte nodig was voor de vestigingen.

Over de resultaten van de koplopervestigingen in 2011 kan het volgende gemeld worden:

  • De digitale intake is op de koplopervestigingen iets sterker gestegen dan op de overige vestigingen (+ 13,6 procentpunten tegenover 10,3 procentpunten op de overige vestigingen). In nagenoeg alle (8 van de 11) koplopervestigingen vroeg in 2011 een groter deel van de WW-gerechtigden de uitkering digitaal aan dan landelijk het geval was. Over heel 2011 vroeg op de koplopervestigingen 79% van de WW-gerechtigden de uitkering digitaal aan (overige vestigingen: 76%).

  • Het gebruik van de werkm@p (= een digitale «mijn»-omgeving op de website werk.nl) nam in 2011 op de koplopervestigingen sterker toe (met 28,1 procentpunten) dan elders het geval was (23,2 procentpunten). Op 9 van de 12 koplopervestigingen werd de werkm@p in de eerste drie maanden van inschrijving meer gebruikt dan op andere vestigingen. Het werkm@p-gebruik bedroeg in 2011 op koplopervestigingen onder WW-gerechtigden 68% (op andere vestigingen: 64%).

  • De uitstroom van WW-gerechtigden in de eerste 3 maanden van werkloosheid was in 2011 op 4 van de 11 koplopervestigingen hoger dan het landelijk gemiddelde. In de resterende 7 koplopervestigingen bleef de uitstroom relatief achter bij het landelijk gemiddelde. De terugloop van de uitstroom deed zich overigens vooral voor in het eerste halfjaar. Daarna gaven de resultaten een verbetering te zien.

  • Het klanttevredenheidscijfer onder werkzoekenden was in 2011 op de koplopervestigingen gemiddeld iets lager dan landelijk het geval was (6,0 t.o.v. 6,2 landelijk).

  • Op de vestigingen waarop digitale dienstverlening in 2011 een groter gebruik kende dan elders, bleven de resultaten gemeten in uitstroom en de klanttevredenheid dus enigszins achter op de overige vestigingen. In de loop van de tijd is het beeld wel veranderd. Na het aanvankelijk teruglopen van de resultaten trad in de loop van het jaar een geleidelijke verbetering op.

Al met al kan gesteld worden dat de koplopervestigingen een nuttige functie vervuld hebben. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de uitstroom en klanttevredenheid op termijn op peil zullen blijven, mede door de inspanningen die zijn gericht op het verbeteren van de dienstverlening. In 2012 zijn alleen de regionale werkpleinen nog koploper, omdat alleen op deze vestigingen de werkgeversdienstverlening en dienstverlening aan gedeeltelijk arbeidsgeschikten worden verleend. Per (groep van) koploper(s) zijn activiteiten toebedeeld (zoals handhaven/taken, gestandaardiseerde workshops, diagnose e.d.) die daar als eerste zullen worden beproefd.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering ook ervaringen in het buitenland verdisconteerd heeft met digitale dienstverlening aan werkzoekenden. Bijvoorbeeld de gangbare praktijk in Denemarken. De leden vragen welke lessen hieruit getrokken zijn, met name ook wat betreft moeilijke bereikbare, kwetsbare groepen van WW-gerechtigden. De leden stellen dat op dit punt de memorie van toelichting en de memorie van antwoord erg karig zijn.

UWV heeft regelmatig contact met arbeidsvoorzieningsorganisaties van Europese landen met een vergelijkbaar sociaal zekerheidsstelsel. Vanwege parallelle ontwikkelingen in de aanpak van werkloosheid worden vooral ervaringen uitgewisseld met Denemarken. Deze ervaringen worden meegenomen in de ontwikkeling van het dienstverleningsconcept van UWV. Denemarken werkt aan de ontwikkeling van digitale dienstverlening op meerdere beleidsterreinen, in de vorm van een «mijn»-omgeving, voor al haar burgers. In vergelijking met Nederland gaat Denemarken minder ver in het terugbrengen van face to face begeleiding aan WW-gerechtigden. Conclusie is dat Nederland voorop loopt in de omslag naar digitale dienstverlening.

Een bezuiniging zoals in Nederland op de arbeidsvoorziening heeft Denemarken niet, maar Engeland wel. In Engeland vindt dan ook een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Ook daar wordt bezuinigd op de intensievere en duurdere face to face dienstverlening.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of in het kader van de digitalisering van de dienstverlening er een specifieke resultaatverantwoordelijkheid van het UWV Nieuwe Stijl wordt verwacht en of deze geëxpliciteerd is.

Effecten van de veranderde dienstverlening zullen nauwlettend worden gemonitord. Daarbij wordt onder andere gelet op de volgende aspecten:

  • ontwikkeling prestatie-indicatoren (uitstroom naar werk, klanttevredenheid, precentage geregistreerde vacatures);

  • realisatie taakstelling;

  • realisatie beleidsmatige doelstellingen (o.a. toegankelijkheid digitale dienstverlening, kwaliteit digitale matching, samenwerking met private partijen, doorontwikkeling diagnose-instrument, doorontwikkeling digitale handhaving).

Bezien wordt of en in hoeverre de prestatie-indicatoren die met UWV zijn afgesproken, moeten worden aangepast op het nieuwe dienstverleningsconcept.

III. Uitvoeringsstructuur

De leden van de PvdA- fractie geven aan dat zij in het voorlopig verslag ook aandacht gevraagd hebben voor de uitvoerbaarheid van de voorgestelde wetswijziging, met name met betrekking tot de kaders van dienstverlening, een basispakket aan gezamenlijk te garanderen dienstverlening en ieders rol/bijdrage aan de te realiseren uitvoeringsstructuur. De leden schrijven dat de regering in reactie daarop heeft aangegeven dat de VNG gemeenten in een ledenbrief op 1 februari 2012 heeft aangespoord om samen te werken op het terrein van werkgeversdienstverlening in het kader van de WWNV. Medio 2012 (juni) zal de VNG de stand van zaken rond regiovorming met de staatssecretaris bespreken. De leden vragen hoe de regering verwacht dat de leden van de PvdA-fractie het huidige voorstel kunnen beoordelen alvorens de stand van zaken rond regiovorming bekend is. De leden hebben de indruk dat regering het kennelijk niet haar taak vindt om ervoor te zorgen dat de uitvoerende partijen in de gelegenheid worden gesteld goede afspraken te maken over rollen en verantwoordelijkheden. De leden vragen of dit een juiste observatie is, en zo nee, waarom niet. En zo ja, vragen de leden waarom de regering dit niet tot haar taken acht te behoren.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verantwoordelijk voor het stelsel van werk en inkomen. UWV en gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderhavige beleid.

Gemeenten en UWV worden op grond van het voorstel tot wijziging van de Wet SUWI verplicht om te zorgen voor regionale samenwerking bij de werkgeversdienstverlening. Daarbij is van belang dat er wordt samengewerkt en dat er 1 regionaal aanspreekpunt is voor werkgevers. Hoe er wordt samengewerkt bepalen de regio’s zelf. Door de verantwoordelijkheid voor hoe er wordt samengewerkt bij UWV en gemeenten te laten, stelt de regering hen juist in staat om hun taken adequaat te kunnen uitvoeren. UWV en gemeenten zijn immers bij uitstek deskundig om dit zelf te bepalen.

Voor wat betreft de indeling in regio’s, hanteert de regering de huidige 30 arbeidsmarktregio’s als vertrekpunt. UWV zal haar werkzaamheden verrichten vanaf de regionale werkpleinen in deze regio’s. De regering gaat ervan uit dat gemeenten hun indeling en werkzaamheden hierop aansluiten.

Om de regionale samenwerking te bevorderen heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Programmaraad budget beschikbaar gesteld. De Programmaraad heeft onder meer een werkgroep werkgeversdienstverlening ingesteld die regio’s ondersteunt bij de nadere invulling van regionale werkgeversdienstverlening. Ook heeft de Programmaraad aanjagers benoemd die de ontwikkeling in de regio’s stimuleren. Partijen zijn daarmee in staat goede afspraken te maken over de nadere invulling. In mei/juni bespreekt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de voortgang met de Programmaraad.

Veel gemeenten zijn hier inmiddels voortvarend mee aan de slag gegaan. Zo hebben UWV en de G4 een samenwerkingsovereenkomst afgesloten die momenteel nader wordt uitgewerkt en als voorbeeld kan dienen voor andere regio’s. De regio Friesland heeft de dienstverlening inmiddels ingericht in lijn met het wetsvoorstel. Men heeft een gezamenlijke regiocoördinator aangesteld die een intensieve netwerkrol krijgt tussen bestaande initiatieven op lokaal en regionaal niveau. Op die manier speelt men in op vragen van werkgevers bij vacatures en bij bemiddeling van werk naar werk en scholing.

IV. Fraudegevoeligheid

De leden van de PvdA-fractie maken zich blijkens het voorlopig verslag zorgen over de fraudegevoeligheid van e-dienstverlening. De leden schrijven dat de regering in reactie daarop heeft aangegeven dat naast de inzet van de overheid om identiteitsfraude te voorkomen, de burgers hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen. De regering heeft aangegeven dat als burgers identiteitsfraude vermoeden, ze dit kunnen melden aan het Centraal Meld- en Informatiepunt Identiteitsfraude en -fouten (CMI). De leden schrijven dat de Nederlandse bevolking zich echter, in verhouding tot andere Europeanen, het minst zorgen maakt over het risico op identiteitsfraude. De leden vragen hoe de regering voornemens is burgers te informeren hoe persoonlijke informatie wordt gestolen en hoe dit te voorkomen is.

De regering neemt al veel maatregelen om burgers te informeren hoe zij kunnen voorkomen dat persoonlijke informatie wordt gestolen. Deze zijn zowel gericht op de papieren als de digitale identiteit. Deze taken vallen grotendeels onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van de minister van Veiligheid en Justitie. Zo heeft het ministerie van Veiligheid en Justitie TV-spotjes gemaakt over de manier waarop de burger veilig met digitale gegevens moet omgaan.

Werkzoekenden hebben alleen toegang tot de werkm@p door gebruik te maken van Digid. Daarnaast heeft UWV op haar website een bericht geplaatst om werkzoekenden alert te maken op zorgvuldig gebruik van gegevens in CV’s om zo misbruik tegen te gaan.

V. Afbouw loonkostensubsidie

De leden van de ChristenUnie-fractie schrijven dat het instrument van de loonkostensubsidie zal worden afgebouwd. Daarbij wordt door de regering o.a. verwezen naar de Monitor Loonkostensubsidie. De leden vernemen graag of aan deze beslissing ook meer diepgaand evaluatieonderzoek ten grondslag heeft gelegen. Zij wordt graag van de uitkomsten ervan in kennis gesteld.

De regering heeft zich bij het besluit om geen nieuwe financiële middelen beschikbaar te stellen voor de inzet van loonkostensubsidie door UWV onder meer laten leiden door de Monitor Loonkostensubsidie UWV, meting najaar 2010. Deze is op 26 oktober 2011 aangeboden aan de Tweede Kamer via de onderzoeksrapportages tweede tertaal 2011. Deze monitor is gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door het bureau Regioplan in opdracht van UWV. Voor dit onderzoek zijn werkgevers, UWV en re-integratiebedrijven benaderd. Naast dit onderzoeksrapport is bij de afweging gebruik gemaakt van eerdere monitorrapporten1 die in opdracht van UWV zijn uitgevoerd naar de inzet van loonkostensubsidie en van de realisatiecijfers uit de jaarverslagen en tussentijdse verslagen van UWV.

Gelet op het feit dat de inzet van loonkostensubsidie in beginsel een tijdelijk karakter had gekregen, is bezien of het instrument in de jaren 2009 tot en met 2011 voldoende toegevoegde waarde had. Op basis van bovenstaande bronnen is geconcludeerd dat deze waarde onvoldoende is vast komen te staan. Zo blijkt uit de Monitor Loonkostensubsidie dat voor slechts 20 procent van de werkgevers die gebruik hebben gemaakt van het instrument loonkostensubsidie dat deze subsidie van doorslaggevende betekenis is geweest bij het aannemen van een moeilijk plaatsbare. Ook bij re-integratiebedrijven is er geen eenduidig beeld van de toegevoegde waarde van het instrument.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp


X Noot
1

De betreffende onderzoeken zijn aangeboden aan de Tweede Kamer op 22 juni 2009 (TNO-rapport Brugbanen), 31 maart 2010 (monitor Brugbanen, voorjaar 2010) en 23 december 2010 (monitor Loonkostensubsidie, meting voorjaar 2010 en Monitor loonkostensubsidie UWV, meting voorjaar 2010 onder werkgevers).

Naar boven