Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233042 nr. 2

33 042 Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)

Nr. 2 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 oktober 2011

Naar aanleiding van het verzoek van de Algemene Commissie voor Immigratie en Asiel, zoals verwoord in de brief van 28 september 2011, heb ik u op 30 september jl. laten weten een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) (Kamerstuk 33 042, nr. 1). Hierbij informeer ik u nader over de opzet van het onderzoek, de onderzoeksvragen welke ik beantwoord wil zien, en de wijze waarop het onderzoek zal worden uitgevoerd. Ik zal daarbij allereerst ingaan op het onderzoek naar het werkklimaat en de bestuursstructuur van het COA. Vervolgens zal ik ingaan op de andere lopende onderzoeken.

Onderzoeksfocus

Het onafhankelijke feitenonderzoek naar het functioneren van het COA is gericht op het werkklimaat en de bestuursstructuur van het COA. Het onderzoek heeft daarnaast als doel aanbevelingen te doen over maatregelen die genomen kunnen worden indien verbeteringen nodig en mogelijk zijn voor een optimaal functioneren van het COA als onderdeel van de vreemdelingenketen. In het onderzoek wordt de vraag meegenomen die eerder in opdracht van de Raad van Toezicht van het COA zou worden onderzocht, namelijk of, en zo ja waarom, geen gebruik is gemaakt van de bestaande klachtmogelijkheden binnen het COA. Bij het onderzoek wordt betrokken de vraag in hoeverre de bij het ZBO betrokken actoren waaronder mevrouw Albayrak, de Raad van Toezicht, de Ondernemingsraad en het departement hebben gehandeld naar de uitgangspunten die voortvloeien uit «good public governance» c.q. hun rol adequaat hebben ingevuld, met name ten aanzien van het werkklimaat en de bestuursstructuur. Het onderzoek zal zich toespitsen op de volgende deelgebieden.

Cultuur

  • Hoe kunnen de cultuur, het werkklimaat, en de bestuursstijl binnen het COA gekenmerkt worden? Is er sprake van een angstcultuur? Waaruit wordt dit afgeleid?

  • Is de mobiliteit in de top van het COA te relateren aan voorgaande vragen?

  • Hoe is de integriteit binnen de organisatie geborgd en welke procedures zijn hiervoor ingericht?

  • Hoe functioneert het interne en externe klachtrecht van het COA?

  • In welke mate en waar zijn klachten over het werkklimaat aangekaart en op welke wijze is hierop gereageerd door de verantwoordelijke functionarissen?

  • Zijn er verbeteringen mogelijk in de opzet en werking van het klachtrecht van het COA? Zo ja, welke?

  • Hoe is de samenwerking tussen de bestuurder van het COA en de medezeggenschap?

  • Wat is de rol van de Raad van Toezicht in deze (geweest)?

  • Hoe kan, indien dat nodig blijkt te zijn, de bedrijfscultuur in de toekomst geoptimaliseerd worden?

Structuur

  • Hoe ziet de formele bestuursstructuur en (juridische) positionering van het COA er uit? Wat zijn de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de eerder genoemde bij het ZBO betrokken actoren?

  • Hoe kunnen de bestuursstructuur en (juridische) positionering van het COA gekenmerkt worden?

  • Op welke wijze draagt de huidige structuur en positionering bij aan een heldere (bestuurlijke) informatievoorziening aan de minister en tussen de partners in de vreemdelingenketen?

  • Beïnvloeden de huidige bestuursstructuur en positionering de effectiviteit en efficiëntie van het COA en zo ja, op welke wijze?

  • Biedt deze voldoende sturingsmogelijkheden voor de minister?

Toekomst

  • Welke aanbevelingen kunnen worden gedaan om de cultuur en structuur van de organisatie van opvang van asielzoekers te versterken, om de samenwerking met de andere organisaties in de vreemdelingenketen te versterken en om de informatievoorziening aan en sturingsmogelijkheden van de minister te optimaliseren en de effectiviteit en efficiëntie van het COA verder op te voeren?

Uitvoerder van het onderzoek

Het onderzoek wordt onafhankelijk uitgevoerd door een externe dienstverlener, onder leiding van een onafhankelijke, gezaghebbende persoon. In het onderzoeksteam wordt deskundigheid ingebed op «public governance»/ toezicht op ZBO’s en organisatiecultuur. De externe dienstverlener zal via de mantelovereenkomst van het ministerie van Binnenlandse Zaken worden gecontracteerd.

Onderzoek naar financieringssystematiek

Naast het voornoemde onderzoek zal onafhankelijk onderzoek plaatsvinden naar de financieringssystematiek die wordt gehanteerd ten aanzien van het COA. Dit onderzoek zal zich op de volgende twee hoofdvragen richten:

  • Is de financieringssystematiek van het COA (nog) adequaat in deze tijd van dalende aantallen asielzoekers?

  • Is de kostprijs die wordt gehanteerd voor een opvangplaats bij het COA adequaat?

Dit onderzoek zal worden uitgevoerd door Ernst & Young Accountants.

Intern onderzoek COA

Ook meld ik u dat het interim bestuur van het COA opdracht heeft gegeven aan KPMG Advisory om de informatievoorziening over onder meer de bezoldiging van de op non actief gestelde directeur van het COA te onderzoeken. De Rijksaccountantsdienst doet een review ten behoeve van de minister voor Immigratie en Asiel op de onderzoeksresultaten die KPMG Advisory oplevert.

Tot slot

In de afgelopen weken is er sprake geweest van veel berichtgeving over de situatie bij het COA. Naar aanleiding van gestelde kamervragen, heb ik richting uw Kamer op de inhoud van deze berichtgeving gereageerd op basis van de informatie die mij op dat moment ter beschikking stond. Inmiddels zijn op basis van de eerste bevindingen van bovengenoemd intern onderzoek vragen gerezen over de door de Raad van Toezicht aan mij verstrekte informatie. Deze vragen, onder meer betrekking hebbend op de bezoldiging van mevrouw Albayrak, zullen onderdeel uitmaken van het onderzoek dat zal plaatsvinden.

Ten aanzien van een bijzonder punt – het inadequaat terugkoppelen naar de andere leden van de Raad van Toezicht en daarmee aan mij over een gesprek dat een lid van de Raad van Toezicht heeft gevoerd met twee personeelsleden bij het COA over de werksfeer binnen de organisatie en het onjuist interpreteren van de strekking van dat gesprek – heeft dit lid van de Raad van Toezicht mij verzocht hem ontslag te verlenen. Daarnaast hebben de overige leden van de Raad van Toezicht mij aangeboden voor de duur van het onderzoek per heden hun functies neer te leggen teneinde een onbelemmerende voortgang van het onderzoek mogelijk te maken. Ik heb in beide bewilligd.

Ik heb aangekondigd de nog openstaande vragen van uw kamer te zullen beantwoorden en u een toelichtende brief van de Raad van Toezicht toegezegd. Gezien bovengenoemde vragen, en nu dit alles zaken betreft die ook in de hiervoor genoemde onderzoeken aan de orde zullen komen, acht ik het zorgvuldig de beschikbare informatie door te geleiden aan de onderzoekers en terug te komen op uw vragen nadat de onderzoeken zijn afgerond en de feiten vaststaan. Mogelijk zullen er ook in de komende periode berichten over (klachten inzake) het functioneren van het COA in de media of anderszins aan de orde komen. Ik zal ook in die gevallen, in het belang van de zorgvuldigheid, niet reageren en de berichten doorgeleiden naar de onderzoekers.

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers