33 037 Mestbeleid

BI VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 10 oktober 2025

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met de wijziging van de hoogte van het afromingspercentage bij varkensrechten. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 9 oktober 2025.

  • De antwoordbrief van 10 oktober 2025.

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, De Boer

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Den Haag, 9 oktober 2025

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van 18 september 2025 waarmee u het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met de wijziging van de hoogte van het afromingspercentage bij varkensrechten aan de Eerste Kamer hebt aangeboden.2 De leden van de fracties van de VVD en de PvdD hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen. De leden van de ChristenUnie-fractie sluiten zich aan bij alle vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

U hebt de Tweede Kamermotie van het lid Vedder c.s.3, waarin de regering wordt verzocht om een beleidsmatige weging van de toereikendheid van de mestmaatregelen in de kwartaalcijfers op te nemen, met oordeel Kamer geapprecieerd. Welke andere maatregelen kunt u nemen om ervoor te zorgen dat de mestproductie onder het sectorale plafond komt, als blijkt dat de cijfers negatief uitvallen?

In het debat in de Eerste Kamer van 7 oktober 2025 hebt u aangegeven dat bij niet-volledig afromen een deel van de bedrijven niet zal voldoen aan de Meststoffenwet en daarmee geen bedrijfsverantwoording kan doen. Hierdoor, zo zegt u, wordt een bedrijf een «economisch delict ingeduwd». Voor hoeveel bedrijven geldt dit binnen deze sector concreet?

U geeft aan vertrouwen te hebben in het feit dat deelname aan de LBV/LBV+ ervoor zorgt dat de mestproductie op termijn onder het sectorale plafond komt. Wat bedoelt u met «op termijn»? Welke waarborgen heeft u nog meer ingebouwd om er zeker van te zijn dat deze schatting daadwerkelijk uit gaat komen?

Welk afwegingskader gebruikt u om te toetsen of de genomen mestmaatregelen voldoende zijn en bent u voornemens deze eventueel aan te vullen met aanvullende maatregelen?

In hoeverre zal er spanning ontstaan tussen enerzijds de hier voorgestelde aanpak en anderzijds het verzoek dat u aan de Europese Commissie voor een nieuwe derogatie heeft gedaan?

Hoe kan de recent aangevraagde derogatie bijdragen aan de voorgestelde aanpak? Op welk termijn zijn de resultaten hiervan te zien, mocht de Europese Commissie besluiten hier akkoord op te geven?

Vraag van de leden van de fractie van de PvdD

Waarom stelt u voor de afroming van productierechten van de varkenssector stop te zetten terwijl u volgens de prognoses zelf inschat dat deze sector het plafond in 2025 zal overschrijden?

De leden van de vaste commissie voor LNV zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag voor vrijdag 10 oktober 2025, 12.00 uur.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.J. Oplaat

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 oktober 2025

Hierbij stuur ik u mijn reactie op de vragen over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met de wijziging van de hoogte van het afromingspercentage bij varkensrechten4, die de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) bij brief van 9 oktober 2025 heeft voorgelegd.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van VVD, PvdD en ChristenUnie over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met de wijziging van de hoogte van het afromingspercentage bij varkensrechten5. Hieronder treft u de beantwoording aan op volgorde van de inbreng bij uw brief van 9 oktober 2025.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

U hebt de Tweede Kamermotie van het lid Vedder c.s., waarin de regering wordt verzocht om een beleidsmatige weging van de toereikendheid van de mestmaatregelen in de kwartaalcijfers op te nemen, met oordeel Kamer geapprecieerd. Welke andere maatregelen kunt u nemen om ervoor te zorgen dat de mestproductie onder het sectorale plafond komt, als blijkt dat de cijfers negatief uitvallen?

In reactie op de door de leden van de fractie van de VVD genoemde motie van het lid Vedder c.s. heb ik aangegeven dat ik het in het licht van alle ontwikkelingen heel belangrijk vind om een vinger aan de pols te houden. Ik informeer reeds elk kwartaal beide Kamers over de mestproductiecijfers in Nederland en zal daarbij de komende periode, zoals toegezegd, aanvullend een duiding geven over de verhouding van de mestproductie in relatie tot de (sectorale) mestplafonds en de actuele cijfers van de Lbv en Lbv-plus.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of er andere maatregelen zijn om te om te zorgen dat de mestproductie onder het sectorale plafond uitkomt. Het is echter mijn inschatting dat de mestproductie in de varkenshouderij op termijn lager zal zijn dan het sectorale mestproductieplafond, als gevolg van deelname aan de huidige vrijwillige beëindigingsregelingen Lbv en Lbv-plus.6 Ook de nog in voorbereiding zijnde vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties7 zal bijdragen aan een (verdere) vermindering van de mestproductie in de varkenshouderij. Hiermee verwacht ik dat de mestproductie op termijn onder het sectorale plafond zal uitkomen. Ik zie dan ook geen reden toe om nu te kijken naar andere maatregelen.

In het debat in de Eerste Kamer van 7 oktober 2025 hebt u aangegeven dat bij niet-volledig afromen een deel van de bedrijven niet zal voldoen aan de Meststoffenwet en daarmee geen bedrijfsverantwoording kan doen. Hierdoor, zo zegt u, wordt een bedrijf een «economisch delict ingeduwd». Voor hoeveel bedrijven geldt dit binnen deze sector concreet?

In het door de leden van de fractie van de VVD genoemde debat in de Eerste Kamer van 7 oktober jl. heb ik geschetst hoe het nu met de leasemarkt staat en welke consequenties dit zou kunnen hebben voor de markt. Op dit moment is de leasemarkt stil gevallen. Vorig jaar heb ik toegezegd dat ook de impact op de leasemarkt een plek in de weging zou krijgen en dat heb ik nu meegenomen in de weging om te komen tot dit besluit. Het stilvallen van de leasemarkt kan het voor onder andere jonge landbouwers moeilijk maken om voldoende rechten te kopen aan het einde van het jaar.

Pas na afloop van het kalenderjaar kan vastgesteld worden of varkens- en pluimveehouders beschikten over voldoende productierechten voor het aantal dieren dat zij in dat kalenderjaar hielden op het bedrijf. Wel kan aangegeven worden dat in deze sectoren veel gebruik gemaakt wordt van eenjarige lease. In 2023 werd op 17% van de varkensbedrijven en op 32% van de pluimveebedrijven rechten geleased. Op 5% van de varkensbedrijven en 9% van de pluimveebedrijven werd meer dan 50% van de geregistreerde productierechten geleased. In het geval geconstateerd wordt dat een varkenshouder te weinig dierrechten had voor het aantal dieren dat hij in een jaar daadwerkelijk in zijn stallen heeft gehad, is hij in overtreding van de Meststoffenwet.

U geeft aan vertrouwen te hebben in het feit dat deelname aan de LBV/LBV+ ervoor zorgt dat de mestproductie op termijn onder het sectorale plafond komt. Wat bedoelt u met «op termijn»? Welke waarborgen heeft u nog meer ingebouwd om er zeker van te zijn dat deze schatting daadwerkelijk uit gaat komen?

Het effect van deelname vanuit de varkenshouderij aan de Lbv en Lbv-plus zal volledig tot uiting komen in de mestproductiecijfers, in de loop van 2026 en mogelijk 2027.8 De leden van de fractie van de VVD en ChristenUnie vragen voorts hoe zeker de inschatting is van het effect van de Lbv en Lbv-plus. Deze inschatting hangt samen met het gegeven dat bedrijven die deelnemen aan de Lbv en Lbv-plus na ondertekening van de overeenkomst een jaar de tijd hebben om hun dieren af te voeren. Zolang nog niet alle dieren zijn afgevoerd, zal er enige mestproductie plaatsvinden.

Uit gegevens van RVO blijkt dat van de bedrijven die 15 juni 2025 een verleningsbeschikking in het kader van de Lbv en Lbv-plus geregistreerd hadden staan, 89% de overeenkomst heeft ondertekend en een eerste voorschot heeft ontvangen. Dit samen maakt dat ik een deelnamepercentage van 80%, waar ik mij voor mijn inschatting van het effect van de Lbv en Lbv-plus op de mestproductie op heb gebaseerd, realistisch acht. Mijn vertrouwen in het effect van deelname aan Lbv en Lbv-plus baseer ik op de uitkomsten van eerdere beëindigingsregelingen. Die laten namelijk zien dat er na het zetten van een handtekening onder een overeenkomst en ontvangst van een eerste voorschot, er maar weinig bedrijven zijn die besluiten om toch niet over te gaan tot bedrijfsbeëindiging.

Welk afwegingskader gebruikt u om te toetsen of de genomen mestmaatregelen voldoende zijn en bent u voornemens deze eventueel aan te vullen met aanvullende maatregelen?

In dit eerste weegmoment zijn in relatie tot het sectorale mestproductieplafond voor de varkenshouderij, naast het potentiële effect van deelname aan Lbv en Lbv-plus op de mestproductie in de varkenshouderij en de door het CBS verwachte mestproductie in de varkenshouderij, ook het effect van afroming op de leasemarkt en het aantal transacties van varkensrechten waar jonge landbouwers bij zijn betrokken, meegewogen.9 Het is mijn inschatting dat de mestproductie in de varkenshouderij op termijn lager zal zijn dan het sectorale mestproductieplafond, zoals weergegeven in mijn brief van 18 september jl5. Voor en nadere toelichting hierop in relatie tot aanvullende maatregelen verwijs ik u naar het antwoord op de eerste vraag van de leden van de fractie van de VVD.

In hoeverre zal er spanning ontstaan tussen enerzijds de hier voorgestelde aanpak en anderzijds het verzoek dat u aan de Europese Commissie voor een nieuwe derogatie heeft gedaan?

De EC zal voor een nieuwe derogatie eraan hechten dat aan de voorwaarden van de huidige derogatiebeschikking is voldaan. De verwachting is dat het nationale mestproductieplafond in 2025 zal worden overschreden, waarmee de betreffende voorwaarde van de derogatiebeschikking wordt overschreden. Het kabinet is zich ervan bewust dat het op nul procent vaststellen van het afromingspercentage in de varkenshouderij niet bijdraagt aan het beperken van de mate van overschrijding op nationaal niveau. Tegelijkertijd is het effect van afroming in de varkenshouderij op vermindering van de totale mestproductie gering. Omdat deze sector naar verwachting op termijn op jaarbasis wel onder het sectorplafond komt en het doorgaan met afroming het aantal varkensrechten in deze sector verder kan beperken dan nodig is, vind ik het sectorale plafond voldoende geborgd en vind ik het verantwoord om te stoppen met afroming. Het kabinet heeft hierbij de impact van afroming voor individuele bedrijven in de sector meegewogen.

Hoe kan de recent aangevraagde derogatie bijdragen aan de voorgestelde aanpak? Op welk termijn zijn de resultaten hiervan te zien, mocht de Europese Commissie besluiten hier akkoord op te geven?

Het voorliggende besluit betreft het stoppen met afroming in de varkenshouderij. Er is nog geen uitkomst over mijn verzoek voor een nieuwe derogatie en ik kan derhalve nu niet inschatten wat het effect zal zijn van een nieuwe derogatie op het voorliggende besluit of aanpak.

Vraag van de leden van de fractie van de PvdD

Waarom stelt u voor de afroming van productierechten van de varkenssector stop te zetten terwijl u volgens de prognoses zelf inschat dat deze sector het plafond in 2025 zal overschrijden?

Het is mijn inschatting dat de mestproductie in de varkenshouderij op termijn lager zal zijn dan het sectorale mestproductieplafond, als gevolg van deelname aan Lbv en Lbv-plus. Ook de nog in voorbereiding zijnde vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties zal bijdragen aan een (verdere) vermindering van de mestproductie in de varkenshouderij. Instandhouding van de afroming zou betekenen dat het aantal rechten in de varkenshouderij verder wordt beperkt dan nodig om te voldoen aan de sectorplafonds. Daarom is de uitkomst van het weegmoment dat het sectorale plafond voor varkens naar de mening van het kabinet voldoende geborgd is om verantwoord met afromen te stoppen. Hierbij heeft het kabinet de grote impact van de maatregel op de sector betrokken.


X Noot
1

Samenstelling:

Jaspers (BBB), Van Knapen (BBB), Oplaat (BBB) (voorzitter), Kluit (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Van Ballekom (VVD), Straus (VVD), Van de Linden (VVD), Rietkerk (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Van Meenen (D66), Van Kesteren (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Aelst-Den Uijl (SP), Holterhues (ChristenUnie), Kemperman (FVD), De Vries (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 33 037, BD.

X Noot
3

Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 621.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 33 037, BD.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 33 037, BD.

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 611.

X Noot
7

Kamerstukken II, 2025/26, 28 973, nr. 282.

X Noot
8

Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 611.

X Noot
9

Zie ook Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 611.

Naar boven