Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433037 nr. 81

33 037 Mestbeleid

Nr. 81 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 december 2013

Op 5 december ontving ik een verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken om een reactie op het verslag van de Europese Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de uitvoering van Richtlijn 91/676/EEG (hierna: de Nitraatrichtlijn). Hierbij biedt ik u de gevraagde reactie aan.

Genoemd verslag is gebaseerd op de verslagen die de lidstaten op basis van artikel 10 van de Nitraatrichtlijn aan de Commissie moeten overleggen, de zogenaamde Nitraatrichtlijnrapportages. De meeste recente Nederlandse Nitraatrichtlijnrapportage is op 4 oktober 2012 aan uw Kamer toegezonden.1

Bevindingen Europese Commissie

Het verslag van de Europese Commissie vergelijkt onder meer ontwikkeling van de veestapel in de verschillende lidstaten met elkaar. Hieruit blijkt de Nederlandse veestapel relatief hard gegroeid is in de afgelopen jaren. Uit een vergelijking van de monitoringsresultaten voor grond- en oppervlaktewater blijkt echter dat Nederland relatief goed scoort in termen van chemische waterkwaliteit: de nitraatconcentraties in zowel grondwater als zoet en zout oppervlaktewater liggen relatief laag. Wel is een opvallend hoog aantal oppervlaktewatermeetstations in Nederland eutroof of hypertroof.

De Europese Commissie gaat daarnaast in op de actieprogramma’s van de lidstaten. Nederland wordt in positieve zin genoemd als het gaat om het hanteren van vaste stikstof-totaal- en fosfaatgebruiksnormen en om ons mesttransportsysteem. De Commissie toont zich echter kritisch over de vele uitzonderingen op algemene voorschriften in de Nederlandse mestregelgeving.

De Europese Commissie geeft aan per juni 2013 tien inbreukprocedures ingeleid te hebben tegen acht lidstaten (waar Nederland geen deel van uitmaakt). De Europese ingebrekestellingen hebben met name te maken met onvoldoende bevonden actieprogramma’s en onvolledig aangewezen kwetsbare zones.

In dit verband is het relevant om op te merken dat in Nederland het gehele grondgebied als kwetsbare zone aangewezen is2.

Tot slot benoemt de Europese Commissie enkele uitdagingen voor de toekomst, zoals bestrijding van eutrofiëring, de milieudruk van tuinbouwgewassen en de problematiek van zand- en lössgrond. Voermaatregelen worden hier genoemd als een belangrijke positieve ontwikkeling.

Relatie met Nederlandse beleidsvoornemens

In bovenstaande bevindingen en conclusies van de Europese Commissie zie ik een ondersteuning van mijn beleid. De gegevens over de gegroeide veestapel in Nederland betrek ik bij mijn besluitvorming over het mestbeleid, waar ik u op korte termijn over hoop te berichten. Duidelijk is de belangrijkste bijdrage van het voerspoor. Het is van groot belang dat de sector de goede resultaten op dit punt vasthoudt en voortzet.

De monitoringsresultaten laten zien dat de Nederlandse landbouwsector er in toenemende mate in slaagt om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te realiseren. Daarbij zijn er nog wel knelpunten, in de vorm van de eutrofiëringsproblematiek in het oppervlaktewater en de grondwaterkwaliteit in met name het zuidelijke zand- en lössgebied. In mijn voorgenomen invulling van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn3 speel ik op deze knelpunten in met onder meer een verlaging van fosfaatgebruiksnormen tot evenwichtsniveau en een verlaging van de stikstofgebruiksnormen voor uitspoelingsgevoelige akker- en tuinbouwgewassen in het zuidelijke zand- en lössgebied. Daarbij wil ik ruimte bieden voor maatwerk in de vorm van zogenaamde equivalente maatregelen, mits het milieuresultaat onderbouwd en geborgd is.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Kamerstuk 33 037, nr. 31.

X Noot
2

Evenals in Oostenrijk, Denemarken, Finland, Duitsland, Ierland, Letland, Luxemburg, Malta, Slovenië, het Vlaamse Gewest en Noord-Ierland.

X Noot
3

Kamerstuk 33 037, nr. 74.