33 037 Mestbeleid

Nr. 648 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juli 2026

Met deze brief informeer ik u over (de voortgang van) een aantal onderwerpen uit het mestbeleid. Dit betreft de inwerkingtreding van de nationale regelgeving van Renure-meststoffen per 12 juni jl., de stimulering van de productie van Renure-meststoffen en van nieuwe aanwendingstechnieken met subsidieregelingen en de resultaten van onderzoek van Wageningen University & Research (hierna: WUR) naar de effecten van het gebruik van zwavel bij de productie van Renure-meststoffen op de aanwending van deze meststoffen.

Daarnaast wordt u geïnformeerd over een onderzoeksrapport over organische stofrijke meststoffen, de voortgang van het protocol stikstofgat, een advies van de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) over bokashi, een quickscan uitgevoerd door WUR naar de verwerkingsmogelijkheden van dierlijke mest in potgrond en substraten, een advies van de CDM over een nieuwe aanwendingstechniek en tenslotte informeer ik u over enkele voorgenomen aanscherpingen van het boetebeleid in de mestregelgeving.

Inwerkingtreding nationale regelgeving Renure

Per 12 juni jl. is een wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) in werking getreden op grond van een aanpassing van bijlage III van de Nitraatrichtlijn. Die wijziging maakt het onder voorwaarden mogelijk om enkele Renure-meststoffen tot maximaal 80 kg stikstof per hectare per jaar aan te wenden bovenop de in de Meststoffenwet opgenomen stikstofgebruiksnorm van 170 kg stikstof per hectare per jaar voor dierlijke mest (binnen de totaal stikstofgebruiksnorm).

Deze wijziging maakt het mogelijk dat de sector hier al dit bemestingsseizoen gebruik van kan maken. Met het gebruik van Renure-meststoffen in de plaats van stikstofkunstmest wordt invulling gegeven aan het streven naar het optimaal benutten en circulair gebruik van nutriënten in Nederland. Renure helpt daarmee het mestoverschot in Nederland terug te dringen, draagt bij aan stabilisering van mestprijzen en zorgt voor minder afhankelijkheid van kunstmest. Waar ik, zoals eerder aangegeven, geen mogelijkheden zie voor het verkrijgen van een nieuwe derogatie, biedt Renure de ruimte om onder voorwaarden meer dierlijke mest in de vorm van Renure-meststoffen te kunnen gebruiken. Ook kan Renure hiermee op de Nederlandse bodem worden aangewend ter vervanging van kunstmest. Hiermee beschouw ik twee moties van het lid van der Plas, een motie van het lid Bromet c.s. en een motie van het lid Holman c.s.1 als afgedaan.

Voor producenten voorziet de Renure-regeling in de Urm in twee manieren om Renure te produceren die mag worden gebruikt boven de stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest. Dit kan namelijk door registratie van de producent bij RVO of via certificering van de producent. Voor dat laatste is vereist dat de producent voldoet aan een door mij aangewezen certificeringsschema. Het ontwerpbesluit waarmee ik het certificeringsschema «Renugarant» aanwijs, wordt eerdaags voor notificatie bij de Europese Commissie aangemeld vanwege de in het schema opgenomen technische voorschriften.

Zoals op 8 april jl. aan uw Kamer is gemeld, is om snel te kunnen starten met Renure nu tijdelijk alleen registratie bij RVO als producent van Renure mogelijk2. Zodra het besluit waarmee het certificeringsschema Renugarant wordt aangewezen in werking treedt, kunnen producenten ook kiezen voor certificering in plaats van registratie. Gelet op de stand-still termijn van drie maanden die bij notificatie van technische voorschriften in acht moet worden genomen, zal de inwerkingtreding naar verwachting begin oktober 2026 zijn. Het streven is om op termijn certificering voor producenten te verplichten en de route van registratie bij RVO te laten vervallen. Dit kan wanneer de voorgenomen wijziging van de Meststoffenwet voor certificering in werking is getreden.

De internetconsultatie van het daartoe strekkende wetsvoorstel heeft van 16 december 2024 tot en met 31 januari 2025 plaatsgevonden. De verwerking daarvan en van verschillende toetsen (de agrarische praktijktoets, de uitvoerings- en handhavingstoetsen en het advies van de ATR) is in de afrondende fase. Naar verwachting zal het wetsvoorstel kort na het zomerreces aan de ministerraad worden aangeboden om het voorstel voor advies aan de Raad van State voor te leggen.

Subsidieregelingen productie en aanwending van (Renure)-meststoffen

De komende jaren stimuleer ik de opschaling van Renure via subsidieregelingen en zet ik daarnaast in op een subsidieregeling voor emissiearme aanwendingstechnieken. De subsidie Hoogwaardige Mestverwerking die gericht is op grootschalige mestverwerking tot Renure-meststoffen zal in het najaar voor de vijfde keer worden opengesteld. Daarnaast is mijn inzet om met een subsidieregeling te komen voor kleinschalige mestverwerkingsinstallaties voor Renure-meststoffen en deze tegen het einde van het jaar of uiterlijk begin 2027 open te stellen. Ook is het mijn voornemen om via een subsidieregeling nieuwe emissiearme aanwendingstechnieken van meststoffen te stimuleren. In totaal is er voor stimulering van mestverwerking (waaronder Renure), opstarten van mestvergistingsinitiatieven en emissiearme aanwendingstechnieken van meststoffen tot en met 2030 circa 160 miljoen euro beschikbaar.

Rapport zwavelbemesting

In verband met de wijziging van de Nitraatrichtlijn voor het gebruik van Renure-meststoffen bovenop de voorgeschreven 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest, is door mij een onderzoeksopdracht verstrekt met vragen over zwavelbemesting in relatie tot het gebruik van Renure-meststoffen. Uit het rapport van WUR komt naar voren dat Renure-meststoffen, met name ammoniumsulfaat, door het gebruik van zwavelzuur tijdens de productie, meer zwavel bevat dan onbewerkte dierlijke mest. Ten algemene draagt bemesting met zwavel voor een aantal gewassen bij aan de optimale gewasgroei. De onderzoekers geven aan dat Renure-meststoffen met name geschikt zijn voor grasland, waarvoor zwavelbemesting in het voorjaar een gangbare praktijk is. Daarbij wordt ook de opmerking gemaakt dat de invoering van de norm van 80 kg stikstof per hectare per jaar voor Renure-meststoffen effectief is in het beperken van de zwavelaanvoer naar grasland.

In het rapport wordt aangegeven dat een te veel aan zwavelbemesting kan leiden tot negatieve milieueffecten, met name op zand- en lössgronden. Renure-meststoffen lenen zich in het algemeen minder goed voor toediening op bouwland, in verband met de aanwending met zwaardere machines. Op zandgronden is de aanwending al begrensd door de totale stikstofgebruiksnorm die vaak lager is dan 170 kg stikstof per hectare per jaar. WUR doet daarom de aanbeveling om vooral op zand- en lössgronden het gebruik van zwavelhoudende meststoffen, zoals ammoniumsulfaat uit stikstofstrippers, te monitoren. Zoals aanbevolen, ben ik voornemens dit gebruik en het effect te monitoren. Daarnaast wordt gekeken naar alternatieven voor het gebruik van zwavelzuur bij de productie van Renure-meststoffen, waarover door WUR onlangs vragen zijn beantwoord3.

Organische stofrijke meststoffen

De stimuleringsmaatregel organische stofrijke meststoffen heeft tot doel het gebruik van meststoffen die sterk bijdragen aan het verhogen van het organische stofgehalte in de bodem en relatief weinig bijdragen aan het aandeel stikstof en fosfaat in de bodem te stimuleren. Zoals toegezegd in de brief aan uw Kamer van 14 februari 20234 is onderzocht of meer meststoffen in aanmerking kunnen komen voor deze stimuleringsregeling. Met deze brief informeer ik u over het onderzoek dat Wageningen Environmental Research (hierna: WEnR) in dat kader heeft uitgevoerd. U treft het rapport «Organische stofrijke meststoffen» uitgevoerd door WEnR als bijlage aan.

Dit rapport biedt informatie die gebruikt kan worden om de lijst met aangewezen organische stofrijke meststoffen in de mestregelgeving aan te passen. In mijn brief van 22 mei jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over het voorziene tijdpad om te komen tot het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn5. De stimuleringsmaatregel organische stofrijke meststoffen heeft gevolgen voor de op het perceel toe te passen fosfaatgebruiksnorm. De komende periode zal ik bezien of en op welke wijze dit onderzoek kan worden benut voor het stimuleren van organische stofrijke meststoffen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.

Aanvullend op voorgenoemd onderzoek is de stikstofdifferentiatie van een aantal organische stofrijke meststoffen onderzocht. Het agrarisch bedrijfsleven heeft zorgen geuit, omdat voor deze meststoffen geen werkingscoëfficiënt bekend is of dat deze te hoog zou zijn. Met de resultaten van bijgaand onderzoek kunnen de stikstofwerkingscoëfficiënten van deze meststoffen worden afgeleid. Ik zal de CDM hierover om advies vragen.

Voortgang protocol stikstofgat

Zoals eerder aan uw Kamer meegedeeld is de CDM gevraagd een review uit te voeren op het concept protocol stikstofgat. Onlangs heb ik een (concept) review ontvangen. De komende maanden wil ik gebruiken om die te bestuderen en te bespreken met de CDM. Mijn streven is om nog voor het einde van het jaar tot een besluit te komen over de toepasbaarheid van het protocol stikstofgat.

Advies CDM over bokashi

De CDM is gevraagd om advies te geven over de mogelijkheden om bokashi toe te laten binnen het kader van de meststoffenregelgeving. Bokashi is een product dat ontstaat bij een fermentatieproces van blad- en/of bermmaaisel. Net als compost, wordt bokashi gebruikt als bodemverbeteraar. Dit product wordt in toenemende mate lokaal geproduceerd, maar maakt geen onderdeel uit van de meststoffenregelgeving.

De CDM concludeert dat bokashi vergelijkbare eigenschappen heeft als compost en adviseert om dezelfde kwaliteitseisen en voorschriften aan te houden zoals nu gelden voor compost. De CDM benoemt een aantal mogelijkheden om het gebruik van bokashi als meststof te reguleren. Het CDM-advies biedt waardevolle inzichten voor de verdere beleidsontwikkeling op dit onderwerp. Ik zal dit advies bestuderen en op een later moment uw Kamer informeren over de wijze waarop het advies wordt meegenomen in een keuze om kwaliteitseisen en voorschriften voor bokashi te reguleren.

Quickscan verwaarding mest in potgrond en substraten

Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december 20256 over diverse onderwerpen van het mestbeleid, is door WUR een quickscan uitgevoerd naar de kansen en belemmeringen om dierlijke mest te verwerken in potgrond en substraten. Bijgevoegd treft u de quickscan aan. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze quickscan hebben twee bijeenkomsten plaatsgevonden waarin het Ministerie van LVVN, onderzoekers, de vertegenwoordigers van de potgrond- en substraatsector en vertegenwoordigers van melkveehouderijsector hierover met elkaar in gesprek zijn gegaan.

De bijeenkomsten hebben geleid tot een uitwisseling van inzichten vanuit uiteenlopende invalshoeken. Zowel uit de quickscan als de stakeholderbijeenkomst volgt dat meer kennis nodig is over de samenstelling van dierlijke mest en de verwerkingsmogelijkheden.

Sectorpartijen hebben aangegeven het traject zelf te willen voortzetten en hebben hierover onderling vervolgacties afgestemd. Het is mooi om te zien hoe dit onderwerp door de sector wordt opgepakt. Om dit initiatief te ondersteunen zal ik een financiële bijdrage leveren aan het project.

Advies CDM over een nieuwe aanwendingstechniek

Ik heb de CDM gevraagd om advies uit te brengen over een toedieningstechniek gebaseerd op toediening van met zwavelzuur aangezuurde mest bij gebruik van een sleepslang. Dit is een Deens systeem genaamd SyreN. Hierbij bied ik u het advies van de CDM aan.

De CDM concludeert dat het aanzuren van mest de ammoniakemissie kan verlagen en potentie heeft om vergelijkbare prestaties te halen als bestaande emissiearme technieken. Het specifieke SyreN-systeem is op dit moment echter nog onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd. Daarnaast stelt de CDM dat het aanzuren van mest op grasland waarbij gebruik wordt gemaakt van een zodenbemester, mogelijk een groter potentieel heeft om emissies te reduceren dan toediening van aangezuurde mest met een sleepslangensysteem.

De CDM constateert dat het aanzuren van mest als emissiearme aanwendingstechniek nog nader veldonderzoek vraagt, onder andere om het vaststellen van een emissiefactor mogelijk te maken. Daarnaast wijst de CDM op de risico’s bij extra toevoeging van zwavel aan de bodem. Dit brengt beperkingen met zich mee voor de toepassingsmogelijkheden. Daarnaast vraagt dit om een goed systeem van borging en handhaving om de risico’s te mitigeren.

Op dit moment zie ik met name bij grasland op zandgrond mogelijkheden voor het aanzuren van mest als emissiearme aanwendingstechniek. Het aanzuren van mest in combinatie met het gebruik van een zodenbemester lijkt een kansrijke manier om ammoniakemissies verder te reduceren. Zoals de CDM aangeeft, moet er eerst verder onderzoek worden verricht. Zo kan dan specifiek worden gekeken naar de Nederlandse situatie, met de verschillende grondsoorten. Een dergelijk onderzoek past goed binnen het vervolg op het programma Bemest op z’n Best, waarin nader onderzoek wordt gedaan naar perspectiefvolle technieken die ammoniakemissies verder reduceren ten opzichte van de zodenbemester. Over het vervolg op het programma Bemest op z’n Best is uw Kamer op 19 december 2025 geïnformeerd.7

De CDM geeft tot slot aan dat het aanzuren van mest op bouwland minder voor de hand ligt. Enerzijds omdat het injecteren van mest op bouwland tot een zeer lage emissie leidt. Anderzijds omdat het gebruik van aangezuurde mest bij een gemiddelde zuurdosering leidt tot een overbemesting bij de meeste gewassen. Hiermee beschouw ik de motie van het lid Van der Plas afgedaan.8

Aanwijzing van enkele gewassen als rustgewas

Bij de totstandkoming van de huidige lijst van aangewezen rustgewassen in de Omgevingsregeling ter uitvoering van het 7e actieprogramma, werd er door de telers van uitgegaan dat meerjarige boomkwekerijgewassen en vaste planten onder de uitzondering voor langjarige teelten vielen. Hierdoor zijn deze gewassen destijds niet beoordeeld door de CDM op hun geschiktheid als rustgewas. Als gevolg daarvan zijn deze gewassen niet opgenomen in de rustgewassenlijst in de Omgevingsregeling. Voor telers die deze boomkwekerijgewassen in 2023, 2024 of 2025 hebben aangeplant, leidt dit in de huidige situatie tot ongewenste gevolgen. Zij zouden hun meerjarige teelt voortijdig moeten rooien om te kunnen voldoen aan de verplichting een rustgewas te telen.

Naar aanleiding van aanvullend onderzoek door de CDM is gebleken dat de betreffende gewassen in hun eerste jaar voldoen aan de criteria die gelden voor rustgewassen. Ik beoog daarom met een wijziging van de Omgevingsregeling deze gewassen die uiterlijk in 2025 zijn aangeplant aan te wijzen als rustgewas. Hiermee wordt voorkomen dat telers hun meerjarige teelten voortijdig moeten beëindigen en wordt met betreffende gewassen invulling gegeven aan de rustgewasverplichting. Het ontwerp van deze wijzigingsregeling heeft tot en met 25 juni jl. ter internetconsultatie voorgelegen. Ik ben voornemens om de wijziging na verwerking van de reacties vast te stellen. Met de opname van deze meerjarige boomkwekerijgewassen op de rustgewassenlijst wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Flach van 17 maart jl., waarin de regering wordt verzocht te bezien of deze gewassen als rustgewas kunnen worden aangemerkt onder het zevende actieprogramma9.

Aanscherpingen boetebeleid

Naar aanleiding van een analyse door RVO is gebleken dat het huidige boetebeleid op onderdelen niet effectief genoeg wordt bevonden. Om deze reden worden enkele wijzigingen van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet (Ubm) en de Urm voorgesteld om het boetebeleid aan te scherpen. Voorgesteld wordt om de leverancier en de afnemer van dierlijke mest naast de vervoerder medeverantwoordelijk te maken voor het melden van het vervoer van dierlijke mest in het realtime Vervoersbewijs dierlijke meststoffen (hierna: rVDM). Dit maakt het mogelijk om bij het niet of onjuist melden van het vervoer van dierlijke mest in rVDM naast de vervoerder ook aan de leverancier en afnemer een boete op te leggen. Daarnaast wordt voorgesteld om beboeting op perceelsniveau mogelijk te maken bij het onjuist opgeven van perceelsgegevens door agrariërs over de oppervlakte, de gewasteelt en ligging. En tot slot wordt voorgesteld om de boete op het niet, niet tijdig of niet op de juiste wijze aanleveren van de gegevens uit mestverwerkingsovereenkomsten te verhogen.

Het ontwerp heeft tot en met 15 juni jl. ter internetconsultatie voorgelegen. Ik zal bezien of de reacties uit de internetconsultatie aanleiding geven tot wijzigingen en het ontwerpbesluit daarna het ontwerp voor advies voorleggen aan de Raad van State.

Naar aanleiding van zorgen die zijn geuit over extra administratieve lasten in verband met de voorgestelde wijziging om te kunnen beboeten per onjuist opgegeven perceel, wil ik alvast benadrukken dat deze wijziging geen extra administratieve lasten voor de agrariër oplevert. In de praktijk worden de gegevens waar het hier om gaat immers al door landbouwers op perceelsniveau aangeleverd via de Gecombineerde Opgave. Dat verandert niet. De enige wijziging is dat de RVO door de voorgestelde wijziging de boete voor onjuist opgegeven percelen per perceel zal kunnen opleggen.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen


X Noot
1

Kamerstukken II 2023/24 II, 21 501-32, nr. 1606, Kamerstukken II 2025/26 II, 33 037, nr. 579, Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 595, Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 592

X Noot
2

Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 643

X Noot
3

Beschikbaar op: https//edepot.wur.nl/708508

X Noot
4

Kamerstukken 2022–2023 II, 33 037, nr. 489

X Noot
5

Kamerstukken 2025–2026 II, 33 037, nr. 645

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 636

X Noot
7

Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 636

X Noot
8

Kamerstukken II 2025/26, 28 973, nr. 270

X Noot
9

Kamerstukken II 2025/26, 35 334, nr. 438

Naar boven