33 037 Mestbeleid

Nr. 224 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 oktober 2017

Op 14 september jl. ontving ik het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken om te reageren op de paper van de Nederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV) d.d. 4 juli 2017 getiteld «Aanvulling op NAV-visie voor zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn van 20 maart» over de waterbodem in relatie tot fosfaat in oppervlaktewater. Met deze brief voldoe ik aan dit verzoek.

In de paper gaat de NAV in op recent onderzoek over de rol van de waterbodem bij de vastlegging van fosfaat en de aanwezigheid van fosfaat in oppervlaktewater, in relatie tot de doelen en maatregelen in het kader van de Kaderrichtlijn Water en in het bijzonder het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn.

De NAV constateert in de paper dat het fosfaatgehalte in het oppervlaktewater niet meer noemenswaardig is gedaald in de afgelopen 10 jaar. De NAV meent dat er uitgebreider naar andere bronnen buiten de landbouw dient te worden gekeken, waaronder de waterbodem, omdat uit onderzoek blijkt dat waterbodems een bufferend of emitterend karakter kunnen hebben. De NAV pleit voor aanvullend onderzoek alvorens invulling wordt gegeven aan het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn. De NAV pleit voor een adviesaanvraag aan de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) omtrent de invloed van waterbodems op de eutrofiëring van oppervlaktewateren. De NAV pleit tot slot voor een juiste analyse van de verkregen meetresultaten van alle waterschappen van de afgelopen 10 jaar en daarnaast analyse van de sedimenten over dezelfde periode. De NAV meent dat een juiste analyse van de meetgegevens zou kunnen leiden tot een betere onderbouwing van het te voeren beleid en minder «wishful thinking» middels de toegepaste modellen.

In reactie hierop wijs ik allereerst op een brief aan uw Kamer van 11 juni 2017 waarin vragen van het lid Dijkgraaf (SGP), van over een onderzoek waaruit blijkt dat ijzerhoudend grondwater fosfaat in landbouwgebieden minder schadelijk maakt, worden beantwoord (Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 2736). Het paper van de NAV behandelt deels dezelfde problematiek en verwijst ook naar het onderzoek dat aanleiding was voor de gestelde vragen. Deze antwoorden zijn dan ook zeer relevant in relatie tot de paper van de NAV, maar die is opgesteld kort voor de antwoorden aan uw Kamer verzonden zijn, waardoor de NAV geen kennis heeft kunnen nemen van deze antwoorden.

Ik deel de mening van de NAV dat eutrofiëring van oppervlaktewater door fosfaat complexe materie is die bovendien regionaal verschilt. Ook het inzicht dat er naast de landbouw andere belangrijke bronnen van fosfaat kunnen zijn, is relevant. Met deze inzichten wordt ook rekening gehouden bij het opstellen van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn, zoals ook aangegeven is in verschillende brieven aan uw Kamer over dat actieprogramma (Kamerstuk 33 037, nrs. 183 en 219). Zoals in de hiervoor genoemde antwoorden op de vragen van het lid Dijkgraaf ook is aangegeven, behoeven nieuwe inzichten ten aanzien van vastlegging of nalevering van fosfaat uit de waterbodem aandacht in de regionale analyses die in het kader van de Delta-Aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater nu worden uitgevoerd.

Omdat fosfaat een schaarse en eindige grondstof is, is het gewenst om zuinig met deze grondstof om te springen, ook in de landbouw in het kader van de goede landbouwpraktijk. Daarom streeft de overheid naar het realiseren van fosfaatevenwichtsbemesting uitgaande van de fosfaattoestand van landbouwpercelen. De fosfaatgebruiksnormen zijn het belangrijkste beleidsinstrument om evenwichtsbemesting te realiseren. In een brief aan uw Kamer van 4 juli 2017 over het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn (Kamerstuk 33 037, nr. 219) worden enkele verbeteringen in het stelsel van fosfaatgebruiksnormen voor de landbouw beschreven die in het zesde actieprogramma zouden kunnen worden doorgevoerd.

Zoals in de bovengenoemde antwoorden op de vragen van het lid Dijkgraaf ook al is aangegeven, is er veel onderzoek uitgevoerd en gaande naar eutrofiëring van oppervlaktewater. Nieuwe inzichten worden verwerkt in de daarbij gebruikte modellen. Het gaat daarbij vaak om zeer specifieke expertise. De expertise van de CDM ligt op het vlak van landbouwkundig handelen in relatie tot verliezen van nutriënten naar bodem en water. Wat er vervolgens met nutriënten in waterlichamen gebeurt, behoort niet tot de kernexpertise en opdracht van de CDM. Ik acht het dan ook niet geëigend en nodig om de CDM om advies te vragen over fosfaat in waterbodems in relatie tot de eutrofiëring van oppervlaktewater.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Naar boven