Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 januari 2015
Het mestbeleid is erop gericht om de verontreiniging van water en lucht bij het gebruik
van (dierlijke) meststoffen te voorkomen. Hierbij wordt een balans gezocht tussen
de landbouwkundige noodzaak om mineralen aan de bodem toe te voegen en het beperken
van milieurisico’s.
Zwavel is een essentieel element voor gewasgroei en speelt een belangrijke rol bij
de ontwikkeling en groei van landbouwgewassen. Door een almaar dalende zwaveldepositie
is voor veel gewassen sinds een jaar of tien zwavelbemesting nodig, in de vorm van
sulfaat. Daarvoor zijn naast dierlijke mest verschillende (speciaal daarvoor ontwikkelde)
minerale meststoffen beschikbaar.
Tegelijk komen er meer zwavelhoudende afval- en reststoffen beschikbaar die als meststof
of bodemverbeterend middel mogen worden toegepast, zoals spuiwater uit luchtwassers
of rookgasgips. Naast een landbouwkundig voordeel kan het aanzuren van mest met zwavelzuur
bovendien bijdragen aan de vermindering van ammoniakemissie.
Deze ontwikkelingen kunnen op termijn leiden tot extra sulfaatuitspoeling naar grond-
en oppervlaktewater. Ik heb daarom de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd
mij hierover te adviseren. Het advies van de CDM is bijgevoegd1.
De belangrijkste conclusies van de CDM met betrekking tot het gebruik van zwavelhoudende
meststoffen zijn:
-
• Een hogere zwavelaanvoer via meststoffen aan de bodem dan zwavelafvoer met (oogst)producten,
leidt tot hogere sulfaatuitspoeling naar grond- en oppervlaktewater.
-
• Uitgespoeld sulfaat kan onder zuurstofloze omstandigheden worden omgezet tot sulfide.
Sulfide is giftig voor waterplanten en andere (aquatische) organismen. Sulfide kan
zich binden aan ijzer(hydr)oxiden, waarbij fosfaat kan vrijkomen. Het vrijgekomen
fosfaat kan leiden tot eutrofiëring van oppervlaktewater.
-
• Sulfaatuitspoeling kan leiden tot stijging van sulfaatconcentraties in grond- en oppervlaktewater.
De mogelijke stijging van sulfaatconcentraties door extra zwavelaanvoer via sulfaathoudende
mest- en reststoffen zal eerder waar te nemen zijn in regio’s met relatief lage sulfaatconcentraties
(de zand- en lössregio’s) dan in de regio’s met hogere sulfaatconcentraties (de veen-
en kleiregio’s).
-
• De sulfaataanvoer naar landbouwgronden zal sterk toenemen indien het aanzuren van
mest met zwavelzuur als emissiearme techniek wordt toegestaan en op grote schaal wordt
toegepast.
-
• Het toedienen aan de bodem van spuiwater met zwavelzuur uit luchtwassers lijkt vooralsnog
niet tot een sterke verhoging van de uitspoeling van sulfaat te leiden. In gebieden
met intensieve veehouderij, veelal op zandgrond, kan toediening van spuiwater met
zwavelzuur lokaal leiden tot een hoge sulfaatuitspoeling.
-
• Gips wordt vooral toegepast in jonge polders voor bodemverbetering. Dit wordt één
keer per rotatie of meerdere rotaties toegepast en dus niet jaarlijks. De sulfaatuitspoeling
naar het oppervlaktewater kan hierdoor lokaal sterk toenemen.
De CDM doet de volgende aanbevelingen:
-
• Meer voorlichting te geven over landbouwkundige en milieukundige aspecten van het
gebruik van zwavelhoudende afval- of reststoffen in de landbouw.
-
• Versterkt in te zetten op andere opties dan het aanzuren van mest met zwavelzuur voor
de beperking van ammoniakemissie.
-
• In te zetten op een aangepast bodembeheer met andere meststoffen dan gips voor het
verbeteren van de bodemstructuur.
-
• Regelgeving in te voeren gebaseerd op maximale zwavelgiften indien aanzuren van mest
als emissiearme techniek wordt aangewezen.
-
• Het regelmatig evalueren van trends van sulfaatconcentraties in grond- en oppervlaktewater
en van het gebruik van zwavelhoudende meststoffen in de landbouw.
Er blijkt niet uit het advies dat er op dit moment sprake is van een milieuprobleem.
Omdat mij duidelijk is geworden dat de toepassing van zwavelhoudende meststoffen op
termijn gevolgen kan hebben voor de waterkwaliteit, zal ik mij beraden of het nodig
is om nadere eisen te stellen aan het gebruik ervan. Ik ga hiervoor in overleg met
sectorpartijen die agrarische ondernemers en loonwerkers vertegenwoordigen, alsook
met de CDM. Ik zal u over de uitkomsten informeren.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
S.A.M. Dijksma