Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533037 nr. 138

33 037 Mestbeleid

Nr. 138 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 december 2014

Met deze brief informeer ik uw Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, over de mestverwerkingspercentages voor 2015 en over een aantal andere zaken die gerelateerd zijn aan mestverwerking. Deze brief beantwoordt tevens het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken van 26 november jl.

Mestverwerkingspercentages

Met ingang van 1 januari 2014 is het stelsel van verplichte mestverwerking, als onderdeel van de Meststoffenwet, in werking getreden. Op basis van dit stelsel zijn ondernemers, die op hun bedrijf meer fosfaat produceren dan zij binnen de gebruiksnormen kunnen aanwenden, verplicht een deel van het fosfaatoverschot te verwerken. De verplichte mestverwerking is een doeltreffend instrument omdat het direct op het overschot stuurt en daarmee voorkomt dat de druk op het stelsel van gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften teveel oploopt. Verplichte mestverwerking zet voor bedrijven een prijs op het produceren van een fosfaatoverschot en stimuleert daardoor investeringen in innovatie en duurzaamheid. Doel van het stelsel is het bereiken van evenwicht op de Nederlandse mestmarkt.

Het stelsel van verplichte mestverwerking voorziet in de mogelijkheid om het percentage van het overschot dat verwerkt moet worden jaarlijks vast te stellen op basis van actuele gegevens over de nationale fosfaatproductie en de plaatsingsruimte. Ik vind het van belang dat de verwerkingspercentages realistisch zijn, zodat ondernemers kunnen voldoen aan de verplichting die hen wordt opgelegd en tegelijk stimuleren tot het ontwikkelen van extra verwerkingscapaciteit. Daarom voorzie ik voor de komende jaren een ingroeipad dat moet leiden tot evenwicht op de mestmarkt.

Zoals bij diverse gelegenheden met uw Kamer is gewisseld, is het mijn ambitie om het bestaande stelsel van dierrechten voor varkens en pluimvee af te schaffen. Als blijkt dat de mestverwerkingscapaciteit voldoende robuust is om het mestprobleem op te lossen, waardoor dierrechten niet meer nodig zijn, kunnen dierrechten vervallen met ingang van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn (2018–2021). Daarom is het nodig het evenwicht op de mestmarkt in 2017 te bereiken. Ik heb er vertrouwen in dat dat haalbaar is. Uit een recente door de sector uitgevoerde analyse, de «landelijke inventarisatie mestverwerkingscapaciteit», blijkt dat de sector werk maakt van de ontwikkeling van mestverwerkingscapaciteit waardoor de feitelijke verwerkingscapaciteit in de komende periode zal toenemen. Het gaat daarbij zowel om opschaling van capaciteit bij bestaande verwerkingsinitiatieven, als om nieuwe initiatieven.

Voor 2015 zal ik de verwerkingspercentages definitief vaststellen zoals ze eerder indicatief zijn aangekondigd. De percentages worden 50% voor de regio Zuid, 30% voor de regio Oost en 10% voor de regio overig. Hierdoor moet in 2015, op basis van de mestverwerkingsplicht, 11 miljoen kilogram fosfaat meer verwerkt worden dan in 2014. Het beeld is dat de totale beschikbare verwerkingscapaciteit ruim voldoende zal zijn. Ik krijg echter ook signalen dat het in het eerste jaar dat het stelsel van kracht is, voor individuele ondernemers moeilijk kan zijn te verantwoorden dat zij voldoende mest laten verwerken. Door de percentages voor 2015 vast te stellen op het indicatief aangekondigde niveau, en daarmee aan te sluiten bij eerder gewekte verwachtingen, krijgen de partijen de mogelijkheid vraag naar en aanbod van mestverwerkingscapaciteit bij elkaar te brengen.

In 2016 en 2017 zullen de verwerkingspercentages verder moeten stijgen om in 2017 evenwicht op de mestmarkt te realiseren. De Commissie Deskundigen Meststoffenwet heeft een protocol voor het berekenen van mestverwerkingspercentages ontwikkeld. Naar aanleiding daarvan vindt overleg plaats met betrokken sectorpartijen. Het is mijn ambitie om begin 2015 met de sectorpartijen afspraken te maken over het ingroeipad voor mestverwerkingspercentages voor de jaren 2016 en 2017.

De percentages voor 2015 zullen worden vastgelegd in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Fosfaatproductie in 2013

Op 6 juni jl. is uw Kamer geïnformeerd over de voorlopige raming van de fosfaatproductie in 2013 door het CBS (Kamerstuk 33 037, nr. 124)

Op 15 oktober heeft het CBS de definitieve cijfers over de Nederlandse mestproductie in 2013 bekend gemaakt. De fosfaatproductie van de totale veestapel is vastgesteld op 166 miljoen kilogram fosfaat. Dit is ruim onder het fosfaatproductieplafond van 173 miljoen kilogram fosfaat dat is opgenomen in de derogatiebeschikking. Wel moet hierbij vermeld worden dat de productie in 2013 met 5 miljoen kilogram is gestegen ten opzichte van 2012. Ontwikkelingen in de melkveehouderij vormen de belangrijkste oorzaak voor de toegenomen fosfaatproductie. In 2013 namen zowel de melkkoeien, als het bijbehorende jongvee in aantal toe. Daarnaast was het fosforgehalte van het krachtvoer voor melkvee hoger dan het jaar ervoor. Hierdoor nam de fosfaatproductie van melkvee toe van 76 tot 81 miljoen kilogram fosfaat. Er kan daarmee geconcludeerd worden dat het op fosfaatgerichte voerspoor in 2013 minder goed heeft gewerkt dan in 2012. Doorkijkend naar de jaren 2014 en 2015, waarin een verdere stijging van de melkveestapel wordt verwacht, zullen met het voerspoor alle zeilen bijgezet moeten worden om onder het fosfaatproductieplafond te blijven dat de melkveesector zichzelf heeft opgelegd (85 miljoen kilogram).

Bij varkens bleef de productie van fosfaat in 2013 ten opzichte van 2012 vrijwel gelijk op 40 miljoen kilogram. De fosfaatproductie van pluimvee steeg van 26 tot ruim 27 miljoen kilogram. Deze stijging wordt mede veroorzaakt door de toename van het aantal leghennen.

POR-regeling

Tijdens het Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Economische Zaken op 26 maart 2014 heb ik de toezegging gedaan een nieuwe POR-regeling (Regeling ontheffing productierechten Meststoffenwet) voor varkens en pluimvee open te zullen stellen (Kamerstuk 33 037, nr. 122). Ik heb sindsdien meerdere overleggen gevoerd met de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV), de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders (NVP) en de Nederlandse Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO) over het kader voor de regeling. Over dit kader is met genoemde partijen overeenstemming bereikt. De regeling zal nog dit jaar gepubliceerd worden. De openstelling is voorzien voor de periode van 5 tot 30 januari 2015.

Het kader waarover overeenstemming is bereikt met de sector omvat onder andere de volgende onderdelen:

  • Om het mestproductieplafond uit de derogatie niet in gevaar te brengen wordt de POR-regeling begrensd. De ruimte die beschikbaar komt in de POR is gelijk aan het verschil tussen de feitelijk gerealiseerde fosfaatproductie en de fosfaatproductie in 2002. Zo wordt geborgd dat het nationale fosfaatproductieplafond, dat is opgenomen in de derogatiebschikking (173 kilogram fosfaat), niet wordt overschreden. Die ruimte bedraagt 900.000 kilogram voor de varkens- en 600.000 kilogram fosfaat voor pluimveehouderij. Omgerekend naar diereenheden, betekent dat dat de regeling wordt gemaximeerd op 121.622 varkens-, respectievelijk 1.200.000 pluimvee-eenheden. Om te voorkomen dat slecht enkele grote bedrijven van de POR gebruik kunnen maken, wordt de omvang van individuele ontheffingen gemaximeerd;

  • Ondernemers kunnen ontheffing krijgen voor 50% van de voor de uitbreiding benodigde productierechten. Zij moeten dan hun volledige fosfaatoverschot laten verwerken. Maar zij mogen geen gebruik maken van de mogelijkheid om vervangende verwerkingsovereenkomsten te sluiten;

  • Aanvragers die hun uitbreiding hebben gerealiseerd of gaan realiseren met een integraal duurzame stal, en daarvoor een subsidiebeschikking hebben ontvangen van RVO.nl van de Investeringsregelingen duurzame stallen (IDS) in het kader van de Regeling LNV-subsidies of de GLB-regeling artikel 68, of met een integraal duurzame stal waarvoor een MDV-stalcertificaat is afgegeven door Stichting Milieukeur, krijgen voorrang bij de toekenning van een ontheffing;

  • De POR-regeling staat open voor bedrijven die na 28 september 2011 hebben uitgebreid. Deze datum correspondeert met de aankondiging van het afschaffen van productierechten (Kamerstuk 33 037, nr. 1). Deelnemende bedrijven moeten de voorgenomen uitbreiding uiterlijk per 1 januari 2016 daadwerkelijk kunnen realiseren.

  • Voor de looptijd van de ontheffing wordt aangesloten bij het vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn (einddatum 31 december 2017).

Conform artikel 43 van de Meststoffenwet is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) van toepassing op de voorbereiding van de POR-ontheffingen. Dit houdt in dat ontwerpontheffingen in de Staatscourant zullen worden geplaatst en gedurende zes weken ter inzage zullen worden gelegd op het Ministerie van Economische Zaken.

Mestkorrels

Er is in het Algemeen Overleg op 26 maart 2014 toegezegd de mestkorrels van dierlijke mest met een droge stof percentage van 90% toe te voegen als een eindproduct dat voldoet aan de eisen die voor mestverwerking gelden.

De Uitvoeringsregeling Meststoffenwet is gewijzigd, zodat de korrels die vanaf 1 januari 2014 geproduceerd zijn als mestverwerking gelden.

Vergunningverlening mestverwerking

Bij brief van 4 februari 2014 (Kamerstuk 33 332, nr. 51) is uw Kamer geïnformeerd over de uitvoering van onze toezeggingen ten aanzien van versnelling van vergunningverlening voor mestverwerking. U bent onder meer geïnformeerd over de oprichting van de landelijke werkgroep versnelling vergunningverlening mestverwerking. De werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van Varkenshouders (NVV), de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO), de provincies (IPO), de gemeenten (VNG), de waterschappen (UvW), het Ministerie van Economische Zaken, en staat onder leiding van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Ter ondersteuning van de werkgroep is bij de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) van het Ministerie van Economische Zaken op 15 november 2013 een meldpunt geopend. Ondernemers kunnen daar opmerkingen of klachten melden over onder andere vergunningverlening bij het realiseren van hun mestverwerkingsprojecten. De knelpunten die zijn ingediend door ondernemers en vergunningverleners, zijn de basis voor de door de werkgroep genomen acties.

Thans hebben 26 ondernemers een opmerking of klacht bij het meldpunt ingediend. De meldingen hebben vooral betrekking op vergunningverlening en op ruimtelijk beleid. 16 meldingen zijn afgehandeld en 10 meldingen zijn nog in behandeling.

De werkgroep draagt waar mogelijk adviezen aan voor oplossingen van individuele knelpunten. Deze adviezen lijken een positief effect te hebben op de voortgang van individuele vergunningverleningsprocessen en op aanpassingen in ruimtelijk beleid. De verantwoordelijkheid voor oplossingen blijft bij de initiatiefnemer en het bevoegd gezag. Vergunningverlening en ruimtelijk beleid zijn immers een decentrale bevoegdheid.

De werkgroep is parallel hieraan bezig kennis over mestverwerking en vergunningverlening te genereren en uit te dragen. De werkgroep werkt daarbij aan het oplossen van enkele generieke knelpunten die vergunningverlening vertragen. Een voorbeeld is het verduidelijken van het al dan niet verplicht zijn van een de MER-beoordeling in relatie tot verschillende vormen van mestverwerking.

Voorbeelden van de kennisverspreiding zijn het onder de aandacht brengen van de recent uitgebrachte NEN 9766 Richtlijn «Veiligheidsaspecten van installaties voor monovergisting en vergistingsgasopwerking op boerderijschaal» en van de «Handleiding bewerken en verwerken van mest op boerderijschaal», die in de plaats is gekomen van de verouderde richtlijn mestverwerkingsinstallaties. Daarnaast dragen de partijen in de werkgroep bij aan het uitdragen van de urgentie van mestverwerking bij betrokken bevoegde gezagen.

In de brief van 4 februari 2014 staat verder dat de meeste knelpunten betrekking hadden op het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Brabant (Kamerstuk 33 322, nr. 51). Hierover kan ik melden dat de provincie Noord-Brabant in het voorjaar van 2014 de Verordening Ruimte heeft aangepast. Hierdoor wordt een groot deel van de knelpunten op het ruimtelijk vlak weggenomen. Mestverwerkingsinitiatieven kunnen nu, onder voorwaarden, in het landelijke gebied geplaatst worden. De indruk is dat de meeste initiatieven hierdoor een plek kunnen krijgen. Dit wordt nu nader geanalyseerd, waarbij ook wordt bezien of er voldoende ruimtelijke spreiding is.

Het onderwerp mestverwerking zal geagendeerd worden in het regionale afstemmingoverleg met wethouders ruimtelijke ordening en landbouw in Oost-Brabant. Vanuit het rijk en de provincie zullen betrokkenen tijdens deze overleggen ingaan op de doelstellingen voor mestverwerking en de lokale inpassing.

Op deze wijze geeft het kabinet de invulling aan de toegezegde commissie versnelling locatieontwikkeling mestverwerking (Kamerstuk 33 037, nr. 80). Deze brede aanpak, die gericht is op regionaal draagvlak, past bij het proces dat in de provincie Noord-Brabant is gestart om toe te werken naar een zorgvuldige veehouderij.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma