Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van het voorlopig verslag van
de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie. De regering waardeert de interesse
van de leden van de fracties van VVD, PvdA, CDA en SP voor dit wetsvoorstel. In het
navolgende wordt ingegaan op de vragen waartoe het wetsvoorstel de leden van deze
commissie aanleiding heeft gegeven.
De leden van de VVD-fractie, waarbij de leden van de fracties van PvdA, CDA en SP
zich hebben aangesloten, constateren dat de regering tegen de achtergrond van het
herzieningsbesluit (waarop het wetsvoorstel is gebaseerd) onderscheid maakt tussen
onderdelen die wel en onderdelen die geen implementatie behoeven. Zij merken op dat
een groot aantal bepalingen zich rechtstreeks richt tot Eurojust en niet tot de lidstaten.
Die bepalingen behoeven derhalve niet te worden neergelegd in Nederlandse wetgeving.
Bij deze leden rijst hierdoor de vraag hoe wordt geborgd dat de uitwerking binnen
Eurojust op de juiste wijze plaatsvindt?
In reactie hierop merk ik op dat Eurojust een aantal projecten in gang heeft gezet
om onderdelen van het besluit te implementeren die primair voor Eurojust relevant
zijn, zoals het opzetten van de zogenaamde coördinatie met oproepdienst bedoeld in
artikel 5bis van het besluit, die inmiddels gereed is, het mogelijk maken van een
verbinding tussen de nationale coördinatiesystemen als bedoeld in artikel 12 van het
besluit en het realiseren van de technische infrastructuur die benodigd is voor de
gestructureerde informatie-uitwisseling op basis van artikel 13 van het besluit. Eurojust
rapporteert in zijn jaarverslag aan de instellingen onder andere over de voortgang
op dit punt en de Raad neemt daarover vervolgens politieke conclusies aan. Ook pleegt
de President over het jaarverslag verantwoording af te leggen in het Europees Parlement.
Op grond van artikel 42, tweede lid, van het (gewijzigde) Eurojustbesluit controleert
de Commissie bovendien op geregelde tijdstippen de toepassing door lidstaten van het
(gewijzigde) Eurojustbesluit en brengt de Commissie daarover verslag uit aan het Europees
Parlement en de Raad, in voorkomend geval met voorstellen tot verbetering van de justitiële
samenwerking en de werking van Eurojust.
Vervolgens merken deze leden op dat ter uitvoering van het herzieningsbesluit wordt
voorzien in de aanwijzing van een (tweede) plaatsvervangend hoofdofficier van justitie
(HOVJ) bij het landelijk parket. Deze persoon wordt aangesteld om de taken van nationaal
lid bij Eurojust uit te oefenen. Deze leden vernemen graag of het een fulltime aanstelling
betreft in de zin dat dit plaatvervangend hoofd zich volledig kan richten op de taken
van Eurojust. Of is het, zo vragen zij, ook voorstelbaar en voorzienbaar dat deze
persoon reguliere taken van het Openbaar Ministerie (OM), in het bijzonder taken behorend
bij het pakket verantwoordelijkheden van de HOVJ, zal verrichten (als diens plaatsvervanger).
De voorgestelde wijziging in de Wet op de rechterlijke organisatie maakt het uitdrukkelijk
mogelijk om een (tweede) plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het landelijk
parket te laten functioneren met het oog op de taken van nationaal lid bij Eurojust.
Één van de redenen om hem als (tweede) plaatsvervangend hoofdofficier van justitie
bij het landelijk parket in te delen is dat hij in die hoedanigheid over de vereiste
bevoegdheden beschikt om de taken van nationaal lid bij Eurojust uit te kunnen oefenen.
Dat laatste zal ook naar voren komen in nog nader op te stellen interne instructies
binnen het openbaar ministerie, waarin zijn positie binnen het openbaar ministerie
zal worden beschreven.
Ten slotte stellen de leden van voornoemde fracties dat gebleken is dat de ernstige
zaken op het terrein van fraude, witwassen en corruptie ten detrimente van de financiële
belangen van de EU, waarbij een beroep wordt gedaan op de openbaar ministeries van
de lidstaten om een vervolging in te stellen, in veel lidstaten echter weinig prioriteit
krijgen. Zij vragen in hoeverre van Eurojust verwacht wordt hierin verbetering te
brengen.
In reactie hierop merk ik het volgende op. Zoals terecht wordt aangehaald in het voorlopig
verslag, beschouwt Eurojust deze categorie zaken binnen het totale werkaanbod als
prioritair. Het huidige mandaat van Eurojust voorziet echter niet in het stelselmatig
bevorderen van strafrechtelijke vervolging van dergelijke zaken door de lidstaten.
In voorkomende gevallen kan Eurojust echter wel op basis van zijn huidige mandaat
een coördinerende, stimulerende en faciliterende rol vervullen in individuele strafrechtelijke
onderzoeken die vanuit een of meer lidstaten worden aangedragen.
De minister van Veiligheid en Justitie,
I. W. Opstelten