Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 december 2011
Naar aanleiding van berichtgeving in de media op 30 november jongstleden over het in augustus 2010 opgestelde evaluatierapport
van de Circulaire Wapens en Munitie 2005, bericht ik u het volgende.
De Circulaire Wet Wapens en Munitie geldt sinds 2005. Deze toen nieuwe circulaire is ingevoerd om een strenger regime van
beheersing van legaal wapenbezit te ontwerpen waarmee meer mogelijkheden ontstonden voor screening en controle op leden van
schietverenigingen, strikte uitleg van de wapenwetgeving en controle op de gang van zaken binnen schietverenigingen. Uit de
evaluatie van deze circulaire die is uitgevoerd in 2010 door medewerkers van het Ministerie van Justitie in samenwerking met
experts uit het veld is naar voren gekomen dat de circulaire belangrijke verbeteringen heeft gerealiseerd ten opzichte van
de periode daarvoor. Er zijn echter ook verschillende aanbevelingen voor verbetering gedaan.
Deze evaluatie zag er op welke aanpassingen in regelgeving dienden te worden doorgevoerd. Met het inventariseren en voorbereiden
van die aanpassingen was mijn Ministerie bezig toen het drama in Alphen aan den Rijn op 9 april 2011 zich voltrok. Duidelijk
was toen dat van groot belang was gedegen beeld te krijgen van hetgeen zich rondom de verlofverleningen in deze zaak had voorgedaan.
Een algemene evaluatie van de uitvoeringsregels schept dat beeld niet. Ik heb er toen voor gekozen onderzoek te laten doen
door de Onderzoeksraad voor Veiligheid naar het Nederlandse systeem ter beheersing van het legaal wapenbezit en vast te stellen
of het systeem voldoende functioneert en heeft gefunctioneerd in relatie tot de dramatische gebeurtenissen in Alphen aan den
Rijn. Het feit dat er al een algemene evaluatie van de uitvoeringsregels was verricht, laat onverlet dat er groot belang bestond
om ook naar aanleiding van hetgeen zich in Alphen aan den Rijn heeft voltrokken, lessen te trekken.
Het is niet wenselijk tussentijds wezenlijke regelwijzigingen voor te bereiden op deelgebieden, zonder eerst de resultaten
van het onderzoek van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid af te wachten. Die resultaten zijn er nu, waardoor alles in onderlinge
samenhang kan worden bezien. Wijzigingen tussentijds, kunnen leiden tot verwarring en bemoeilijken juist effectief toezicht
en controle. Dat neemt niet weg dat naar aanleiding van de evaluatie wel alvast een aantal technische wijzigingen in de circulaire
is aangebracht. De aangepaste circulaire zal worden gepubliceerd in de Staascourant en op 1 januari 2012 in werking treden.
Ik heb de handschoen op het gebied van het stelsel voor het bezit en gebruik van vuurwapens op deze wijze opgepakt. Het drama
in Alphen aan den Rijn heeft de noodzaak daarvoor op een aangrijpende manier bevestigd. In mijn brief aan uw kamer van 27 oktober
jongstleden (TK, 2011–2012, 33 033, nr. 2) heb ik aangegeven dat ik het stelsel via drie hoofdlijnen ga versterken. Doel van de versterking van het stelsel is er beter
dan voorheen voor te zorgen dat legale wapens alleen in het bezit komen van degenen die aan kunnen tonen met een dergelijke
verantwoordelijkheid om te kunnen gaan. Ten eerste zal de aanvrager van een wapenverlof zelf aan dienen te tonen dat zij of
hij in staat is om de verantwoordelijkheid die met dit bezit gepaard gaat, te kunnen dragen. Ten tweede zal de politie zijn
taak als verlofverlener, handhaver en toezichthouder actiever vorm moeten geven. Daarbij is het nodig dat de politie kan beschikken
over de informatie die nodig is om het risico op misbruik te kunnen wegen ten opzichte van het redelijk belang voor het bezitten
van een wapen ter serieuze beoefening van de schietsport. Voor het maken van deze weging en voor het inzetten van de beschikbare
capaciteit, is het van belang om te werken met risico-inschattingen. Ten derde zal ik ervoor zorgen dat ik als minister van
Veiligheid en Justitie nadrukkelijker en directer dan voorheen toe kan zien op de goede werking van een versterkt stelsel.
Voor de uitvoering van deze maatregelen heb ik binnen mijn Ministerie een projectorganisatie opgericht.
Binnen de politie is er overigens sinds 2009 gewerkt aan het tegen het licht houden van de werkprocessen en de werking van
de ICT. Dat heeft geleid tot verbetervoorstellen waarmee men aan de slag is gegaan. Er is hiertoe een landelijk adviseur aangesteld.
Zo waren al voor het drama in Alphen aan den Rijn stappen gezet op het gebied van de aansturing op de uitvoering en de eenduidigheid
van werkprocessen. Het onderzoek van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid heeft aangetoond dat deze processen meer prioriteit
moeten krijgen. Daar zal ik samen met de politie voor zorgen. Hiertoe biedt de nationale politie ook goede kansen.
Bij deze brief treft u een afschrift van het evaluatierapport van de Circulaire Wapens en Munitie aan1. Voor het toentertijd u toezenden van deze door interne betrokkenen uitgevoerde evaluatie is niet gekozen, omdat het – zoals
ik u hierboven toelichtte – «work in progess» betrof. Voor geheimhouding bestaat en bestond geen enkele aanleiding. Ik heb
de Onderzoeksraad Voor Veiligheid voor hun onderzoek zowel pro-actief als op hun verzoek alle informatie verstrekt die benodigd
zou kunnen zijn om een gedegen onderzoek te kunnen voeren. Ook het evaluatierapport is aan de Onderzoeksraad Voor Veiligheid
gegeven.
De minister van Veiligheid en Justitie,
I. W. Opstelten