Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333032 nr. 14

33 032 Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie

Nr. 14 AMENDEMENT VAN HET LID SEGERS

Ontvangen 23 oktober 2012

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In de beweegreden wordt aan het slot vóór de puntkomma de volgende zinsnede ingevoegd: , alsmede dat een regeling wordt getroffen voor het vaststellen van het biologische ouderschap van een persoon.

II

In artikel I wordt na onderdeel N een onderdeel toegevoegd, luidende:

Na

In titel 11 wordt na afdeling 4 een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 4a Gerechtelijke vaststelling van het biologische ouderschap

Artikel 208a

  • 1. Het biologische ouderschap van een persoon die de verwekker of de biologische vader van een kind is, kan, ook indien deze is overleden, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van:

    • a. de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;

    • b. het kind.

  • 2. Vaststelling van het biologische ouderschap kan niet geschieden, indien de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon een minderjarige is die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, tenzij hij voordat hij deze leeftijd heeft bereikt is overleden.

  • 3. Het verzoek wordt door de moeder ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in geval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel van onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden.

  • 4. Het verzoek wordt door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat zijn juridische ouder vermoedelijk niet zijn biologische ouder is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

  • 5. Overlijdt het kind voordat vaststelling van het biologische ouderschap heeft kunnen plaatsvinden, dan kan een afstammeling van het kind in de eerste graad de vaststelling van het biologische ouderschap aan de rechtbank verzoeken, mits de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon, nog in leven is. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.

  • 6. De rechtbank stelt de verklaring als bedoeld in het eerste lid niet vast indien de vaststelling de belangen van de ouders, het kind, dan wel de persoon, bedoeld in het eerste lid, ernstig zou schaden.

Toelichting

Dit amendement introduceert het zogeheten «recht om te weten». Het afstammingsrecht sluit zoveel mogelijk aan op de biologische afstamming. Desalniettemin zijn er tal van situaties waarin de juridische afstamming niet overeenkomt met deze biologische afstamming. Kinderen in die situatie – en soms ook de moeder – kunnen er mee gebaat zijn dat zij, wellicht op latere leeftijd, alsnog op de hoogte geraken met deze biologische afstammingsgegevens, terwijl zij er mogelijk juist niet bij gebaat zijn om tezamen met deze wetenschap ook het juridische ouderschap te doen laten wijzigen.

Om die reden stelt dit amendement voor een bevoegdheid voor belanghebbenden om de rechtbank te verzoeken een verklaring op te stellen, waarin het biologische ouderschap wordt vastgesteld, zonder de juridische gevolgen van de «ouderschapsactie» uit artikel 207 daaraan te koppelen.

Bij aanname van dit amendement wordt in het opschrift van het wetsvoorstel aan het slot toegevoegd: , alsmede om een regeling te treffen voor het vaststellen van biologisch ouderschap.

Segers